ECLI:NL:GHARL:2026:4509

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
21-002833-22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor valsheid in geschrifte en computervredebreuk met taakstraf en schadevergoeding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland vernietigd en verdachte veroordeeld voor het meermalen opzettelijk gebruik van valse facturen en het wederrechtelijk binnendringen in geautomatiseerde systemen van zorgverzekeraars met behulp van DigiD-gegevens.

De feiten betreffen het indienen van vervalste GGZ-declaraties bij zorgverzekeraars in de periode van december 2017 tot februari 2019, waarbij verdachte gebruik maakte van e-mailadressen, telefoonnummers en IP-adressen die aan hem of zijn familieleden konden worden gekoppeld. Verdachte voerde een alternatief scenario aan waarbij een ander de feiten zou hebben gepleegd, maar dit werd door het hof als ongeloofwaardig verworpen.

Het hof heeft verdachte vrijgesproken van medeplegen en van het gebruik van inloggegevens van één van de aangevers. De straf bestaat uit een taakstraf van 240 uur, bij niet-naleving omgezet in 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Tevens is de schadevergoeding aan de benadeelde partij toegekend tot een bedrag van €19.877,97 vermeerderd met wettelijke rente, en is verdachte veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 240 uur, voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden en toewijzing van schadevergoeding van €19.877,97.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002833-22
Uitspraakdatum: 3 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 28 juni 2022 met parketnummer 16-160206-20 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de rechtbank.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting van de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot
  • veroordeling van verdachte ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten tot een taakstraf van 240 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 120 dagen hechtenis, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren;
  • toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij (€ 19.877,97), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. X.B. Sijmons, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. M.H.D. Saro, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte bij voornoemd vonnis ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij, bestaande uit € 20.718,02 aan materiële schade, geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ook heeft de rechtbank verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij en deze begroot op € 896,00.
Het hof komt tot een andere strafoplegging en andere beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Het hof zal daarom het vonnis van de rechtbank vernietigen en opnieuw rechtdoen.
Tenlastelegging
Op de zitting van de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2017 tot en met 1 februari 2019 te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een factuur/nota van [naam 1] die bestemd was om aan te tonen dat de tenaamgestelde/verzekerde kosten had gemaakt voor behandelingen bij de betreffende praktijk, als ware het echt en onvervalst, door voornoemde factuur (telkens) ter declaratie bij [bedrijf 1] Groep en/of [benadeelde] in te dienen;
2.
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2017 tot en met 1 februari 2019 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten een of meerdere servers toebehorende aan [benadeelde] en/of aan [bedrijf 1] en/of aan een ander/anderen dan de verdachte en/of diens medepleger(s), waarop het/de persoonlijke account(s) van [naam 2] en/of [naam 3] en/of van [naam 4] wordt/worden gehost, althans bereikbaar is/zijn is binnengedrongen met behulp van valse signalen of een valse sleutel, te weten de DigiD gegevens en/of inlognaam en wachtwoord van [naam 2] , [naam 3] en/of [naam 4] , voor het gebruik waarvan door hem, verdachte, geen toestemming was verleend door de rechthebbende(n), en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Verdachte heeft verklaard dat niet hij, maar getuige [getuige] (hierna: [getuige] ) (al dan niet samen met (een) ander(en)) degene is geweest die de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Verdachte zou [getuige] in de ten laste gelegde periode in huis hebben genomen omdat zijn broer dat van hem zou hebben gevraagd. Ook zou