ECLI:NL:GHARL:2026:4544

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
200.368.187/01 en 200.369.675/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging uithuisplaatsing en verlenging wegens structurele verwaarlozing minderjarige

De kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland verleende een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige met ingang van 30 januari 2026 tot 14 mei 2026, welke later werd verlengd tot 14 november 2026. De vader ging in hoger beroep tegen deze beslissingen, terwijl de gecertificeerde instelling (GI) de beslissingen wilde handhaven.

Het hof heeft de feiten onderzocht en vastgesteld dat de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd door spanningen tussen de ouders, slechte hygiëne en onvoldoende communicatie. De GI constateerde structurele verwaarlozing, waarbij de vader onvoldoende in staat is om te voorzien in de opvoedkundige en emotionele behoeften van de minderjarige, mede door zijn eigen problematiek.

Ondanks de inspanningen van de vader en hulpverlening is er onvoldoende verbetering in de thuissituatie. De minderjarige verblijft sinds maart 2026 doordeweeks bij een pleeggezin en heeft in het weekend contact met beide ouders. Het hof acht het noodzakelijk dat de uithuisplaatsing en de verlenging daarvan gehandhaafd blijven om de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige te waarborgen.

Het hof bekrachtigt daarom de besluiten van de kinderrechter en benadrukt dat de procespositie van de moeder voldoende is gewaarborgd, ondanks haar afwezigheid bij de zitting. De minderjarige wordt op passende wijze geïnformeerd over de beslissing.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing en de verlenging daarvan wegens structurele verwaarlozing en bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummers gerechtshof 200.368.187/01 en 200.369.675/01
(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 203084 en 254582)
beschikking van 14 juli 2026
over de uithuisplaatsing van [de minderjarige]
in de zaken van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. S.M. Wolfert te Leek,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
die is gevestigd in Amsterdam.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende1](de moeder),
die woont in [woonplaats2] .
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend met ingang van 30 januari 2026 tot uiterlijk 14 mei 2026 en deze termijn vervolgens verlengd tot 14 november 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben drie kinderen. [de minderjarige] is hun oudste kind. Hij is geboren [in] 2014. De ouders zijn in de zomer van 2024 uit elkaar gegaan. Na de relatiebreuk was aanvankelijk sprake van bird-nesting. De vader en [de minderjarige] zijn eind 2024 bij oma vaderszijde ingetrokken. De moeder is met de jongste twee kinderen in de gezinswoning gebleven.
2.2.
[de minderjarige] en zijn zusje en broertje staan sinds 14 mei 2025 onder toezicht van de GI. De
vader en [de minderjarige] zijn van 17 juni 2025 tot 10 augustus 2025 (aanvankelijk op basis van spoed
in verband met toenemende escalaties bij oma thuis) bij [naam1] geweest
voor een gezinsopname. De twee jongste kinderen kwamen elk weekend een nacht logeren.
De moeder en de twee jongsten zijn van 11 augustus 2025 tot 28 september 2025 bij [naam1]
geweest voor een gezinsopname. [de minderjarige] kwam elk weekend een nacht logeren. [naam1] heeft het
ouderschap van de vader niet goed genoeg bevonden voor [de minderjarige] . [naam1] zag signalen van een
onveilige hechtingsrelatie tussen de vader en [de minderjarige] . [naam1] heeft het ouderschap van de moeder
vooralsnog goed genoeg bevonden voor de twee jongste kinderen, mits er ondersteuning in
de thuissituatie blijft en de moeder ondersteund wordt in het omgaan met haar eigen
problemen om daarmee haar beschikbaarheid te vergroten. [naam1] zag vorig jaar bij de moeder
onvoldoende mogelijkheden om naast de twee jongsten ook [de minderjarige] te bieden wat hij nodig
heeft.
2.3.
Ondanks de negatieve beoordeling van [naam1] is [de minderjarige] na de gezinsopname eerst weer bij de vader gaan wonen, in de gezinswoning. De GI koos hiervoor omdat er meer rust was gekomen in de woonsituatie, de strijd tussen de ouders verminderd was, [de minderjarige] enorm loyaal is aan de vader en de Gl goed wilde onderzoeken of er nog alternatieven waren voordat gekozen werd om een verzoek tot uithuisplaatsing in te dienen. Samen met de vader, zijn advocaat en de ambulante hulpverlening [naam2] heeft de GI toen afspraken gemaakt om de basiszorg voor [de minderjarige] te waarborgen.
2.4.
De moeder woont sinds de gezinsopname met de jongste kinderen van partijen bij haar nieuwe partner.
2.5.
Op basis van een beschikking van de rechtbank van 13 juni 2025 hebben de ouders sindsdien – overeenkomstig het advies van de raad – samen het gezag over de kinderen.

