ECLI:NL:GHARL:2026:4443

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
200.359.484/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 onder a) Verordening Brussel II-terArt. 362 RvArt. 283 RvArt. 1:81 BWArt. 3:914 lid 2 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verdeling overwaarde echtelijke woning en huwelijksvermogen na echtscheiding

De zaak betreft een hoger beroep over de afwikkeling van het huwelijksvermogen tussen ex-echtgenoten na hun echtscheiding. De rechtbank had bepaald dat de overwaarde van de echtelijke woning in een verhouding van 25% voor de man en 75% voor de vrouw zou worden verdeeld. De man betwistte deze ongelijke verdeling en verzocht het hof om een verdeling bij helfte.

Tijdens de procedure werd vastgesteld dat de woning inmiddels was verkocht en geleverd. Het hof oordeelde dat partijen in beginsel recht hebben op een gelijke verdeling van de overwaarde, tenzij anders overeengekomen. De afspraken die partijen hadden gemaakt betroffen alleen de levensverzekering, niet de overwaarde van de woning. Daarom vernietigde het hof het onderdeel van de beschikking dat de overwaarde ongelijk verdeelde en bepaalde een verdeling van 50%-50%.

Verder veroordeelde het hof de man tot betaling van €4.162,44 aan de vrouw wegens door haar betaalde gebruikerslasten van de woning. De gezamenlijke bankrekening wordt bij verkoop van de woning opgeheven en het saldo bij helfte verdeeld. De onroerende goederen in het buitenland worden aan de man toegedeeld, met een verplichting tot vergoeding van de helft van de waarde aan de vrouw. Verzoeken van de vrouw tot partneralimentatie en inzage in bankafschriften werden afgewezen. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof bepaalt een gelijke verdeling van de overwaarde van de woning, veroordeelt de man tot betaling van woonlasten en regelt de verdeling van overige vermogensbestanddelen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.484
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 569086 en 574938)
beschikking van 9 juli 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. S. Kaya,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekeer in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Yücel.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 juni 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna ook: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 september 2025;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht namens de man van 16 maart 2026 met een productie;
- een journaalbericht namens de vrouw van 24 maart 2026 met producties;
- een journaalbericht namens de man van 25 maart 2026 met een productie;
- een journaalbericht namens de vrouw van 29 maart 2026 producties en
- een journaalbericht namens de man van 2 april 2026 met een productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 3 april 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
2.3
Na de mondelinge behandeling is, met toestemming van het hof, namens de vrouw nog bericht ontvangen over de datum van ontbinding van het huwelijk.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn [in] 1999 met elkaar getrouwd in [plaats1] , provincie [provincienaam] , [land1] .
3.2
De man en de vrouw hebben allebei de Nederlandse en de Turkse nationaliteit. De man had op het moment dat hij trouwde met de vrouw alleen de Turkse nationaliteit. De vrouw had toen zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit. De man heeft op 3 november 2022 de Nederlandse nationaliteit verkregen.
3.3
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 24 oktober 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.De procedure bij de rechtbank

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover van belang, als volgt beslist:

(…)
4.2.
bepaalt dat de echtelijke woning aan [adres1] moet worden
verkocht en dat ieder der partijen de helft van de kosten dient te dragen die samenhangen met de verkoop en levering van de woning. Met de verkoopopbrengst van de echtelijke woning en met de waarde van de levensverzekering moet de hypothecaire geldlening worden afgelost en moeten de verkoopkosten worden voldaan. De overwaarde die dan resteert wordt door partijen verdeeld in een verhouding van 25% voor de man en 75% voor de vrouw.
4.3.
bepaalt dat partijen de eigenaarslasten en de gebruikerslasten van de woning ieder voor de helft voldoen totdat de woning is verkocht en geleverd aan een derde;
(…)
4.5.
bepaalt dat ieder van partijen de op zijn/haar naam staande bankrekening behoudt zonder nadere verrekening van de saldi en dat de gezamenlijke bankrekening zal worden opgeheven zodra de echtelijke woning is verkocht en geleverd en dat het saldo indien positief bij helfte wordt verdeeld en indien negatief bij helfte wordt gedragen;
4.6.
