ECLI:NL:GHARL:2026:4446

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
200.357.103/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 1:264 BWArt. 1:265f lid 1 BWArt. 1:265f lid 2 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing verzoek vader tot vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing en zorgregeling

De vader en moeder zijn gezamenlijk gezagdragers over hun minderjarige kind, dat sinds mei 2022 onder toezicht is gesteld en sinds juni 2024 op grond van een machtiging bij grootouders woont. De gecertificeerde instelling (GI) heeft de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven om de omgang met het kind te beperken tot één keer per maand vanwege emotionele onveiligheid en het niet nakomen van afspraken door de vader.

De vader verzocht bij de kinderrechter om deze schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk te laten vervallen en een ruimere omgangsregeling vast te stellen. De kinderrechter wees dit verzoek af, waarna de vader in hoger beroep ging bij het hof Arnhem-Leeuwarden. Tijdens de procedure vond meerdere keren aanhouding plaats vanwege afwezigheid van partijen.

Het hof oordeelt dat de schriftelijke aanwijzing terecht is gegeven en dat de omgangsregeling passend is gezien de emotionele veiligheid van het kind en de beperkte medewerking van de vader aan hulpverlening. De vader heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij de omgang niet op het eerdere niveau kon waarborgen en heeft onvoldoende samengewerkt met de GI. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de kinderrechter en stelt geen andere zorgregeling vast.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek van de vader en stelt geen andere zorgregeling vast.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.103
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 588617
beschikking van 9 juli 2026
inzake
[de vader]
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. F. Pool,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
die is gevestigd in Amsterdam,
verweerster in hoger beroep.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de moeder],
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. Kocak.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft de verzoeken van de vader om de schriftelijke aanwijzing van de GI met betrekking tot de zorgregeling vervallen te verklaren en een zorgregeling vast te stellen zoals door de vader verzocht, afgewezen. Het hof vindt dat dat zo moet blijven en legt dat hierna uit.

2.De feiten

2.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren op [geboortedatum] .
2.2
De vader en de moeder hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
2.3
Bij beschikking van 24 mei 2022 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd.
2.4
Bij beschikking van 4 maart 2024 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een deeltijd pleeggezin voor een of meerdere weekenden per maand.
2.5
[de minderjarige] woont sinds juni 2024 op grond van die machtiging bij zijn grootouders in Soest. Hij blijft daar tot zijn perspectief helder is.
2.6
De GI heeft op 28 januari 2025 de volgende schriftelijke aanwijzing aan de vader gegeven over het contact tussen de vader en [de minderjarige] :
De vader heeft laten zien meerdere keren zijn zoon in een emotionele onveilig setting te hebben gebracht. Vader laat zich lastig sturen door de hulpverlening wat ervoor gezorgd heeft dat de omgang onveilig was voor [de minderjarige] op emotionele aspecten. Vader komt zijn afspraken niet na en is daardoor onvoorspelbaar voor [de minderjarige] . [de minderjarige] past zijn gedrag aan per ouder en dit vindt de GI zorgelijk. De GI is van mening dat vader nog veel sturing nodig heeft om de kwaliteit van de omgang te verbeteren en dat ook kan in een omgang van 1 keer per maand. Vader werd duidelijk overvraagd door de frequentie en moest alle ballen hooghouden, waardoor het als een kaartenhuis in is gestort. De GI vindt daarom dat 1 keer per maand voor nu voldoende is.
De omgang wordt hiermee terug gedraaid naar 1 keer per maand op de woensdag van 14:00 tot 19:00. Tot zal blijken dat u meer verantwoordelijkheid aan kan.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1
De vader heeft de kinderrechter verzocht om de schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren en (
primair)een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen waarbij de vader en [de minderjarige] eenmaal per twee weken, van zaterdagochtend 09:00 uur tot zondagochtend 09:00 uur omgang hebben met elkaar en anders (
subsidiair) een verdeling vast te stellen die de rechtbank juist vindt.
3.2
De kinderrechter heeft die verzoeken afgewezen.
3.3
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 17 april 2025 (hierna ook: de bestreden beschikking).