hij hem één van zijn telefoons, met daaraan verbonden zijn e-mailadres ( [e-mailadres] ) en telefoonnummer ( [nummer] ), hebben uitgeleend. Het alternatieve scenario dat verdachte met zijn verklaring schetst, wordt op verschillende punten door het dossier ondersteund. Zo geeft aangever [naam 3] aan dat hij vermoedde dat [naam 5] en [getuige] zijn persoonlijke gegevens bij [naam 6] (hierna: [naam 6] ) thuis hebben gestolen toen hij daar door drugsgebruik buiten bewustzijn raakte. Hij vermoedt dat zij daarna met zijn gegevens de verzekeringsfraude hebben gepleegd. [naam 5] maakte volgens [naam 3] gebruik van het telefoonnummer [nummer] . Waarschijnlijk is de telefoon die verdachte aan [getuige] ter beschikking heeft gesteld op enig moment overgegaan in handen van [naam 5] . [getuige] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij [naam 5] en verdachte kent en dat dit twee verschillende personen zijn. Verder blijkt uit het dossier dat aangever [naam 7] door zijn dealer, die hij ‘ [naam 8] ’ noemt, werd gerekruteerd om zijn bankrekening ter beschikking te stellen. Hiertoe moest hij zijn bankpas, random reader en pincode afgeven bij een vriend van [naam 8] aan de [adres] . Dit adres wordt in het dossier tijdens de ten laste gelegde periode gekoppeld aan [getuige] . Overigens is in ieder geval één geldbedrag op de bankrekening van [getuige] gestort en een ander bedrag op een rekeningnummer dat niet aan verdachte te linken is. Ten aanzien van aangeefster [naam 4] geldt dat zij heeft verklaard haar gegevens te hebben verstrekt aan iemand die zich ‘ [naam 9] ’ noemde en gebruikmaakte van het telefoonnummer [nummer] . Nu [naam 3] datzelfde telefoonnummer koppelt aan [naam 5] , rijst de vraag of ‘ [naam 9] ’ ook [naam 5] was of een ander persoon, niet zijnde verdachte.
Een en ander maakt dat niet vastgesteld kan worden dat het verdachte is geweest die gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst (feit 1), dan wel die beschikte over de inlog- en/of DigiD-gegevens en daarmee de ten laste gelegde computervredebreuk (feit 2) heeft gepleegd. Verdachte dient dus vrijgesproken te worden van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
Voorwaardelijk verzoek
Voor zover het hof ondanks dat wat de verdediging heeft aangevoerd tot het oordeel komt dat het onder 1 ten laste gelegde feit bewezen kan worden, heeft de raadsman het verzoek gedaan tot het aanhouden van de zaak om als getuige te doen horen [naam 6] , aangever [naam 2] en aangever [naam 10] . Verdachte heeft verklaard deze personen niet te kennen. Zij zouden dit kunnen bevestigen en aan kunnen geven dat zij niet te maken hebben gehad met verdachte maar met andere personen die hun persoonlijke gegevens, dan wel die van anderen, afhandig hebben weten te maken.
Oordeel van het hof
Bewijsmiddelen [1] feiten 1 en 2
1. De verklaring van verdachte zoals opgenomen in de processen-verbaal van de zitting van de rechtbank van 14 juni 2022 [2] en van de zitting van het hof van 19 juni 2026 [3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het e-mailadres [e-mailadres] en het telefoonnummer [nummer] waren van mij en gekoppeld aan één van mijn telefoons. Ik woonde op het adres [adres] .
2. Het proces-verbaal van aangifte van 18 november 2019 met bijlagen, opgenomen op pagina’s 43 tot en met 72 van het politiedossier, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [naam 11] , zakelijk weergegeven:
1: Verzekerde [naam 10]
Op 14 december wordt een declaratie (vervalste nota GGZ) ingediend vanaf IP-adres [nummer] .
Op 15 december 2017 wordt het e-mailadres gewijzigd ( [e-mailadres] ) vanaf IP-adres [nummer] en de bevestigingsmail is ook gestuurd naar [e-mailadres] .
Op 21 december 2017 een interne kladblok in Mikado: DS GGZ neemt de nota in behandeling. Mr. moet even 10 werkdagen geduld hebben, binnen deze 10 dagen krijgt hij óf een declaratieoverzicht óf DS neemt contact met hem op. Storing in mikado en mijn [benadeelde] , dus kan het telefoonnummer niet wijzigen. Mr. is bereikbaar op [nummer] .
Op 22 december 2017 is de factuur door [benadeelde] verwerkt en betaald.
Op 26 december 2017 is een bankrekeningnummer gewijzigd vanaf IP-adres [nummer] .
Op 10 januari 2018 is opnieuw een declaratie (vervalste nota GGZ) ingestuurd ( [nummer] ) vanaf IP-adres [nummer] .
2: Verzekerde [getuige]
Op 30 december 2017 is het e-mailadres aangepast naar [e-mailadres] vanaf IP-adres [nummer] .