deelt de auto Fiat toe aan de vrouw zonder nadere verrekening en de auto BMW aan de man zonder nadere verrekening, waarbij de man de schuld aan de [naam2] in de onderlinge verhouding tussen partijen voor zijn rekening neemt;
(…)
5. De procedure bij het hof
5.1
De man is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de verdeling van de overwaarde van de woning, de gebruikerslasten van de woning en de verdeling van de gezamenlijke bankrekening. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:

A. te bepalen dat de echtelijke woning van partijen gevestigd aan [adres1] wordt verkocht en dat partijen binnen acht dagen na datum van de door het hof te geven beschikking de woning ter verkoop dienen aan te bieden bij een verkoopmakelaar waarbij de man twee makelaars voorstelt waar de vrouw binnen drie dagen uit dient te kiezen;
B. te bepalen dat na de verkoop de openstaande hypothecaire geldlening bij [naam1] met
leningnummer [nummer1] en [nummer2] met de verkoopopbrengst wordt afgelost, dat de
waarde van de levensverzekering die gekoppeld is aan de hypotheek zal worden gebruikt voor de aflossing van de hypotheek en nadat alle kosten verbonden aan de verkoop en levering van de woning zijn voldaan de netto verkoopwinst tussen partijen bij helfte wordt verdeeld;
C. te bepalen dat de door de man na 29 december 2023 dan wel per datum na feitelijke vertrek van de man uit de woning gedragen lasten met betrekking tot de woning en daaraan verbonden schulden, gelden als zijn investering in een goed dat hem niet toekomt, zodat hij daarvoor een evenredige vergoeding ontvangt. Deze vergoeding kan worden verrekend in de afkoopsom van de woning (nota van afrekening) of anderszins in de onderlinge eindafrekening dan wel te bepalen dat de man per peildatum enkel de eigenaarslasten bij helfte dient te voldoen en dat de vrouw de gebruikerslasten van de woning in zijn geheel dient te dragen. De ten onrechte door de man betaalde bedragen aan gebruikerslasten dienen te worden verrekend in de afkoopsom van de woning, althans in de nota van afrekening van de notaris bij de levering van de woning aan een derde;
D. te bepalen dat de gezamenlijke bankrekening van partijen met nummer [nummer3] zal worden opgeheven zodra de echtelijke woning is verkocht en geleverd en dat het saldo indien positief bij helfte wordt verdeeld en indien negatief door de vrouw wordt gedragen;
E. de vrouw te veroordelen tot de reële kosten van onderhavige procedure dan wel het
liquidatietarief toe te passen, waaronder het salaris van gemachtigde alsook eventuele
buitengerechtelijke incassokosten, beslagkosten en nakosten vermeerderd met de wettelijke
rente met ingang van veertien dagen na datum van de door Uw hof gewezen beschikking tot aan de dag van volledige voldoening;
F. te bepalen dat indien de vrouw weigert mee te werken aan de verdeling van de
huwelijksgoederengemeenschap, de door het hof te geven beschikking in de plaats
daarvan zal komen en te bepalen dat eventuele kosten van de tenuitvoerlegging van de door het hof te geven beschikking voor rekening komen van de man voor zover deze door hem worden veroorzaakt;
