ECLI:NL:GHARL:2026:4469

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
200.365.450/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling deels begeleide omgang met minderjarige onder toezicht

De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland over de zorgregeling van een minderjarige die onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI). De moeder verzoekt om een zorgregeling van twee uur per week deels begeleide omgang, terwijl de GI een regeling van eenmaal per twee weken een uur voorstaat.

De minderjarige is een kwetsbaar meisje met een complexe voorgeschiedenis, waaronder een chromosoomafwijking, ontwikkelingsachterstand en medische beperkingen. Zij volgt speciaal onderwijs vier dagen per week en ondergaat diverse therapieën, wat haar belastbaarheid beperkt. De omgang met de moeder verloopt goed, maar het hof acht een wekelijkse omgang te belastend gezien de totale weekstructuur en het energieniveau van het kind.

Het hof oordeelt dat geen wijziging van omstandigheden vereist is voor het wijzigen van de zorgregeling onder artikel 1:265g lid 1 BW, maar dat de wijziging in het belang van de minderjarige moet zijn. Het belang van het kind staat voorop. Het hof stelt een zorgregeling vast waarbij de moeder anderhalf uur per twee weken deels begeleide omgang heeft, inclusief reistijd, met de mogelijkheid voor de GI om de omgang uit te breiden wanneer dat verantwoord is.

De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor zover bestreden en vervangen door deze aangepaste regeling. Het hof wijst overige verzoeken af en benadrukt het belang van positieve omgangservaringen en het voorkomen van overbelasting van de minderjarige.

Uitkomst: Het hof wijzigt de zorgregeling en stelt anderhalf uur deels begeleide omgang per twee weken met de moeder vast, met mogelijkheid tot uitbreiding door de gecertificeerde instelling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.365.450/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland)
beschikking van 9 juli 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. H. Hooijer te Zeist,
en
de gecertificeerde instelling,
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
die gevestigd is in Amsterdam.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1.[belanghebbende1] (de vader),

die woont op een geheim te houden adres,

2.[belanghebbenden2] (de pleegouders),

die wonen in [woonplaats] .
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Midden Nederland, locatie Utrecht.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad , van 27 november 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer 599246 (hierna: de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 24 februari 2026;
- een journaalbericht namens de moeder van 13 april 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een brief van de raad van 6 mei 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
- een e-mail namens de moeder van 22 mei 2026.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 19 juni 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- de pleegouders.

3.De feiten

3.1.
[de minderjarige] is het enige kind van de moeder en de vader. [de minderjarige] is geboren [in] 2021. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] . De ouders zijn in 2023 uit elkaar gegaan.
3.2.
[de minderjarige] staat sinds 3 mei 2022 onder toezicht van de GI. Sindsdien geldt ook een machtiging tot uithuisplaatsing. De GI heeft de raad onlangs verzocht onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel voor beide ouders.
3.3.
De moeder is altijd betrokken geweest in het leven van [de minderjarige] en ziet haar regelmatig. Bij beschikking van 8 mei 2025 heeft de rechtbank op verzoek van de moeder een zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] vastgesteld waarbij er twee uur per week deels begeleide omgang plaatsvindt.
3.4.
Voor de vader geldt een door de rechter vastgestelde regeling van eenmaal per maand een uur begeleide omgang met [de minderjarige] . In onderling overleg wordt momenteel geen uitvoering gegeven aan deze regeling. De vader en [de minderjarige] hebben elkaar een jaar niet gezien.
3.5.
[de minderjarige] is in oktober 2025 voor drie dagen per week gestart op het speciaal onderwijs. Sinds de kerstvakantie gaat zij vier dagen per week naar school.

