ECLI:NL:GHARL:2026:4470

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
200.365.629/01 en 200.365.629/02
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vervangende toestemming verhuizing kinderen wegens onvoldoende belang

Partijen zijn gescheiden ouders met gezamenlijk gezag over twee minderjarige kinderen, die hun hoofdverblijf bij de moeder hebben. De moeder verzocht vervangende toestemming om met de kinderen te verhuizen naar de omgeving van een andere plaats na het schooljaar 2025/2026. De rechtbank had dit verzoek toegewezen.

De vader kwam in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht vernietiging van de beschikking en afwijzing van het verzoek. De moeder kwam in incidenteel hoger beroep voor bekrachtiging. Het hof heeft de belangen van de kinderen centraal gesteld, waarbij onder meer werd gekeken naar de noodzaak van de verhuizing, de voorbereiding, de gevolgen voor de zorgregeling en de communicatie tussen ouders.

Het hof oordeelde dat de moeder onvoldoende aannemelijk had gemaakt waarom de verhuizing noodzakelijk was, mede omdat haar relatie en verhuisplannen onzeker zijn. Daarnaast achtte het hof de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen nadelig, gezien de langere reistijden naar school en vader, en de slechte communicatie tussen ouders. Daarom werd het verzoek van de moeder afgewezen en de beschikking van de rechtbank vernietigd.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking en wijst het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor verhuizing af omdat dit niet in het belang van de kinderen is.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.365.629/01 en 200.365.629/02
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 152936)
beschikking van 9 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.J.J.M. van Roosmalen te Emmen,
en
[verweerster](de moeder),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.H. Noorman te Emmen.

1.1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 3 december 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 26 februari 2026;
- een journaalbericht namens de vader van 11 maart 2026 met productie
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep.
2.2
De hierna te noemen minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn uitgenodigd door het hof om te vertellen wat zij vinden van de verhuizing. [de minderjarige1] heeft aangegeven niet te willen komen en ook niets op te willen schrijven. [de minderjarige2] heeft bij brief van 12 juni 2026 haar mening kenbaar gemaakt aan het hof.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 16 juni 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn [in] 2012 in [plaats1] een geregistreerd partnerschap
aangegaan. Bij beschikking van 13 juli 2016 is de ontbinding van het geregistreerd
partnerschap tussen partijen uitgesproken. Op 16 augustus 2016 is de beschikking ontbinding
partnerschapsregistratie ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de
gemeente [gemeentenaam] .
3.2
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige1] , geboren [in] 2012, en [de minderjarige2] , geboren [in] 2014.
3.3
De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder. Partijen zijn gezamenlijk belast
met het ouderlijk gezag over de kinderen.
3.4
Bij beschikking van 28 juli 2021 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, partijen verwezen naar het hulpverleningstraject: 'Ouderschap na Scheiding’ van [naam1] en een voorlopige zorgregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld waarbij de kinderen eens in de drie weken een weekend bij de vader verblijven van vrijdagavond tot zondagavond 19:00 uur.
3.5
Het traject bij [naam1] heeft niet het gewenste resultaat opgeleverd, waarna de rechtbank bij beschikking van 4 maart 2024, voor zover hier van belang, heeft beslist dat het hoofdverblijf van beide kinderen bij de moeder is.
Daarnaast heeft de rechtbank een zorgregeling ten aanzien van de kinderen vastgesteld, die inhoudt dat de kinderen:
• iedere week van donderdag uit school tot vrijdag na het avondeten bij de vader zullen verblijven, de vader de kinderen op donderdag uit school ophaalt en de moeder de kinderen op vrijdag rond 19:00 bij de vader ophaalt;
• eens in de drie weken een weekend bij de vader zullen verblijven van vrijdagavond tot zondagavond 19:00 uur en dat de moeder de kinderen op zondag bij de vader ophaalt.
En een vakantieregeling vastgesteld waarbij de kinderen gedurende de zomervakantie ten minste twee aaneengesloten weken bij de vader zullen verblijven, alsmede één week tijdens de Kerstvakantie en één week tijdens de meivakantie. Ten aanzien van de overige vakanties geldt dat de normale regeling blijft doorlopen, met dien verstande dat de kinderen dan vanaf donderdagochtend 9:00 uur bij de vader zullen verblijven.