G. dan wel een zodanige beslissing te nemen als Uw hof in goede justitie vermeent te behoren;
H. een en ander met bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank voor het overige.”
5.2
De vrouw voert verweer en is op haar beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. De vrouw is het niet eens met de beslissingen van de rechtbank over de gebruikers- en eigenaarslasten, de verkoopopbrengst van een aandeel in een VOF, de verdeling van banksaldi, de verdeling van onroerende goederen, een schuld en partneralimentatie. De vrouw verzoekt het hof:
“I. de man te veroordelen om binnen één week na betekening van de door het hof te geven
beschikking zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van zijn onverdeelde aandeel in de woning aan [adres1] , zulks op verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat de man na betekening van de beschikking hiermee in gebreke blijft, met
een maximum van € 50.000,-;
II. de man te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 4.162,44 aan de vrouw ter zake de door haar betaalde woonlasten die voor rekening van de man komen en met de bepaling dat – voor zover de vrouw met betrekking tot deze kosten – meer heeft voldaan dan waartoe zij is gehouden, de man dit op haar eerste verzoek aan haar dient terug te betalen;
III. te bepalen dat het bedrag wat aan de man toekomen ten aanzien van het aandeel van de man in de overwaarde van de woning, bij de levering van de echtelijke woning aan [adres1] , in depot bij de notaris dient te worden gestort, totdat de man de door de vrouw betaalde doch voor rekening van de man komende kosten, althans de door de vrouw gestelde vorderingen op de man, aan de vrouw heeft betaald, dan wel niet eerder dan dat alle kosten welke voor rekening van de man komen, aldus bij de nota van afrekening van de notaris, dienen te worden betaald c.q. verrekend, althans in mindering te worden gebracht, indien de man weigert mee te werken aan de betaling, de door uw hof te
wijzen beschikking in de plaats daarvan zal komen, dan wel in goede justitie door u te
bepalen zoals Uw hof juist acht;
IV. de man te veroordelen tot betaling van de openstaande schuld ca € 9.000,- aan de [naam2] , zulks bij de levering van de echtelijke woning via de notaris, indien de man weigert te betalen dat het aandeel van de man in de overwaarde van de woning in depot bij de notaris dient te worden gestort tot dat de man de schuld bij de [naam2] betaalt, te bepalen indien de man weigert mee te werken aan de betaling, de door uw hof te wijzen beschikking in de plaats daarvan zal komen;
V. te bepalen dat de man zich ervoor dient in te spannen dat de vrouw wordt ontslagen uit de
hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de openstaande schuld bij de [naam2] ;
VI. te bepalen dat de waarde van de onroerende goederen in [land1] op naam van de man door een door beide partijen aan te wijzen onafhankelijke erkende taxateur in [land1] vast te doen stellen binnen drie maanden na in deze te geven beschikking;
VIIPrimair: te bepalen dat de man zijn aandeel in de onroerende goederen die op naam van de man staan in [land1] heeft verbeurd aan de vrouw, dat deze onroerende goederen aan de man zullen worden toebedeeld onder de gehoudenheid van de man tot vergoeding aan de vrouw van de door beiden aan te wijzen onafhankelijke erkende taxateur in [land1] de vastgelegde waarde van deze onroerende goederen;
Subsidiair: te bepalen dat de onroerende goederen op naam van de man in [land1] aan de
man zullen worden toebedeeld onder de gehoudenheid van de man tot vergoeding van de
door beiden aan te wijzen onafhankelijke erkende taxateur in [land1] de helft van de
vastgelegde waarde van deze onroerende goederen aan de vrouw;
VIII. de man te veroordelen tot betaling van € 8.750,-, aan de vrouw ter zake de verkoopopbrengst van de aandelen van de man in VOF [naam3] , en te bepalen dat de man zijn medewerking moet verlenen tot betaling van het bedrag van € 8.750,-, via de
notaris, zulks bij de levering van de echtelijke woning aan [adres1] , te bepalen indien de man weigert mee te werken aan de betaling, de door uw hof te wijzen beschikking in de plaats daarvan zal komen;
IX. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw de helft van de saldi van de
bankrekeningen staande op naam van de man in [land1] bij a) [naam4]
en b) [naam5] , dat de man inzage (ex artikel 843 a Rv) moet geven en alle
bankafschriften van deze bankrekeningen over de periode 1 januari 2010 tot peildatum
moet overleggen;
X. de man dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 640,- per maand, met ingang van het indienen van het verzoekschrift in eerste aanleg, althans met ingang van de datum inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeentenaam] , althans met een bedrag dat
het hof redelijk en juist acht;
XI. met veroordeling van de man in de proceskosten met de bepaling dat er wettelijke rente
verschuldigd zal zijn over de proceskostenveroordeling vanaf de vijftiende dag na het wijzen
van de beschikking;
XII. Dan wel die beslissing te nemen die het hof juist acht.
5.3
De man voert verweer en hij vraagt het hof de vrouw de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

6.De motivering van de beslissing

Bevoegdheid Nederlandse rechter en toepasselijk recht
6.1
De Nederlandse rechter is bevoegd te beslissen op de verzoeken over de afwikkeling van het huwelijksvermogen. [1]
6.2
De rechtbank heeft geoordeeld dat op het huwelijksvermogensregime van partijen tot 1 januari 2010 het Turkse recht van toepassing is en na 1 januari 2010 het Nederlandse recht. Dit oordeel is in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof hiervan uit zal gaan.