Op 8 januari 2018 wordt een declaratie (vervalste nota GGZ) ingediend vanaf IP adres [nummer] .
3: Verzekerde [naam 2]
Op 29 januari 2018 is het e-mailadres aangepast vanaf IP-adres [nummer] naar [e-mailadres] .
Op 29 januari 2018 wordt een declaratie (vervalste nota GGZ) ingediend vanaf IP-adres [nummer] .
4. Verzekerde [naam 3]
Op 16 januari 2018 wordt het e-mailadres aangepast naar [e-mailadres] om 00.39 uur vanaf IP-adres [nummer] .
Op 17 januari 2018 wordt een declaratie (vervalste nota GGZ) ingediend vanaf IP-adres [nummer] .
Op 25 januari 2018 wordt het rekeningnummer [nummer] aangepast naar [nummer] vanaf IP-adres [nummer] .
5. Verzekerde [naam 12]
Op 5 januari 2018 is de declaratie (vervalste GGZ nota) door [bedrijf 2] verwerkt (onder imagenummer [nummer] ) en hiervan is per e-mail een bevestiging aangemaakt. De e-mail is verstuurd naar [e-mailadres] .
[benadeelde] heeft vastgesteld dat zowel de heer [naam 3] , de heer [naam 10] (
het hof begrijpt: [naam 10]), de heer [getuige] , de heer [naam 12] en de heer [naam 2] opzettelijk een onjuiste valselijk opgemaakte declaratie GGZ hebben ingediend teneinde een vergoeding te krijgen waarop geen recht bestond. Dit is schriftelijk bevestigd door de zorgaanbieder [naam 1] .
3. Het proces-verbaal van aangifte van 22 mei 2020 met bijlagen, opgenomen op pagina’s 74 tot en met 99 van het politiedossier, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [naam 13] , zakelijk weergegeven:
1) Nota verzekerde [naam 14] , geboortedatum [geboortedatum] .
Op 23 januari 2018 werd het Bureau Bijzonder Onderzoek van [bedrijf 1] gebeld door de Volksbank. [bedrijf 1] had geld overgemaakt naar een rekeningnummer, te weten [nummer] . De naam van de verzekerde van [bedrijf 1] kwam alleen niet overeen met de naam van de rekeninghouder, ene mevrouw [naam 15] . We zochten de betreffende nota erbij en zagen meteen dat het om een valse nota moest gaan. Het ontbreken van een logo en het hoge bedrag vielen mij meteen op. Intern zijn inmiddels beheersmaatregelen getroffen. Opvallend is dat bij alle zorgverzekeraars hetzelfde e-mailadres wordt gebruikt om de nota’s in te dienen: [e-mailadres] , zo ook bij deze verzekerde.
3) Nota verzekerde [naam 4] , geboortedatum [geboortedatum] .
Op 9 januari 2019 werd digitaal een nota ingediend á € 15.988,00 voor een behandeling bij een psychotherapeut.
De nota bleek vals te zijn. De psychotherapeut heeft de nota niet opgemaakt en kent de verzekerde niet.
Op de door [naam 14] en [naam 4] bij [bedrijf 1] ingediende facturen staat vermeld dat deze afkomstig zijn van zorgverlener [naam 1] .
4. Het proces-verbaal van aangifte van 24 mei 2019, opgenomen op pagina’s 128 tot en met 131 van het politiedossier, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [naam 3] , zakelijk weergegeven:
Op 14 februari 2018 wilde ik inloggen in mijn DigiD. Ik zag dat ik niet meer in mijn DigiD kon met mijn wachtwoord. Ik bewaarde mijn wachtwoord op een briefje in het hoesje van mijn telefoon. Ik heb mijn wachtwoord laten resetten. Mijn Zilveren Kruisverzekering is gekoppeld aan mijn DigiD. Ik zag dat mijn e-mailadres bij [benadeelde] was veranderd naar: [e-mailadres] . Op 7 juni 2018 ben ik naar een kantoor van [benadeelde] gegaan. Ik ben hier in gesprek gegaan met bedrijfsrechercheur [naam 17] . Ik hoorde dat mij het volgende werd verteld: “Bij het [benadeelde] was op 17 januari 2018 een nota ingediend voor een totaal bedrag van € 15.988,24. De opmaakdatum van de factuur was 12 januari 2018. Deze zou ingediend zijn door mij. Volgens de specificatie ging het om een psychotherapie behandeling. Dit zou gedaan zijn door [naam 1] . Voor de goede orde, ik ben niet bekend met de genoemde psychotherapeut en ben hier dan ook niet behandeld. Op 15 en 16 januari 2019 is ingelogd in mijn DigiD. Op 25 januari 2019 is mijn e-mailadres gewijzigd en nadien bevestigd.