4.De omvang van het geschil

4.1.
De moeder en de GI zijn het niet eens over (de invulling van) de zorgregeling van de moeder met [de minderjarige] . Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de beschikking van 8 mei 2025, bepaald dat er tussen de moeder en [de minderjarige] een keer in de twee weken één uur (deels begeleide) omgang plaatsvindt, met regie bij de GI om uit te breiden wanneer dat mogelijk is.
4.2.
De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op hoe vaak en hoe lang er omgang tussen de moeder en [de minderjarige] . De moeder verzoekt de beschikking van 27 november 2025 te vernietigen en een zorgregeling vast te stellen tussen haar en [de minderjarige] van twee uur per week (deels begeleid).
4.3.
De GI voert verweer en verzoekt het door de moeder ingestelde beroep
niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
Op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
5.2.
Het door de GI ingediende verzoek betreft een verzoek om wijziging van de eerder op 8 mei 2025 vastgestelde zorgregeling in het kader van de ondertoezichtstelling. Voor de toepassing van het eerste lid van artikel 265g BW is, anders dan namens de moeder is aangevoerd en anders dan de rechtbank kennelijk heeft aangenomen, geen wijziging van omstandigheden vereist sinds de beschikking van 8 mei 2025. In dit geval is het enige toetsingscriterium of de wijziging in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is.
5.3.
[de minderjarige] is een bijzonder meisje van vier jaar oud met een belaste voorgeschiedenis. Zij is kwetsbaar zowel op sociaal emotioneel gebied als qua gezondheid. De moeder was nog jong (20 jaar) toen [de minderjarige] werd geboren. De moeder heeft een verstandelijke beperking. [de minderjarige] verbleef vanaf haar geboorte bij de ouders en de oma van moederskant. De moeder en [de minderjarige] hebben kort daarna een kleine maand in een moeder-kindhuis verbleven. [de minderjarige] is op 18 november 2021, eerst op vrijwillige basis, in een crisispleeggezin geplaatst. Zij woont sinds 14 oktober 2022 bij de pleegouders. [de minderjarige] heeft een chromosoomafwijking. Zij heeft een niet volgroeid been waar zij in het verleden aan is geopereerd en nu een prothese voor draagt. [de minderjarige] heeft een forse ontwikkelingsachterstand, een oogafwijking en is niet zindelijk. [de minderjarige] praat niet tot nauwelijks. De GI is aangesteld om [de minderjarige] te beschermen. Bij de beslissing over de omgang met haar ouder(s) staat het belang van [de minderjarige] voorop.
5.4.
Sinds de bestreden beschikking heeft [de minderjarige] eenmaal per twee weken een uur omgang met de moeder. De moeder haalt [de minderjarige] op de fiets op bij de pleegouders, gaat samen met haar ergens wat leuks doen in aanwezigheid van een begeleider en brengt haar zelfstandig weer bij de pleegouders terug. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat dit goed gaat. De pleegouders zien thuis dat [de minderjarige] deze omgang aankan en de begeleiding ziet dat de moeder tijdens de bezoeken goed kan aansluiten bij [de minderjarige] . De moeder wil graag elke week een bezoekmoment met [de minderjarige] . Het hof kan die wens vanuit het belang van de moeder heel goed begrijpen. Echter, net als de GI vindt het hof het nu niet in het belang van [de minderjarige] dat er vaker dan eens per twee weken omgang is met de moeder. Het risico op overvraging acht het hof daarvoor te groot. Allereerst gaat [de minderjarige] inmiddels vier dagen per week naar school. Haar specifieke problematiek en beperkingen maken de schoolgang bovengemiddeld belastend voor [de minderjarige] . Zij wordt op schooldagen om 7.30 uur opgehaald door de taxi en is om 14.30 uur weer thuis. Op school volgt [de minderjarige] de nodige therapieën. Dit alles kost haar ontzettend veel energie. Zij slaapt op de terugweg in de taxi en ’s middags thuis ook nog. [de minderjarige] is zeer gevoelig voor prikkels en stress. Zij vindt veranderingen en nieuwe mensen heel spannend. Zo heeft [de minderjarige] pas na acht maanden op school voor het eerst gelachen. [de minderjarige] kan een volledige schoolweek nu nog niet aan. Daar wordt wel naartoe gewerkt. Daarnaast heeft [de minderjarige] buiten school soms medische afspraken. Verder