Verkoop echtelijke woning
6.3
Zowel de man als de vrouw hebben in hoger beroep verzoeken gedaan die betrekking hebben op de verkoop en levering van de echtelijke woning. Op de mondelinge behandeling hebben de man en de vrouw aan het hof verteld dat de echtelijke woning is verkocht en op 11 maart 2026 aan de koper is geleverd. De grieven die hierop betrekking hebben behoeven daarom behandeling meer. Het hof zal de verzoeken daarom afwijzen.
De echtelijke woning: de levensverzekering en de overwaarde van de woning
6.4
De rechtbank heeft bepaald dat de echtelijke woning moet worden verkocht en dat ieder der partijen de helft van de kosten dient te dragen die samenhangen met de verkoop en levering van de woning. Met de verkoopopbrengst van de echtelijke woning en met de waarde van de levensverzekering moet de hypothecaire geldlening worden afgelost en moeten de verkoopkosten worden voldaan. De overwaarde die dan resteert wordt door partijen verdeeld in een verhouding van 25% voor de man en 75% voor de vrouw (dictum 4.2).
6.5
De man is het hiermee niet eens. Partijen hebben de avond voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank – in aanwezigheid van hun meerderjarige dochter [naam6] – overleg gehad en afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn door [naam6] opgeschreven en op 3 juni 2025 door partijen ondertekend. In deze afspraken staat dat de levensverzekering in de verhouding 75 % vrouw - 25 % man zal worden verdeeld. Maar de rechtbank heeft in de bestreden beschikking opgenomen dat de netto overwaarde van de woning (ook) in de verhouding 75 % vrouw - 25 % man zou worden verdeeld. Dat is niet afgesproken, aldus de man.
6.6
De vrouw voert aan dat de man een nieuw verzoek doet dat niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan en daarom moet worden afgewezen.
Daarnaast voert de vrouw aan dat de afspraken die partijen hebben gemaakt duidelijk zijn: de woning wordt verkocht, met de verkoopopbrengst en de waarde van de levensverzekering moet de hypothecaire geldlening worden afgelost en de verkoopkosten worden betaald. Daarna wordt de resterende overwaarde verdeeld in de verhouding van 25% voor de man en 75% voor de vrouw. Dit is uitvoerig aan de orde geweest op de mondelinge behandeling bij de rechtbank. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 5 juni 2025 nieuwe afspraken gemaakt, waarmee de afspraken van 3 juni 2025 zijn vervallen. De vrouw heeft op de mondelinge behandeling aan het hof verteld dat de man met haar de afspraak – om ook de overwaarde van de woning in de verhouding 75 % vrouw - 25 % man te verdelen – uit schuldgevoel heeft gemaakt. Hij voelde zich schuldig, omdat hij was vreemdgegaan, aldus de vrouw.
6.7
Het hof overweegt als volgt. Anders dan de vrouw aanvoert, kan de man in hoger beroep zijn verzoek wijzigen (vermeerderen of verminderen). [2] Overigens merkt het hof op dat het hof het verweer van de vrouw dat sprake is van een nieuw verzoek ook niet volgt; in het verzoekschrift dat de man op 29 december 2023 bij de rechtbank heeft ingediend, heeft de man onder V verzocht om verdeling bij helfte van de overwaarde en de waarde van de levensverzekering.
6.8
Vast staat dat partijen voor de verkoop en levering samen eigenaar waren van de woning, ieder voor de onverdeelde helft en hoofdelijk schuldenaar van de met de woning samenhangende schulden. Dat betekent dat zij in beginsel ieder recht hebben op de helft van de met de verkoop en levering van de woning gerealiseerde overwaarde. Het staat partijen vrij om daarover andersluidende afspraken te maken. De vraag is of dat hier het geval is. In het document dat partijen op 3 april 2025 hebben ondertekend staat – onder meer – geschreven: “
levensverzekering 75 % word van [verweerster] en 25 % word van [verzoeker]”. Over de woning staat hierin: “
Huis houden we nog, totdat we weten dat [naam6] het kan kopen.” In het document staat niets over de verdeling van de opbrengst van de woning. Het hof is van oordeel dat de inhoud van dit document meer steun geeft voor het standpunt van de man dat – in afwijking van de hoofdregel – partijen op 3 april 2025 uitsluitend over de levensverzekering de verdeelsleutel 75 % vrouw - 25 % man zijn overeengekomen, dan voor het standpunt van de vrouw dat deze afspraak ook op de verdeling van de overwaarde ziet.