Op 25 januari 2019 is mijn wachtwoord gewijzigd. Op dezelfde datum is er middels DigiD ingelogd bij [benadeelde] . Ik vermoed dat het volgende is gebeurd:
Van maart 2017 tot mei 2018 was ik verslaafd. Ik woonde en kwam toen bij veel personen. Een van deze personen betreft [naam 6] wonende op [adres] . Hier kwamen geregeld de volgende personen:
- [getuige]
- [naam 5] , zijn achternaam weet ik niet
In de woning van [naam 6] ben ik geregeld buiten bewustzijn geraakt door mijn middelengebruik. Ik denk dat de genoemde personen toen kans zagen om mijn telefoon te pakken en mijn DigiD-wachtwoord over te nemen. In het hoesje van mijn telefoon zat mijn ID-kaart, rijbewijs, bankpas en mijn kentekenpas. Van [naam 5] weet ik dat hij woont in de wijk [wijk] met een Nederlandse vriendin of vrouw. Van [naam 5] heb ik een telefoonnummer: [nummer] .
5. Het proces-verbaal van aangifte van 14 februari 2019, opgenomen op pagina’s 95 tot en met 97 van het politiedossier, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [naam 4] , zakelijk weergegeven:
Begin november 2018 heb ik via een online spel een jongen leren kennen. De jongen vertelde mij dat hij [naam 9] heette en uit de omgeving van Utrecht kwam. Ik had contact met hem op 2 nummers, namelijk op [nummer] en [nummer] . Op zaterdag 22 december 2018 is [naam 9] een keer met de auto naar [plaats] gekomen en is hij op bezoek bij mij geweest.
[naam 9] zou mij helpen, hij beloofde mij om mij financieel te ondersteunen. Hiervoor heb ik hem mijn DigiD-code, mijn pinpas en pincode gegeven.
Op woensdag 16 januari 2019 kreeg ik vanuit mijn zorgverzekeraar [bedrijf 1] een telefoontje. Ik hoorde dat zij een nota van € 15.988,00 hadden ontvangen en zij vroegen me hoe dit zat. Ik snapte hier helemaal niks van en wist dat ik deze nota nooit had ingediend. Uiteindelijk begreep ik van [bedrijf 1] dat er met mijn DigiD een nota was ingediend en er een e-mailadres was gebruikt die ik niet kende. Het rekeningnummer wat erbij was genoemd, was van de ABN AMRO. De pas van deze rekening had ik aan [naam 9] uitgeleend en het vermoeden begon bij mij te ontstaan dat deze [naam 9] hier achter zat.
6. Het proces-verbaal van aangifte van 6 februari 2018, opgenomen op pagina’s 100 tot en met 103 van het politiedossier, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [naam 18] , zakelijk weergegeven:
Ik ben werkzaam als psychotherapeute en ik heb een eigen praktijk gelegen aan [adres] . Deze praktijk heet [naam 1] .
De volgende vervalste facturen zijn mij inmiddels bekend:
08-12-2017 ingediend hij [benadeelde]
[naam 10]
Ingediend bedrag: € 15.988,24
18-12-2017 ingediend bij [bedrijf 1]
[naam 14]
Ingediend bedrag: € 15.988,24
19-12-2017 ingediend bij [benadeelde]
[getuige]
Ingediend bedrag: € 15.988,24
19-12-2017 ingediend bij [bedrijf 2]
[naam 12]
Ingediend bedrag: € 15.988,24
12-01-2018 ingediend bij [benadeelde]
[naam 3]
Ingediend bedrag: € 15.988,24
23-01-2018 ingediend bij [benadeelde]
[naam 2]
Ingediend bedrag: € 15.988,24
De namen van de cliënten die op de vervalste facturen staan ken ik geen van allen en ik heb ook nooit één van deze cliënten behandeld.