4.De procedure bij het hof

4.1
De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de schriftelijke aanwijzing alsnog geheel, dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren. Ook verzoekt hij (
primair)een verdeling van de zorg- en opvoedtaken vast te stellen waarbij de vader en [de minderjarige] eenmaal per twee weken, van zaterdagochtend 9.00 uur tot zondagochtend 9.00 uur omgang met elkaar hebben, of anders (
subsidiair) een verdeling die het hof juist acht.
4.2
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift op 11 juli 2025 met producties 1 tot en met 6
  • het verweerschrift met producties 1 tot en met 11
4.3
De mondelinge behandeling bij het hof zou aanvankelijk plaatsvinden op 16 december 2025. Nadat de mondelinge behandeling was geopend, bleek dat de vader die dag was aangehouden door de politie en daarom niet aanwezig kon zijn. Mr. Pool heeft op de mondelinge behandeling om aanhouding van de zaak verzocht. Nadat mr. Kocak en de GI zich daarover hebben uitgelaten heeft het hof, na een korte schorsing, het verzoek om aanhouding toegewezen. Een op de mondelinge behandeling door de GI aan de beide advocaten en het hof overgelegd stuk (het eindverslag van het VIB traject) is aan het procesdossier toegevoegd. Van deze korte mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt, wat is toegevoegd aan het procesdossier. De zaak is vervolgens opnieuw gepland voor mondelinge behandeling.
4.4
De mondelinge behandeling bij het hof zou alsnog plaatsvinden op 30 januari 2026. Nadat de mondelinge behandeling was geopend, bleek dat de vader en de GI zonder opgave van reden niet aanwezig waren en de moeder niet aanwezig kon zijn omdat zij recent was bevallen. De advocaten waren wel verschenen. Mr. Pool heeft op de mondelinge behandeling om aanhouding van de zaak verzocht. Mr. Kocak heeft zich niet verzet tegen een aanhouding. Het hof heeft het verzoek om aanhouding, na een korte schorsing, toegewezen. De zaak is vervolgens opnieuw gepland voor mondelinge behandeling.
4.5
Hierna heeft het hof de volgende stukken ontvangen:
  • het stuk van de vader ingediend op 13 maart 2026 met productie 7
  • het stuk van de vader ingediend op 16 maart 2026 met producties 8 en 9
  • het stuk van de vader ingediend op 9 juni 2026 met producties 10 tot en met 12
4.6
Op 23 juni 2026 heeft de inhoudelijke mondelinge behandeling alsnog plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
  • de advocaat van de vader
  • twee vertegenwoordigers van de GI
  • de advocaat van de moeder
4.7
[de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om zijn mening over het verzoek kenbaar te maken, maar hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1
De GI kan aan de ouder die met het gezag is belast schriftelijke aanwijzingen geven over de opvoeding en verzorging van het kind. [1]
5.2
Als een kind uit huis is geplaatst, kan de GI voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing en voor de duur van de uithuisplaatsing, de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind beperken. Deze beslissing van de GI geldt als een schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter kan een zodanige regeling vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. [2]
5.3
Op verzoek van deze ouder kan de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. [3]
Het oordeel van het hof?
5.4
Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van de vader om de schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren moet worden afgewezen en dat er dus ook geen aanleiding is om een andere zorgregeling vast te stellen. Het hof zal de beslissing van de kinderrechter dan ook in stand laten (bekrachtigen). Het hof vindt ook dat de kinderrechter die beslissing goed heeft uitgelegd en het hof neemt die uitleg daarom na eigen onderzoek over. Het hof vult die uitleg hieronder nog aan.
5.5
De vader stelt zich ook in hoger beroep op het standpunt dat in de schriftelijke aanwijzing onvoldoende is gemotiveerd waarom de daarin vastgestelde duur en frequentie van de omgang het meest haalbare is en wijst in zijn beroepschrift op de verantwoordelijkheden van de GI om de gezinsband tussen de vader en [de minderjarige] zo veel mogelijk in stand te houden. De vader lijkt daarmee zijn eigen rol daarin echter te miskennen.
