ECLI:NL:GHARL:2026:4473

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
21-001016-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 SrArt. 245 SrArt. 246 SrArt. 249 SrArt. 70 lid 1 sub 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van zedendelicten tegen stiefdochter

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 7 juli 2026 in hoger beroep het vonnis van de rechtbank Gelderland vernietigd en de verdachte vrijgesproken van alle tenlastegelegde zedendelicten jegens zijn stiefdochter. Het hof verklaarde tevens het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van een subsidiair tenlastegelegd feit wegens verjaring.

De zaak betrof beschuldigingen van betasting en verkrachting van de minderjarige stiefdochter in de periode 2005-2007. De verdachte werd ervan verdacht onder meer de borsten, billen en het naakte lichaam van het slachtoffer te hebben betast en haar te hebben gedwongen tot seksuele handelingen. De rechtbank sprak verdachte vrij, maar het Openbaar Ministerie stelde hoger beroep in en wijzigde de tenlastelegging.

Het hof oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat verdachte het strafbare gedrag heeft gepleegd. Met name ontbrak steunbewijs voor de verklaringen van het slachtoffer en was het tijdsverloop van zestien jaar nadelig voor de betrouwbaarheid. Ook kon niet worden vastgesteld dat het slachtoffer ten tijde van het primaire feit nog geen zestien jaar was. De verjaring van het meest subsidiaire feit werd vastgesteld, waardoor vervolging daarvoor niet mogelijk was.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd afgewezen omdat verdachte werd vrijgesproken. Het hof veroordeelde de benadeelde partij in de proceskosten. De verdachte was niet aanwezig bij de uitspraak, die openbaar werd gedaan.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van alle tenlastegelegde zedendelicten wegens onvoldoende bewijs en het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001016-25
Uitspraakdatum: 7 juli 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 24 februari 2025 met parketnummer 05-092797-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1963 in [plaats] ,
wonende te [adres 1] , [adres] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.H.T. de Haas, advocaat te Putten.
Het hof heeft ook kennisgenomen van wat naar voren is gebracht door de benadeelde partij [slachtoffer] en haar gemachtigde, mr. J. Broekhuizen, advocate te Harderwijk .