7. Het proces-verbaal van bevindingen van 16 juli 2020, opgenomen op pagina’s 115 tot en met 117 van het politiedossier, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant, zakelijk weergegeven:
Uit onderzoek van de aangever is naar voren gekomen dat in de accountgegevens van [benadeelde] van [naam 10]
(het hof begrijpt: [naam 10] )op 15 december 2017 het e-mailadres van [naam 10] is gewijzigd naar [e-mailadres] . Vanaf dit e-mailadres zou later gecorrespondeerd worden en zouden valse zorgdeclaraties worden ingestuurd.
TELEFOONNUMMER [nummer] (eerdergenoemde nummer van ‘ [naam 9] ’).
Uit de aangifte is gebleken dat de medewerkers van [benadeelde] ten tijde van een ingestuurde valse zorgdeclaratie contact hadden met het account van [naam 10] via telefoonnummer [nummer] . Onderzoek aan de politieregisters leverde op dat dit telefoonnummer was gekoppeld aan [verdachte]
(het hof begrijpt: verdachte). [verdachte] had dit telefoonnummer aan de politie opgegeven toen hij als slachtoffer aangifte deed van straatroof op 30 juli 2017, ongeveer vijf maanden voor de vastgestelde pleegperiode in dit onderzoek.
Overige koppelingen met [nummer]
Uit de aangifte van [benadeelde] is verder gebleken dat dit telefoonnummer ook als contactgegeven is gebruikt in het account van [naam 19] , waarmee chatcontact is geweest tussen het [benadeelde] -account van [naam 19] en de medewerkers van [benadeelde] .
8. Het proces-verbaal van bevindingen van 4 juni 2020, opgenomen op pagina’s 142 en 143 van het politiedossier, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant, zakelijk weergegeven:
Het IP-adres [nummer] bleek een ACCES IP-adres van KPN. Dit IP-adres is door de genoemde provider gekoppeld aan de volgende tenaamgestelde:
[naam 20] , [adres] .
Op dit adres is tevens woonachtig:
Naam: [naam 22]
Voornamen: [naam 22]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1998
9. Het proces-verbaal van bevindingen van 20 mei 2020, opgenomen op pagina’s 151 en 152 van het politiedossier, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant, zakelijk weergegeven:
[nummer]
Onderzoek aan genoemd IP-adres wees uit dat dit een statisch IP-adres betrof,
gekoppeld aan een abonnement op naam van
Naam : [naam 21]
Voornamen : [naam 21]
Geboorteplaats : [geboorteplaats]
Geboortedatum : [geboortedatum]
(hierna: [naam 21] )
Onderzoek in de politieregisters wees uit dat de partner van [naam 21] relationeel kon worden gekoppeld aan:
Naam : [naam 23]
Voornamen : [naam 23]
Geboorteplaats : [geboorteplaats]
Geboortedatum : [geboortedatum] 1987
[naam 23] was namelijk samen met de partner van [naam 21] in een voertuig gecontroleerd door de politie op 24 januari 2016 (PL1100-2016018772). Onderzoek aan de gemeentelijke basisadministratie wees uit dat [naam 23] een rechtstreekse oudere broer is van verdachte.
[nummer]
Onderzoek aan genoemd IP-adres wees uit dat dit een statisch IP-adres betrof,
gekoppeld aan een abonnement op naam van:
Naam : [naam 24]
Voornamen : [naam 24]
Geboorteplaats : [geboorteplaats]
Geboortejaar : 1960
Onderzoek aan de gemeentelijke basisadministratie wees uit dat [naam 24] de vader is van verdachte.
Bewijsoverweging
Het hof is op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte in de ten laste gelegde periode op naam van verschillende verzekerden meermalen een vervalst factuur/nota van [naam 1] heeft ingediend bij zorgverzekeraars [bedrijf 1] en [benadeelde] en door middel van een valse sleutel, bestaande uit DigiD-gegevens en inloggegevens van [naam 3] en [naam 4] , wederrechtelijk heeft binnengedrongen op de servers van [benadeelde] en [bedrijf 1] , waarop de accounts van aangevers [naam 3] en [naam 4] werden gehost. Hij heeft daarbij (onder meer) gebruik gemaakt van e-mailadres [e-mailadres] , telefoonnummer [nummer] , het IP-adres eindigend op * [nummer] dat is gelinkt aan zijn woonadres, het IP-adres eindigend op * [nummer] dat te linken is aan het woonadres van een kennis van zijn broer en het IP-adres eindigend op * [nummer] dat te linken is aan het woonadres van zijn vader.