4.De omvang van het geschil

4.1
De ouders hebben een geschil over de toestemming voor de verhuizing van de moeder met de kinderen naar (de omgeving van) [plaats2] . De moeder heeft vervangende toestemming voor die verhuizing verzocht. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de moeder toegewezen en haar vervangende toestemming gegeven om na het schooljaar 2025/2026 met de kinderen naar (de directe omgeving van het station van) [plaats2] te verhuizen.
4.2
De vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grief ziet op de toewijzing van het verzoek tot vervangende toestemming voor de verhuizing. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, primair alsnog afwijzing van het verzoek van de moeder en subsidiair wijziging van de zorgregeling, in die zin dat de kinderen wekelijks al vanaf woensdag na school bij de vader zullen verblijven in plaats van donderdag na school indien het hof oordeelt dat de vervangende toestemming in stand moet blijven.
4.3
De moeder voert verweer tegen de verzoeken van de vader en is op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De moeder verzoekt bekrachtiging van de bestreden beschikking en deze alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.4
De vader voert verweer en hij verzoekt het incidenteel beroep van de moeder af te wijzen.
4.5
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechter worden voorgelegd.
5.2
Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en het kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.
5.3
Overeenkomstig vaste rechtspraak dient het hof bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, waaronder:
- de noodzaak om te verhuizen;
- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;
- de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;
- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
5.4
De ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft, dient in beginsel de gelegenheid te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen. Hierna zal worden beoordeeld of de keuze van de moeder om te verhuizen in het kader van de verdere belangenafweging te rechtvaardigen valt.
5.5
De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte de moeder vervangende toestemming heeft verleend om met de kinderen te verhuizen naar (de omgeving van) [plaats2] na het schooljaar 2025/2026. De vader is bang dat zijn contact met zijn kinderen hierdoor verstoord zal worden en zal verminderen. Hij ziet bovendien geen noodzaak voor de moeder om te verhuizen naar [plaats2] . Subsidiair verzoekt hij om aanpassing van de zorgregeling, als de moeder wel toestemming krijgt om te verhuizen.
5.6
De moeder voert aan dat zij de verhuizing zorgvuldig doordacht en voorbereid heeft en dat de verhuizing maar een relatief beperkte afstand betreft. De kinderen kijken volgens haar uit naar de verhuizing en accepteren dat zij straks iets langer moeten reizen naar school en naar de vader. De moeder benadrukt dat de schoolgang van de kinderen en het contact met hun vader ongewijzigd blijven. Zij ziet in de verhuizing dan ook geen rechtvaardiging voor aanpassing van de zorgregeling.
5.7
Het hof is van oordeel dat de belangenafweging met zich brengt dat het verzoek van de moeder haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar (de omgeving van) [plaats2] te verhuizen, moet worden afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking daarom vernietigen en het verzoek van de moeder alsnog afwijzen. Het hof overweegt daartoe het volgende.
5.8
De moeder heeft de noodzaak om met de kinderen naar [plaats2] te verhuizen naar het oordeel van het hof niet voldoende aannemelijk gemaakt. Zij geeft als voornaamste reden aan dat zij wil gaan samenwonen met haar huidige partner. Daarbij heeft zij naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom zij daarvoor naar [plaats2] zou moeten verhuizen en waarom zij met haar partner niet heeft gekozen voor een plaats die in het midden tussen de huidige woonplaats van haar partner ( [plaats3] ) en de woonplaats van de vader ( [woonplaats1] ) ligt. Ter zitting bij het hof is bovendien gebleken dat er momenteel veel speelt in het leven van de moeder, waardoor haar relatie en de verhuisplannen voor dit moment op de achtergrond zijn geraakt. De moeder heeft aangegeven dat zij tijdelijk minder contact heeft met haar partner om rust te vinden, omdat zij veel aan haar hoofd heeft. Haar aandacht ligt nu vooral bij haar opleiding en een aankomende operatie, waardoor ook onzeker is wanneer de verhuizing zou moeten plaatsvinden. Dit maakt dat er nu veel onduidelijkheid is over de vraag of de moeder de samenwoning daadwerkelijk zal doorzetten en op wat voor termijn de verhuizing in dat geval gerealiseerd zou worden.