Zoals de kinderrechter al heeft overwogen zijn de factoren die ten grondslag hebben gelegen aan het besluit uitgebreid terug is te lezen in de vooraankondiging en de schriftelijke aanwijzing. De GI heeft daarin veel voorbeelden genoemd van zorgelijke incidenten tijdens de omgangsmomenten tussen [de minderjarige] en de vader. De vader heeft deze incidenten naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd betwist. Voor het hof is gelet op die incidenten en het feit dat de omgang sinds de vermindering daarvan ook blijkens de omgangsverslagen beter verloopt dan voordien, voldoende duidelijk dat de vader de kwaliteit van de omgang bij de eerdere frequentie niet kon waarborgen omdat hij dan werd overvraagd.
Zoals in de schriftelijke aanwijzing is aangegeven kan de omgang weer worden uitgebreid wanneer blijkt dat de vader meer verantwoordelijkheid aan kan. Voor uitbreiding van de omgang is, anders dan de vader stelt, dan ook niet alleen van belang dat de omgang op dit moment goed verloopt, maar ook dat voldoende blijkt dat de vader door een eventuele uitbreiding van de omgang niet opnieuw wordt overvraagd. Dit zodat [de minderjarige] voorspelbaarheid ervaart in de omgang met zijn vader en niet opnieuw wordt teleurgesteld. In dat kader kan van de vader worden verwacht dat hij met de GI samenwerkt om te onderzoeken welke duur en frequentie het meest haalbaar is, dat hij aan zichzelf werkt en dat hij de handvaten die de GI hem in dat kader aanreikt aangrijpt. Dat heeft de vader tot op heden echter niet gedaan. Hoewel de vader in zijn beroepschrift stelt dat hij openstaat voor iedere vorm van hulpverlening om toe te werken naar een uitgebreidere omgang met [de minderjarige] , heeft de GI tijdens de mondelinge behandeling onbetwist gesteld dat de vader het contact en de samenwerking met de GI uit de weg gaat en dat de Video Interactieve Begeleiding (VIB) die was gestart om de kwaliteit van de omgang te verbeteren is gestopt omdat de vader niet naar de afspraken kwam. Daarnaast is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat de vader de noodzaak van de van hem verlangde persoonlijke hulpverlening niet inziet omdat de omgang op dit moment goed verloopt.
5.6
Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing in stand laten (bekrachtigen) en zal het hof ook geen andere zorgregeling vaststellen. De begeleide omgang verloopt op dit moment goed en voor het hof is gelet op het voorgaande voldoende duidelijk dat de door de GI vastgestelde regeling voor nu het meest haalbare is. Daarbij vindt het hof mede van belang dat de GI tijdens de mondelinge behandeling recente voorbeelden heeft benoemd waaruit blijkt dat de vader op dit moment zonder begeleiding niet goed weet aan te sluiten bij [de minderjarige] . De GI heeft in dat kader laten weten dat de vader op momenten buiten de GI om onbegeleid contact heeft gezocht met [de minderjarige] en op die momenten zorgelijk gedrag vertoont. Zo is de vader fysiek en verbaal erg aanwezig geweest langs de lijn bij het voetballen van [de minderjarige] en heeft de vader [de minderjarige] een vervelende mail gestuurd over het feit dat hij keepte. Ook vindt het hof het in het kader van de huidige mogelijkheden van de vader om afspraken na te komen veelzeggend dat de vader tot drie keer toe niet op de geplande mondelinge behandeling bij het hof is verschenen, terwijl hij daar wel door zijn advocaat werd verwacht. Meest flagrant is dat de vader voor de behandeling van 16 december 2025 aanhouding heeft gevraagd omdat hij er niet bij kon zijn, maar op de voortgezette mondelinge behandeling op 23 juni 2026 vervolgens zonder opgaaf van reden niet verschenen is.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 april 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, D.J.M. van de Voort en M.E.L. Klein, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:263 BW Pro
2.artikel 1:265f lid 1 en 2 BW
3.artikel 1:264 BW Pro