Het door verdachte geschetste alternatieve scenario acht het hof in het licht van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen en de overige inhoud van het dossier ongeloofwaardig en onaannemelijk. Verdachte is namelijk op verschillende punten niet consistent geweest in zijn verklaring. Zo heeft verdachte aanvankelijk verklaard dat hij de desbetreffende telefoon voor [getuige] had gekocht. In hoger beroep heeft hij verklaard dat het om een tweede telefoon ging die hij vooral gebruikte voor de handel via Marktplaats die had uitgeleend aan [getuige] . Ook heeft verdachte aanvankelijk verklaard dat hij het e-mailadres ( [e-mailadres] ) ook na het uitlenen van de telefoon nog gebruikte voor de handel via Marktplaats en dat hij niet merkte dat er ook iemand anders mee bezig was. In hoger beroep heeft hij verklaard dat hij niet meer bij het e-mailadres kon omdat het aan de telefoon gekoppeld was die hij zou hebben uitgeleend aan [getuige] . De vraag of verdachte dan niet via een ander toestel met zijn inloggegevens op het e-mailaccount kon inloggen beantwoordde verdachte op de zitting in hoger beroep ontkennend.
Daarbij komt dat het door verdachte geschetste scenario ervan uitgaat dat [getuige] gedurende een periode van ruim een jaar bij verdachte en zijn gezin (met toen 3 jonge kinderen) in huis verbleef. [getuige] heeft aangegeven dat hiervan helemaal geen sprake is geweest en dat hij nooit bij verdachte thuis is geweest. Verdachte heeft desgevraagd tijdens de zitting van de rechtbank echter geen enkele verklaring kunnen afleggen over de bezigheden van [getuige] in de periode van inwoning, ondanks het gegeven dat verdachte in diezelfde periode evenmin betaalde arbeid verrichtte en hij dus ongeveer een jaar met [getuige] in zijn eigen huis moet hebben doorgebracht.
Ook volgt uit de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen dat niet enkel het IP-adres eindigend op * [nummer] is gebruikt bij het plegen van de ten laste gelegde feiten, maar onder andere ook de IP-adressen eindigend op * [nummer] en * [nummer] . Deze IP-adressen wijzen niet in de richting van [getuige] , maar juist in die van verdachte nu deze te linken zijn aan het woonadres van een kennis van de oudere broer van verdachte respectievelijk aan het woonadres van verdachtes vader. Een en ander maakt dat het hof het door verdachte geschetste alternatieve scenario terzijde schuift en van oordeel is dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De door de raadsman aangehaalde aanknopingspunten in het dossier voor betrokkenheid van andere personen bij de ten laste gelegde feiten, maken dit oordeel van het hof niet anders. Deze aanknopingspunten wijzen er hoogstens op dat meerdere personen (mogelijk als medeplichtige) betrokken zouden kunnen zijn geweest bij de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Dit door bijvoorbeeld inloggegevens, DigiD-gegevens en/of bankrekeningen van anderen te regelen. Anders dan door de raadsman betoogd, staat dit echter niet in de weg aan een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
Partiële vrijspraak
Ondanks voornoemde aanknopingspunten waaruit zou kunnen blijken dat meerdere personen betrokken zijn geweest bij de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bevat het dossier onvoldoende om te kunnen spreken van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen deze personen en verdachte. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het medeplegen zoals onder 1 en 2 ten laste is gelegd.
Daarnaast is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevat waaruit zou moeten blijken dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk gebruikmaakte van de inloggegevens en/of de DigiD-gegevens van aangever [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Het hof zal verdachte daarom partieel vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit voor zover het betrekking heeft op [naam 2] .