6.9
De vrouw heeft ook aangevoerd dat op de mondelinge behandeling bij de rechtbank nieuwe afspraken zijn gemaakt waarmee de afspraken uit het document van 3 april 2025 zijn vervallen. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank staat het volgende over de levensverzekering [3] :
“(…)
Levensverzekering
Mr. Kaya:
De afspraak is dat deze pas kan worden opgeëist als de woning is verkocht. De vrouw krijgt 75% van de waarde en de man 25%. De woning heeft een enorme overwaarde.
De rechtbank vraagt partijen of de waarde van de levensverzekering moet worden gebruikt voor het aflossen van de hypotheek.
Mr. Kaya:
De woning heeft een enorme overwaarde.
Mr. Yücel:
Als er niks overblijft, krijgt de vrouw een vordering op de man. De waarde van de
levensverzekering is nu zo’n € 28.000,-.
Mr. Kaya:
De intentie van de man is dat hij niet met een schuld komt te zitten omdat de vrouw recht heeft op 75%. Bij de afspraken zijn partijen ervan uitgegaan dat de woning een overwaarde heeft en dat daarmee de hypotheek kan worden afgelost. Partijen zijn ervan uitgegaan dat dat levensverzekering volledig aan partijen toekomt.
De rechtbank begrijpt dat de intentie van partijen is dat als er iets overblijft van de
levensverzekering - na betaling van de hypotheek, van een waardevermeerdering aan [naam7] en de kosten verbonden aan de verkoop en levering van de woning - partijen dat willen delen in de verhouding 75-25. Partijen bevestigen dit.
(…)”
De samenvatting van de rechtbank waar partijen volgens het proces-verbaal mee hebben ingestemd ziet, anders dan de vrouw betoogt, niet op de overwaarde van het huis maar op het gedeelte van de waarde van de levensverzekering. Een zelfde afspraak dus als volgt uit de overeenkomst van 3 september 2025. Volgens de vrouw heeft de man ingestemd met een ongelijke verdeling van de overwaarde van de woning omdat hij zich schuldig voelde. De man heeft dat betwist en, als gezegd, een dergelijke afspraak blijkt niet uit het proces-verbaal. Naar het oordeel van het hof zijn de stellingen van de vrouw niet komen vast te staan en is er geen reden om de overwaarde van de woning anders dan bij helfte te verdelen.
6.1
Het hof zal daarom rechtsoverweging 4.2. van de bestreden beschikking vernietigen en beslissen dat van de waarde van de levensverzekering 25 % aan de man toekomt en 75 % aan de vrouw en dat de overwaarde (zonder bijtelling van de waarde van de levensverzekering) van de woning in de verhouding 50 % - 50 % wordt verdeeld. Op de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw aan het hof de nota van afrekening van 11 maart 2026 aan het hof overhandigd. Aan de hand hiervan maakt het hof de volgende rekensom.
6.11
De waarde van de levensverzekering is € 31.525,49. Hiervan komt de man een bedrag toe van (25 % x € 31.525,49) € 7.881,37 en de vrouw van (75 % x € 31.525,49) € 23.644,12.
6.12
De netto opbrengst van de woning is:
Te betalen
Te ontvangen
Totaal onroerende zaken
€ 325.750,00
Totaal aflossing hypotheek
€ 171.599,04
Totaal verrekening eigenaarslasten
€ 542,81
Totaal notaris
€ 389,00
Totaal overige kosten
€ 36,00
Totaal BTW
€ 89,25
Totaal
€ 172.113,29
€ 326.292,81
- € 172.113.29
Totaal te verdelen bedrag
€ 154.179,52
6.13
De netto opbrengst van € 154,179,52 moet in de verhouding 50 % - 50 % worden verdeeld. Dus aan ieder van partijen komt € 77.089,76 toe.
Gebruikerslasten echtelijke woning
6.14
De rechtbank heeft beslist dat de man en de vrouw ieder de helft van de gebruikers- en eigenaarslasten zullen voldoen totdat de woning is verkocht en geleverd aan een derde.
6.15
De man wil wel de helft van de eigenaarslasten betalen, maar niet de helft van de gebruikerslasten. De man verblijft niet in de woning; de vrouw heeft de woning meer dan een jaar voor zichzelf gebruikt. Hij vindt het daarom onredelijk als hij de gebruikerslasten van de vrouw zou moeten betalen.