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het in eerste aanleg primair tenlastegelegde en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ten aanzien van het in eerste aanleg subsidiair tenlastegelegde.
Daarnaast heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
Het hof komt in dit arrest tot een andere motivering van de vrijspraak dan de rechtbank. Daarom zal het hof het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Op de zitting in hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
primair
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 december 2005 tot en met 18 december 2006 te [plaats] , althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , zijnde de stiefdochter van verdachte, althans een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin en/of een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
- het betasten en/of strelen van de borsten en/of de billen en/of het naakte lichaam van die [slachtoffer] (in/onder de douche) en/of
- het (onder de kleding) betasten en/of strelen van de borsten en/of de billen van die [slachtoffer] (in bed) en/of
- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] (in bed);
subsidiair
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 december 2005 tot 18 december 2007 te [plaats] , althans in Nederland, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het
- ( plotseling en/of onverhoeds) betasten en/of strelen van de borsten van die en/of de billen van en/of het naakte lichaam van die [slachtoffer] (in/onder de douche) en/of
- ( plotseling en/of onverhoeds) betasten en/of strelen van de borsten en/of de billen van die [slachtoffer] (in bed) en/of
- ( plotseling en/of onverhoeds) brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] (in bed) en
waarbij dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) erin heeft/hebben bestaan dat verdachte (telkens)
- die [slachtoffer] (daarbij) heeft overrompeld en/of
- voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [slachtoffer]
en/of misbruik/gebruik heeft gemaakt van het fysieke en/of geestelijke overwicht dat hij, verdachte (als haar stiefvader en/of als vaderfiguur) had over die [slachtoffer] (die aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd) en/of het aanzienlijke leeftijdsverschil en/of zijn, verdachtes, wetenschap dat die [slachtoffer] eerder slachtoffer was geworden van seksueel misbruik en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een zodanige situatie heeft doen ontstaan waaraan zij zich als minderjarige niet kon onttrekken;
meer subsidiair
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 december 2005 tot en met 18 december 2007 te [plaats] , althans in Nederland, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), te weten het
- ( plotseling en/of onverhoeds) betasten en/of strelen van de borsten van die en/of de billen van en/of het naakte lichaam van die [slachtoffer] (in/onder de douche) en/of
- ( plotseling en/of onverhoeds) betasten en/of strelen van de borsten en/of de billen van die [slachtoffer] (in bed) en
waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkheid erin heeft/hebben bestaan dat verdachte (telkens)
- die [slachtoffer] (daarbij) heeft overrompeld en/of
- voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [slachtoffer]
en/of misbruik/gebruik heeft gemaakt van het fysieke en/of geestelijke overwicht dat hij, verdachte, (als haar stiefvader en/of als vaderfiguur) had over die [slachtoffer] (die aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd) en/of het aanzienlijke leeftijdsverschil en/of zijn, verdachtes, wetenschap dat die [slachtoffer] eerder slachtoffer was geworden van seksueel misbruik en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een zodanige situatie heeft doen ontstaan waaraan zij zich als minderjarige niet kon onttrekken;
meest subsidiair
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 december 2005 tot en met 18 december 2007 te [plaats] , althans in Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind en/of met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , door
- ( in/onder de douche) de borsten en/of de billen en/of het naakte lichaam van die [slachtoffer] te betasten en/of te strelen en/of
- ( in bed) de borsten en/of de billen van die [slachtoffer] te betasten en/of te strelen en/of
- ( in bed) zijn penis te brengen in de vagina van die [slachtoffer] .
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van het meest subsidiair tenlastegelegde
Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat het meest subsidiair ten laste gelegde feit is verjaard. Aangeefster is op 18 december 2008 meerderjarig geworden. De verjaringstermijn van dit feit is daarom aangevangen op 19 december 2008. In artikel 249 (oud) van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat voor dit feit een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren kan worden opgelegd. Dan geldt volgens artikel 70 lid 1 sub Pro 3 (oud) van het Wetboek van Strafvordering een verjaringstermijn van twaalf jaren. De termijn is daardoor op 19 december 2020 verlopen. Voor die tijd heeft geen daad van vervolging plaatsgevonden. Om die reden zal het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging ten aanzien van het meest subsidiair tenlastegelegde.