5.9
Hoewel de moeder stelt dat de huidige zorgregeling gewoon kan blijven doorgaan als zij met de kinderen verhuist, heeft het hof twijfels over de haalbaarheid daarvan op de wat langere termijn. Partijen hebben laten weten dat het nu goed gaat met de kinderen. [de minderjarige1] gaat momenteel naar een middelbare school in [plaats1] en [de minderjarige2] zal daar in het aankomende schooljaar op een andere middelbare school starten. Ook hebben zij beiden, op verschillende dagen, paardrijles bij een manege in [plaats1] . Zij zullen bij een verhuizing naar [plaats2] daarom gedurende hun middelbare schoolleven veel op en neer moeten reizen met het openbaar vervoer. Uit de brief van een van de kinderen en wat op de mondelinge behandeling is besproken is naar voren gekomen dat de kinderen tegen dit reizen opzien. Ter zitting heeft de moeder aangeven dat zij bereid is om de kinderen af en toe naar [woonplaats1] te brengen, maar niet meerdere keren per week. Ook liet zij weten dat, wanneer de reistijd toch een probleem voor de kinderen blijkt te zijn, gekeken moet worden naar oplossingen, waarbij zij erop wijst dat er ook geschikte scholen en maneges in [plaats2] zijn. Zij heeft verklaard de beslissing hierover bij de kinderen zelf te laten. De moeder heeft het hof er hiermee niet van overtuigd dat zij er alles aan zal doen om ervoor te zorgen dat de kinderen hun sociale en schoolleven in [plaats1] zullen voortzetten en op die manier ook ervoor zal zorgen dat de zorgregeling met de vader doorgang kan blijven vinden. Als de kinderen naar een school of hobby’s in [plaats2] zouden gaan, is het risico immers groot dat dit ertoe leidt dat ze (steeds) minder contact met hun vader zullen hebben. Het hof acht het namelijk aannemelijk dat de kinderen een steeds groter sociaal leven in [plaats2] zullen opbouwen en dat de vader een steeds minder gelijkwaardige rol krijgt. Daarbij acht het hof van belang dat is gebleken dat de ouders onvoldoende in staat zijn in onderling overleg zaken af te stemmen en dat de communicatie tussen hen slecht verloopt. Een grotere afstand in combinatie met een gelijke verdeling van zorg- en opvoedingstaken vereist goede communicatie en overleg en het hof acht het niet aannemelijk dat de ouders hiertoe in staat zullen zijn. Het hulpverleningstraject Ouderschap na Scheiding bij [naam1] heeft er niet toe geleid dat de verstandhouding tussen de ouders is verbeterd en uit het dossier blijkt dat de ouders ook in de jaren daarna niet in staat zijn gebleken daar zodanige verbetering in aan te brengen dat zij in het belang van de kinderen kunnen communiceren en afspraken kunnen maken.
5.1
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat een verhuizing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar [plaats2] niet in hun belang moet worden geacht en dat het verzoek van de moeder haar vervangende toestemming te verlenen om te verhuizen alsnog moet worden afgewezen.
5.11
Het voorgaande brengt mee dat het hof niet toekomt aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de vader met betrekking tot wijziging van de zorgregeling. Evenmin komt het hof toe aan de beoordeling van het verzoek van de moeder om de beschikking van de rechtbank alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 3 december 2025 en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar (de omgeving van) [plaats2] te verhuizen alsnog af;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. F. van der Meulen en mr. K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 9 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.