6.16
De vrouw voert aan dat partijen deze afspraak met elkaar hebben gemaakt. Dat de man achteraf kennelijk spijt heeft of tot andere inzichten is gekomen, betekent niet dat de rechtbank de beslissing onjuist heeft opgenomen, aldus de vrouw. De man heeft, anders dan hij stelt, wel nog gebruik gemaakt van de woning. Daarom moet hij de helft van de gebruikerslasten voldoen. Omdat de man zijn aandeel nog niet heeft voldaan, en de vrouw dat voor hem heeft betaald, moet hij zijn aandeel aan de vrouw vergoeden. De vrouw heeft dit berekend op € 4.162,44.
6.17
Het hof overweegt als volgt. In het proces-verbaal van de rechtbank staat dat de man heeft gezegd dat hij de helft van de lasten van de woning zal betalen, totdat de woning is verkocht. Er is geen onderscheid gemaakt tussen de gebruikerslasten en de eigenaarslasten, zodat het hof van oordeel is dat partijen zijn overeengekomen dat de man zowel de helft van de gebruikerslasten als van de eigenaarslasten zal voldoen. Daarbij zijn de door de vrouw opgevoerde kosten grotendeels gemaakt in de periode dat partijen nog getrouwd waren. Partijen zijn verplicht elkaar als echtgenoten het nodige te verschaffen, waaronder – naar het oordeel van het hof – in dit geval ook de gebruikers- en eigenaarslasten worden verstaan. [4]
De vrouw heeft deze kosten berekend op € 4.162,44. Volgens de man heeft de vrouw niet gespecificeerd dat dit kosten van de woning zijn en dat deze voor rekening van de man komen en hij deze niet heeft betaald. Het hof is echter van oordeel dat de vrouw haar stelling voldoende (met een overzicht en bankafschriften) heeft onderbouwd en dat de man in dat licht deze stelling onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Het hof zal de man veroordelen tot betaling van het bedrag van € 4.162,44 aan de vrouw.
Gezamenlijke bankrekening [nummer3]
6.18
De rechtbank heeft beslist dat de gezamenlijke bankrekening van partijen met nummer [nummer3] zal worden opgeheven zodra de echtelijke woning is verkocht en geleverd en dat het saldo indien positief bij helfte wordt verdeeld en indien negatief bij helfte wordt gedragen.
6.19
De man is het hiermee niet eens. De man vreest dat de vrouw bewust een negatief saldo zal laten ontstaan op deze bankrekening. De man wil dat als het saldo op het moment van opheffing van de bankrekening positief is er bij helfte wordt verdeeld, maar als het negatief is dat dit door de vrouw wordt gedragen.
6.2
De vrouw vreest dat juist de man opzettelijk een negatief saldo zal doen laten ontstaan op de gezamenlijke rekening. De man maakt namelijk geen geld over naar de gezamenlijke bankrekening, maar gebruikt die nog steeds voor de betaling van zijn eigen lasten. Een positief saldo zou daarom aan de vrouw moeten toekomen, terwijl een negatief saldo volledig voor rekening van de man zou moeten komen, zonder verrekening.
6.21
Het hof is van oordeel dat zowel de man als de vrouw hun stellingen onvoldoende hebben onderbouwd. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat als het saldo positief is bij helfte wordt verdeeld en als dat negatief is bij helfte wordt gedragen. Het hof zal de beslissing van de rechtbank (4.5.) bekrachtigen.
Verkoopopbrengst VOF [naam3]
6.22
De rechtbank heeft beslist dat op het verzoek van de vrouw over de verkoopopbrengst van het aandeel van de man in de VOF geen beslissing meer nodig is, omdat dit door de vrouw op de zitting is ingetrokken.
6.23
De vrouw is het hiermee niet eens. Zij stelt dat de man in 2018 zijn aandeel in de VOF heeft verkocht voor € 17.500,-. Dit bedrag is gestort op een bankrekeningnummer op naam van de man, waarna de man dit bedrag contant heeft opgenomen. Dit bedrag moet bij helfte worden verdeeld. De man moet aan de vrouw € 8.750,- betalen, aldus de vrouw.
6.24
De man voert allereerst aan dat, omdat de vrouw haar verzoek bij de rechtbank heeft ingetrokken, behandeling van dit verzoek in hoger beroep niet meer aan de orde kan komen. De man voert daarnaast aan dat de vrouw de verkoopopbrengst heeft opgehaald. Op de brief van de geldbestelling staat ook haar telefoonnummer. Het gaat volgens de man erom of het bedrag op de peildatum, 29 december 2023, nog aanwezig was. De man betwist dat hij in het bezit van de bankbiljetten is dan wel dat er een bankrekening is waarop € 17.500,- staat.