Vrijspraak van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen voor het primair tenlastegelegde, nu de verklaring van aangeefster na zoveel tijdsverloop met enige behoedzaamheid dient te worden beoordeeld en concrete ondersteuning voor deze verklaring wat betreft het element dat het slachtoffer de leeftijd van zestien jaren had bereikt ontbreekt. Wel kan het subsidiair tenlastegelegde volgens de advocaat-generaal wettig en overtuigend worden bewezen.
In dat verband heeft zij aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn en dat ook sprake is van voldoende steunbewijs. Dat steunbewijs is te vinden in de verklaringen van anderen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, waarin hij aangeeft dat hij ‘bij haar binnen is geweest’. Dat sprake is geweest van ‘dwang’ in de zin van artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht blijkt volgens de advocaat-generaal onder meer uit de afhankelijkheidsrelatie tussen aangeefster en verdachte die haar stiefvader was. Volgens de advocaat-generaal heeft verdachte zodanig onverhoeds gehandeld en aangeefster zodanig overrompeld dat hij opzettelijk een situatie heeft gecreëerd waaraan zij zich redelijkerwijs niet kon onttrekken. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan het niet anders zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster deze seksuele handelingen tegen haar wil onderging.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, omdat niet kan worden vastgesteld dat aangeefster ten tijde van het tenlastegelegde onder de zestien jaren oud was.
Ook heeft de raadsman om vrijspraak verzocht ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. In dat verband heeft hij aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster om verschillende redenen onbetrouwbaar zijn. Bovendien ontbreekt volgens de raadsman steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster ten aanzien van de dwang. De door de advocaat-generaal genoemde omstandigheden zijn hiervoor onvoldoende.
Oordeel van het hof
Volgens aangeefster is er op drie momenten seksueel contact geweest tussen haar en haar stiefvader toen zij vijftien jaren oud was. De eerste keer stond aangeefster onder de douche en kwam verdachte bij haar staan. Hij raakte haar aan bij haar borsten, billen en lichaam. De tweede keer lag aangeefster in haar bed en kwam verdachte op de rand van het bed zitten. Hij ging vervolgens met zijn handen onder haar shirt en raakte haar borsten aan. De derde keer lag aangeefster te slapen in het bed van haar moeder. Verdachte kwam bij haar in bed liggen. Hij is toen achterlangs met zijn penis haar vagina binnengegaan.
Verdachte betwist het eerste en het tweede moment. Ten aanzien van het derde moment heeft verdachte een andere lezing. Volgens hem kwam aangeefster binnen toen hij lag te slapen, ging zij op hem zitten en deed zijn penis in haar vagina. Hij stelt bovendien dat aangeefster op dat moment zestien jaar oud was.
Aangeefster heeft op 2 augustus 2022 aangifte gedaan. Op dat moment was sprake van een tijdsverloop van zestien jaren vanaf het moment waarop het tenlastegelegde zou hebben plaatsgevonden. Een dergelijk aanzienlijk tijdsverloop maakt naar het oordeel van het hof dat behoedzaam met de verklaringen in dit dossier moet worden omgegaan, nu gebeurtenissen van daarna van invloed kunnen zijn op de herinnering. Het hof betrekt daarbij dat in de loop van de jaren sprake is geworden van ingewikkelde familieverhoudingen en in verband hiermee hoogoplopende emoties binnen de familie.
Het is om die redenen dat het hof in dit geval, naast de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen, in belangrijke mate aankomt op de vraag of hetgeen aangeefster heeft verklaard niet op zichzelf staat en of er bruikbare bewijsmiddelen zijn uit een andere bron die de verklaringen van aangeefster in voldoende mate ondersteunen.
Ten aanzien van het primair tenlastegelegde
Het hof kan gezien het grote tijdsverloop en het gebrek aan steunbewijs uit een andere bron voor de leeftijd van aangeefster ten tijde van het door de verdachte erkende seksueel contact, niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat aangeefster op dat moment de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt.
Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde
Voor een bewezenverklaring van de beide tenlastegelegde feiten (verkrachting en aanranding) is nodig dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte door middel van geweld of bedreiging met geweld dan wel door middel van een andere feitelijkheid of een bedreiging met een feitelijkheid het slachtoffer heeft gedwongen tot het ondergaan van de beschreven seksuele handelingen.
Het hof is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om vast te kunnen stellen dat verdachte aangeefster door geweld of bedreiging met geweld heeft gedwongen tot het ondergaan van de tenlastegelegde seksuele handelingen. Aangeefster heeft daarover ook niet verklaard. Het komt daarom aan op de vraag of verdachte aangeefster opzettelijk door een andere feitelijkheid heeft gedwongen tot het ondergaan van die seksuele handelingen.
Van dwang door een andere feitelijkheid kan sprake zijn indien verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten. Daarvan kan ook sprake zijn als de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken, bijvoorbeeld door zodanig onverhoeds te handelen dat het slachtoffer zich daartegen niet heeft kunnen verzetten.
Hoewel de verklaringen van verdachte steun geven aan de verklaringen van aangeefster dat op één van de drie door aangeefster beschreven momenten in enige vorm sprake is geweest van seksueel contact lopen die verklaringen ver uiteen over de toedracht daarvan. Andere vormen van steunbewijs en steun voor de twee andere momenten ontbreken in het dossier. Het hof is alles afwegende van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om buiten redelijke twijfel te kunnen vaststellen dat sprake is geweest van een situatie waarin verdachte aangeefster tot het ondergaan van seksuele handelingen heeft gedwongen. Nu dit een voor de bewezenverklaring essentieel punt is, moet een vrijspraak volgen.
Gelet op het voorgaande zal het hof verdachte vrijspreken van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 10.000,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt vrijgesproken ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigthet vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het meest subsidiair tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. T. Bertens, mr. J.D. den Hartog en mr. O.O. van der Lee in aanwezigheid van de griffier A.M. Lentjes en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 7 juli 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 juli 2026.
Tegenwoordig:
mr. O.G. Schuur, voorzitter,
mr. J. Zeilstra, advocaat-generaal,
mr. M.A.J.H. Muurmans, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
De voorzitter geeft verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.