is het de bedoeling dat de bezoeken met de vader binnenkort weer worden opgestart. Dat moet ergens ingepast worden in [de minderjarige] ’s toch al intensieve programma. Tot slot speelt mee dat per 1 juni jl. een nieuwe jeugdbeschermer is gestart die momenteel aanwezig is bij de bezoeken met de moeder, maar dat de omgangsbegeleiding binnenkort wordt overgedragen aan [naam1] . [de minderjarige] zal dan tijdens de bezoeken met de moeder (en de vader) weer moeten wennen aan (een) andere perso(o)n(en). Kortom, [de minderjarige] wordt op dit moment al zwaar belast en er staan voor [de minderjarige] nog meerdere veranderingen op stapel die zij zal moeten verwerken en die direct van invloed zullen zijn op haar energieniveau. Wekelijks contact met de moeder acht het hof voor [de minderjarige] een te zware belasting in relatie tot haar totale weekstructuur en draagkracht. [de minderjarige] zou dan onvoldoende hersteltijd en ruimte voor ontspanning hebben.
5.5.
Voor de moeder is het belangrijk dat de omgang minimaal twee uren duurt. De moeder vindt een uur te kort om dingen met [de minderjarige] te doen en de band met haar dochter te onderhouden. Het hof kan zich voorstellen dat de reistijd die de moeder nodig heeft om [de minderjarige] te halen en te brengen relatief zwaar drukt op de kostbare tijd die zij met [de minderjarige] heeft. De pleegouders hebben ter zitting verklaard dat de duur van de tweewekelijkse omgang wat hen betreft kan worden uitgebreid naar anderhalf uur inclusief reistijd. Zij schatten in dat [de minderjarige] dat nu aankan, omdat het goed met haar gaat en [de minderjarige] lekker in haar vel zit. Ook de GI kan zich hierin vinden.
Op dit moment vindt het hof de genoemde geringe uitbreiding van de tweewekelijkse omgang met de moederpassend, maar acht het een verdere uitbreiding nu niet in het belang van [de minderjarige] . Het belangrijkste is dat de moeder en [de minderjarige] positieve omgangservaringen met elkaar hebben en houden. Het hof begrijpt de afweging van de GI om liever wat voorzichtiger in te zetten en te kijken of verdere uitbreiding op enig moment mogelijk is in plaats van te hoog in te zetten en het aantal en de duur van de bezoeken later te moeten terugschroeven als het allemaal toch te veel voor [de minderjarige] blijkt te zijn. Dat laatste kan juist een negatieve invloed hebben op de hechtingsrelatie tussen de moeder en [de minderjarige] . Verdere uitbreiding van het contact tussen de moeder en [de minderjarige] zal eerst vooral gevonden moeten worden in extra momenten bij bijzondere gelegenheden, zoals een voorstelling op school, een verjaardag of ziekenhuisbezoek. Zowel de GI als de pleegouders staan daarvoor open. De moeder is immers een belangrijke en constante factor in het leven van [de minderjarige] , ook al heeft zij wel ondersteuning nodig. De GI zal goed moeten blijven kijken naar de ontwikkeling van [de minderjarige] en de toekomstige mogelijkheden voor uitbreiding van de contacten met de moeder. Daarbij dient het belang van [de minderjarige] en wat zij aankan steeds leidend te zijn.
5.6.
Alles overziend acht het hof het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat -in zoverre met wijziging van de beschikking van 8 mei 2025- een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld waarbij de moeder anderhalf uur (inclusief reistijd) per twee weken deels begeleide omgang met [de minderjarige] heeft, met de mogelijkheid voor de GI om uit te breiden wanneer dat mogelijk is.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt grief 1 en slaagt grief 2 gedeeltelijk. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad , van
27 november 2025, voor zover in hoger beroep bestreden en in zoverre opnieuw beschikkende:
stelt -in zoverre met wijziging van de beschikking van 8 mei 2025- een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast waarbij de moeder anderhalf uur (inclusief reistijd) per twee weken deels begeleide omgang met [de minderjarige] heeft, met de mogelijkheid voor de GI om uit te breiden wanneer dat mogelijk is;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. L. van Dijk en
mr. E.F. Groot, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 9 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.