6.25
Het hof overweegt als volgt. Anders dan de man aanvoert, heeft het hoger beroep een herkansings- en herstelfunctie, zodat het hof dit verzoek van de vrouw inhoudelijk zal beoordelen.
Partijen zijn het er over eens dat de VOF in 2018 is verkocht, maar zij verschillen van mening over wat er met de opbrengst is gebeurd. In 2018 waren partijen nog getrouwd. De opbrengst is in de gemeenschap van goederen gevloeid. De vrouw stelt dat de opbrengst er nog steeds is en dat de man deze heeft. Dit is door de man betwist. Het hof is van oordeel dat de vrouw haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.
Bankrekening op naam van de man in [land1]
6.26
De rechtbank heeft geoordeeld dat berichten en producties die na 26 mei 2025 bij de rechtbank zijn ingediend buiten beschouwing worden gelaten.
6.27
De vrouw is het hiermee niet eens. De vrouw stelt dat zij een paar dagen voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft ontdekt dat de man verschillende bankrekeningen in [land1] heeft. De saldi op deze bankrekeningen moeten worden verdeeld. De man heeft deze bankrekeningen voor de vrouw verzwegen. Hij moet op grond van artikel 843a Rv inzage geven in alle bankafschriften vanaf 1 januari 2010 tot de peildatum, aldus de vrouw.
6.28
De man voert primair aan dat partijen op 3 juni 2025 hebben afgesproken dat bankrekeningen van de persoon blijven op wiens naam deze zijn gesteld. Subsidiair voert hij aan dat het onjuist is dat hij op de peildatum bankrekeningen in [land1] had. Het bankrekeningnummer dat de vrouw noemt, was ruim voor de peildatum opgeheven, aldus de man. De periode waarover de man, volgens de vrouw, informatie zou moeten verschaffen, is absurd lang. Het verzoek is ook onvoldoende geconcretiseerd.
6.29
Het hof is van oordeel dat, voor zover de man op de peildatum bankrekeningen in [land1] had, de saldi hiervan bij helfte moeten worden verdeeld. In zoverre zal het hof het verzoek van de vrouw toewijzen. Het verzoek van de vrouw om inzage te krijgen, wijst het hof af. Het hof is van oordeel dat uit de stellingen van de vrouw niet volgt dat zij daarbij in deze fase van de procedure in hoger beroep voldoende belang heeft.
Onroerend goed van de man in [land1]
6.3
De rechtbank heeft beslist dat op het verzoek van de vrouw over het onroerend goed van de man in [land1] geen beslissing meer nodig is, omdat dit door de vrouw op de zitting is ingetrokken.
6.31
De vrouw is het hiermee niet eens. Zij stelt dat de man zestien onroerende zaken in [land1] heeft. De man heeft dit bewust verborgen gehouden, zodat de man zijn aandeel in de onroerende goederen verbeurt aan de vrouw. [5] Voor zover het hof deze stelling niet volgt, moeten de onroerende goederen aan de man worden toegedeeld, waarbij de man de helft van de waarde aan de vrouw moet vergoeden, aldus de vrouw.
6.32
De man voert aan dat hij van zijn ouders een erfenis heeft gekregen, die op hun beurt van hun ouders hebben geërfd. De man kan van de erfenis geen afstand doen en hij kan de gronden ook niet verkopen of te gelde maken. Er zijn heel veel erfgenamen; het aandeel van de man is heel klein, waarmee ook de waarde zeer beperkt is. Als het hof van oordeel is dat de gronden alsnog moeten worden verdeeld, dan moeten deze aan de man worden toegedeeld, zonder verrekening van de waarde, aldus de man.
6.33
Het hof overweegt dat niet in geschil is dat deze onroerende goederen een bestanddeel zijn van de gemeenschap van goederen. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de man de goederen heeft verzwegen. Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man zijn aandeel in de goederen heeft verbeurd, zal het hof daarom afwijzen. Wel zal het hof bepalen dat deze goederen aan de man worden toegedeeld, waarbij de man de helft van de waarde aan de vrouw moet vergoeden. Dat de goederen volgens de man een zeer beperkte waarde hebben, is naar het oordeel van het hof geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat (de waarde van) de goederen bij helfte moeten worden verdeeld.