Voorwaardelijk verzoek van de verdediging
Het hof zal het voorwaardelijke verzoek strekkende tot aanhouding van de zaak teneinde de door de raadsman genoemde personen als getuige te horen, afwijzen. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij de betreffende personen niet kent en niet de persoon is geweest die de inlog- en DigiD-gegevens bij, of (mede) door middel van, deze personen heeft geregeld. Het hof volgt verdachte in zijn verklaring op dit punt en acht daarvoor een verklaring van de desbetreffende personen niet noodzakelijk. Dat eventuele anderen mogelijk betrokken zijn geweest bij de ten laste gelegde feiten staat echter, zoals hierboven overwogen, niet in de weg aan de bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op tijdstippen in de periode van 1 december 2017 tot en met 1 februari 2019 te [adres] , meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een factuur/nota van [naam 1] die bestemd was om aan te tonen dat de tenaamgestelde/verzekerde kosten had gemaakt voor behandelingen bij de betreffende praktijk, als ware het echt en onvervalst, door voornoemde factuur telkens ter declaratie bij [bedrijf 1] Groep en [benadeelde] in te dienen;
2.
hij op tijdstippen in de periode van 1 december 2017 tot en met 1 februari 2019 te [adres] telkens opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten een of meerdere servers toebehorende aan [benadeelde] en aan [bedrijf 1] , waarop de persoonlijke accounts van [naam 3] en van [naam 4] worden gehost, althans bereikbaar zijn is binnengedrongen met behulp van een valse sleutel, te weten de DigiD gegevens en/of inlognaam en wachtwoord van [naam 3] en/of [naam 4] , voor het gebruik waarvan door hem, verdachte, geen toestemming was verleend door de rechthebbenden, en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:
  • onder 1:
  • onder 2:
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende meegewogen.
Verdachte heeft zich gedurende een periode van meer dan een jaar schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte en computervredebreuk. Vanaf accounts van anderen diende hij valse declaraties in bij twee zorgverzekeraars, vermoedelijk met het oogmerk om het ingediende bedrag te incasseren. In twee van deze gevallen heeft hij door middel van onrechtmatig gebruik van de DigiD-gegevens van aangevers [naam 4] en [naam 3] binnengedrongen in de servers van de zorgverzekeraars. Verdachte heeft hiermee niet alleen financiële schade toegebracht aan één van de twee zorgverzekeraars, maar bovenal het vertrouwen dat zorgverzekeraars, zorgaanbieders en particulieren behoren te hebben in het systeem dat de financiering van zorgverlening faciliteert ernstig beschadigd. Door de handelwijze van verdachte hebben de zorgverzekeraars samen met de banken financiële middelen en personeel moeten inzetten om te voorkomen dat de valse declaraties zouden leiden tot uitbetaling van grote geldbedragen en om onderzoek te doen naar de verantwoordelijke(n). Daarnaast hebben de personen wiens accounts door verdachte werden gebruikt, overlast ondervonden doordat zij door de zorgverzekeraars werden verdacht van frauduleuze handelingen. Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen of inzicht getoond in de kwalijkheid daarvan. Dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee.
Het hof weegt ook het strafblad van verdachte van 18 mei 2026 in strafverzwarende zin mee. Daaruit volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor andersoortige strafbare feiten.
Verder heeft het hof gelet op het reclasseringsadvies dat met betrekking tot verdachte door Reclassering Nederland op 27 mei 2026 is opgemaakt.
Daarnaast heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte die op de zitting van het hof naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft verklaard dat hij een eigen woning heeft en dat het naar omstandigheden goed met hem gaat. Hoewel de relatie met de moeder van zijn kinderen inmiddels is verbroken, heeft hij nog wel goed contact met haar en zorgen zij gezamenlijk voor de kinderen. Verdachte haalt de kinderen dagelijks op van school en draagt de zorg voor hen totdat zij door hun moeder worden opgehaald. Met zijn gezondheid gaat het minder goed. Verdachte is in verband met lichamelijk klachten volledig arbeidsongeschikt verklaard. Omdat verdachte onder bewind staat, moet hij rondkomen van € 50,00 in de week. Wel ontvangt hij van zijn ex-partner een benzinekostenvergoeding voor het vervoeren van zijn kinderen.
Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof in beginsel een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend, zoals door de rechtbank opgelegd. Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens in hoger beroep is geschonden. Tussen het moment van instellen van het hoger beroep op 7 juli 2022 en het uitspreken van het onderhavige arrest op 3 juli 2026 zijn (afgerond) 4 jaren verstreken. De termijn die voor de afdoening in hoger beroep staat, bedraagt in dit geval 2 jaren. De termijn is dus in hoger beroep overschreden met (afgerond) 2 jaren. Op grond van vaste jurisprudentie inzake de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM dient deze overschrijding te worden gecompenseerd op een wijze die passend is bij de duur van de overschrijding. Het hof ziet op basis hiervan in onderhavige zaak aanleiding om af te zien van het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarom acht het hof passend en noodzakelijk de oplegging van een taakstraf van 240 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 120 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]
Schadevordering
De benadeelde partij heeft bij de rechtbank een vordering tot schadevergoeding van € 20.718,02 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Op de zitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij de hoogte van het gevorderde bedrag verlaagd naar € 19.877,97.
Op grond van de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen en de onderbouwde vordering van de benadeelde partij stelt het hof vast dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte materiële schade heeft geleden tot € 19.877,97. Verdachte moet die schade vergoeden. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij dan ook tot dat bedrag toewijzen. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop dit arrest zal worden uitgesproken, te weten 3 juli 2026. Hierbij heeft het hof er rekening mee gehouden dat het tijdsverloop in de strafrechtprocedure niet aan verdachte te wijten is geweest en de benadeelde partij zich op dit punt heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Namens de benadeelde partij is verder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Anders dan door de raadsman betoogd, is het opleggen van deze maatregel niet enkel mogelijk indien de benadeelde partij een natuurlijke persoon is. De wetgever heeft niet uitgesloten dat de schadevergoedingsmaatregel ook ten bate van rechtspersonen kan worden opgelegd. Het hof ziet in deze zaak aanleiding om over te gaan tot oplegging van deze maatregel om te bevorderen dat de schade door verdachte zal worden vergoed en om te voorkomen dat de benadeelde partij incassorisico loopt.
Proceskostenvergoeding
Ook heeft de benadeelde partij bij de rechtbank vergoeding gevorderd van de proceskosten die in eerste aanleg zijn gemaakt. Het hof zal verdachte veroordelen in deze kosten. Voor het vaststellen van de hoogte van deze kosten sluit het hof aan bij het liquidatietarief voor kantonzaken. De proceskosten worden begroot op twee punten – 1 punt voor het indienen en opstellen van de vordering en 1 punt het toelichten daarvan op de zitting bij de rechtbank – van het liquidatietarief. Een en ander komt neer op een bedrag van € 996,00 ( 2 x € 498,00). Door of namens de benadeelde partij zijn dergelijke kosten op de zitting van het hof niet gevorderd ten aanzien van de procedure in hoger beroep. Daarom heeft het hof deze eventuele kosten bij het begroten van de proceskosten niet in acht genomen.
Wetsartikelen
De straf en de maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 138ab en 225 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde, dan wel zoals zij gelden op het moment van het wijzen van dit arrest.

BESLISSING

Het hof:
vernietigthet vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaartzoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaartniet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en
spreektde verdachte daarvan
vrij.
Verklaarthet onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar,
kwalificeertdit als hiervoor vermeld en
verklaartde verdachte strafbaar.
Veroordeeltde verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden.
Bepaaltdat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeeltde verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Beveeltdat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 19.877,97 (negentienduizend achthonderdzevenenzeventig euro en zevenennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeeltde verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
€ 996,00 (negenhonderdzesennegentig euro).
Legtaan de verdachte de verplichting
opom aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 19.877,97 (negentienduizend achthonderdzevenenzeventig euro en zevenen-negentig cent)als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaaltde duur van de
gijzelingop ten hoogste
124 (honderdvierentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaaltdat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaaltde aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
3 juli 2026.
Dit arrest is gewezen door mr. Z.J. Oosting, mr. T.H. Bosma en mr. M.C. van Linde, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juli 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar processen-verbaal, worden hiermee telkens, tenzij anders aangegeven, bedoeld processen-verbaal die in de wettelijke vorm en door de daartoe bevoegde ambtenaren zijn opgemaakte en opgenomen in het politiedossier van de Politie Midden-Nederland met nummer PL0900-2020155922-Z, afgesloten en ondertekend op 16 juli 2020.
2.Opgenomen op pagina 2 van het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 14 juni 2022.
3.Opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van het hof van 19 juni 2026.