Schuld aan [naam2]
6.34
De rechtbank heeft geoordeeld dat de man de schuld aan [naam2] voor zijn rekening zal nemen.
6.35
De vrouw stelt dat de man de schuld aan [naam2] niet voldoet, waardoor [naam2] de vrouw tot betaling aanspreekt.
6.36
Het hof overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de man deze schuld moet voldoen. Op de mondelinge behandeling hebben partijen afspraken gemaakt over de wijze waarop de man deze schuld aan [naam2] zal betalen. Bij de notaris staat (een deel van) de opbrengst van de verkoop van de woning in depot. De advocaat van de man zal de notaris berichten dat van het aandeel van de man de schuld aan [naam2] moet worden voldaan. De advocaat van de vrouw zal (in ieder geval voor dat deel) het beslag dat gelegd is onder de notaris opheffen. Deze afspraak leent zich niet voor opname in het dictum, maar bindt partijen in hun onderlinge verhouding wel.
Partneralimentatie
6.37
De vrouw verzoekt het hof om te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud moet betalen (partneralimentatie).
6.38
De man voert aan dat de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek is, omdat de vrouw dit verzoek voor het eerst in hoger beroep doet. Voor zover de vrouw wel ontvankelijk is, moet haar verzoek worden afgewezen. De vrouw kan zelf in haar onderhoud voorzien en de man heeft geen draagkracht om partneralimentatie te betalen.
6.39
Het hof is van oordeel dat de vrouw wel ontvankelijk is in haar verzoek om partneralimentatie, omdat een nevenvoorziening zoals het vaststellen van partneralimentatie, voor het eerst in hoger beroep kan worden verzocht. [6] Het hof overweegt dat het aan de vrouw is om te stellen – en in het licht van de betwisting door de man – te onderbouwen wat haar behoefte is. Het hof is van oordeel dat de vrouw dat onvoldoende heeft gedaan. Zij heeft gesteld dat haar inkomen € 1.700 bedraagt maar heeft, na de betwisting van deze stelling door de man, dit op geen enkele wijze aangetoond. Het hof zal haar verzoek daarom afwijzen.
Proceskostenveroordeling
6.4
Zowel de man als de vrouw verzoeken het hof de andere partij in de proceskosten te veroordelen.
6.41
Het hof zal echter de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt, omdat partijen gewezen echtgenoten zijn.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
7.1
vernietigt onderdeel 4.2. van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 juni 2025, voor zover daarin is bepaald dat de overwaarde door partijen wordt verdeeld in een verhouding van 25% voor de man en 75% voor de vrouw, en in zoverre opnieuw beschikkende dat:
a. de waarde van de levensverzekering in de verhouding 25 % man - 75 % vrouw wordt verdeeld zodat aan de man een bedrag van € 7.881,37 toekomt en aan de vrouw € 23.644,12;
de netto opbrengst van de woning in de verhouding 50 % - 50 % worden verdeeld zodat aan ieder van partijen toekomt € 77.089,76.
7.2
vernietigt onderdeel 4.3. van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 juni 2025, voor zover daarin is bepaald dat partijen de eigenaarslasten en de gebruikerslasten van de woning ieder voor de helft voldoen totdat de woning is verkocht en geleverd aan een derde, en in zoverre opnieuw beschikkende:
veroordeelt de man om aan de vrouw een bedrag te betalen van € 4.162,44;
7.3
bepaalt dat, voor zover de man op de peildatum bankrekeningen in [land1] had, de saldi hiervan op de peildatum bij helfte moeten worden verdeeld;
7.4
deelt de onroerende goederen in [land1] toe aan de man en bepaalt dat de man de helft van de waarde op de datum van verdeling hiervan aan de vrouw moet betalen;
7.5
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.6
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
7.7
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. Hamer, J.U.M. van der Werff en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door de griffier, en is op 9 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 3 onder Pro a), i) van de Verordening Brussel II-ter
2.Artikel 362 in Pro combinatie van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met artikel 283 Rv Pro
3.Blad 7 van het proces-verbaal
4.Artikel 1:81 van Pro het Burgerlijk Wetboek
5.Artikel 3:914 lid 2 BW Pro
6.Artikel 827 Rv Pro