3.De procedures bij de kinderrechter

Zaaknummer 200.368.187/01
3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht [de minderjarige] uit huis te mogen plaatsen.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de GI gemachtigd om [de minderjarige] uit huis te plaatsen tot uiterlijk 14 mei 2026.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 30 januari 2026.
Zaaknummer 200.369.675/01
3.4.
De GI heeft de kinderrechter verzocht [de minderjarige] voor nog een periode van een jaar uit huis te mogen plaatsen.
3.5.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI gedeeltelijk toegewezen en de GI gemachtigd om [de minderjarige] uit huis te plaatsen tot 14 november 2026. De beslissing over de langer verzochte duur van de machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden.
3.6.
Die beslissing is gegeven op 23 april 2026 en op schrift gesteld op 1 mei 2026.
4. De procedures bij het hof
4.1.
De vader is het niet eens met beide beslissingen van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissingen van de kinderrechter vernietigt en de verzoeken van de GI alsnog afwijst.
4.2.
De GI wil dat de beslissingen in stand blijven.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft in zaaknummer 200.368.187/01 de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 20 april 2026
  • de brief van de raad van 13 mei 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
  • het verweerschrift
  • een e-mail van 18 juni 2026 van mr. S. de Vaal te Groningen.
4.4.
Het hof heeft in zaaknummer 200.369.675/01 de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 26 mei 2026
  • de stukken van de vader ingediend op 10 juni 2026
  • de stukken van de GI ingediend op 16 juni 2026
  • een e-mail van 18 juni 2026 van mr. S. de Vaal te Groningen.
4.5.
[de minderjarige] heeft op 15 juni 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van de uithuisplaatsing.
4.6.
De zitting bij het hof was op 19 juni 2026. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat
  • een vertegenwoordiger van de GI.
4.7.
De oproeping voor de mondelinge behandeling en de stukken in beide zaken zijn gestuurd naar mr. De Vaal die in beide beroepschriften wordt genoemd als advocaat van de moeder. Mr. De Vaal heeft het hof bij genoemde e-mail daags voor de zitting in beide zaken bericht dat zij de moeder niet bijstaat. Omdat de moeder zonder bericht afwezig was op de zitting heeft de griffier daarna telefonisch contact gezocht met mr. De Vaal om te verifiëren of de moeder op de hoogte was van de zitting. Daaruit kwam naar voren dat mr. De Vaal de moeder alleen bijstaat in de bij de rechtbank tussen de ouders lopende procedure die gaat over het gezag, de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling van de kinderen. In de procedure over de ondertoezichtstelling van de kinderen en de uithuisplaatsing van [de minderjarige] had en heeft de moeder geen advocaat nodig, omdat zij het eens is met de verzoeken daartoe van de GI, aldus mr. De Vaal. Mr. De Vaal heeft het hof vervolgens bij e-mail van 1 juli 2026 schriftelijk bevestigd dat zij de moeder telefonisch en per e-mail op de hoogte heeft gesteld van beide beroepsprocedures, waarbij zij de stukken naar de moeder heeft gestuurd met de uitnodiging voor de zitting op 19 juni jl. Mr. De Vaal schrijft verder in haar e-mail dat zij met de moeder telefonisch en schriftelijk heeft afgesproken dat de moeder zich schriftelijk zou afmelden voor de zitting van 19 juni jl. onder de mededeling dat zij akkoord gaat met de uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Hoewel dit laatste niet is gebeurd, acht het hof de procespositie van de moeder in de gegeven omstandigheden voldoende gewaarborgd en voldoende vaststaan dat de moeder op de hoogte was van de zitting.

5.Het oordeel van het hof

5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven het kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind. [1] De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoekt. [2]
5.2.
De eerste machtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] liep tot 14 mei 2026 en is dus al verlopen. Toch moet het hof nog toetsen of die machtiging wel mocht worden gegeven. Het hof is van oordeel dat de kinderrechter de GI terecht heeft gemachtigd om [de minderjarige] uit huis te plaatsen. Het hof komt tot eenzelfde oordeel over de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] tot 14 november 2026. Het hof kan zich vinden in de motivering van de kinderrechter in de beschikkingen van 30 januari 2026 en 23 april 2026 en neemt die na eigen onderzoek over. In aanvulling daarop overweegt het hof nog als volgt.
5.3.
De ondertoezichtstelling staat niet ter discussie. Vast staat dat [de minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De ondertoezichtstelling van de kinderen is onlangs verlengd tot 14 mei 2027. Daarbij heeft de kinderrechter de volgende actuele bedreigingen in de ontwikkeling van de kinderen vastgesteld:
- er zijn veel spanningen tussen de ouders en de ouders hebben hun eigen
problematiek, waardoor zij emotioneel en fysiek onvoldoende beschikbaar zijn
(geweest) voor de kinderen en de kinderen niet toekomen aan hun ontwikkeling;
- er zijn zorgen over de slechte hygiëne in de woningen van de ouders en van de
kinderen zelf;
- het lukt de ouders niet goed om met elkaar te communiceren in het belang van de
kinderen.
5.4.
De GI is aangesteld om de belangen van [de minderjarige] (en zijn zusje en broertje) te beschermen. De GI benadrukt dat al jaren ernstige zorgen bestaan over de thuissituatie van de kinderen. Voorafgaand aan de ondertoezichtstelling zijn vanuit verschillende hoeken (gebiedsteam, politie, GGD, hulpverlening) meerdere zorgmeldingen gedaan bij Veilig Thuis (VT) vanwege ernstige vervuiling van de gezinswoning en verbaal grensoverschrijdend gedrag (schreeuwen en uitschelden) van de ouders richting de kinderen. De kinderen werden bij de ouders thuis fysiek en emotioneel verwaarloosd. Dat uitte zich onder andere in slechte gebitten, slechte persoonlijke hygiëne en het niet onder controle krijgen van luizen. De GGD heeft de gezinswoning in 2024 onbewoonbaar verklaard voor kinderen. De woningbouw heeft toen een schoonmaakploeg moeten inzetten om de woning op te ruimen en te reinigen.
5.5.
Op basis van informatie van [naam2] (sinds maart 2025 betrokken bij de vader (en de moeder)), de school van [de minderjarige] en uit eigen waarneming heeft de GI al vrij snel na de gezinsopname geconstateerd dat er voor [de minderjarige] toch onvoldoende verbetering zichtbaar was in de hernieuwde opvoedsituatie bij de vader. Ondanks intensivering van de hulpverlening, de inzet van naschoolse opvang van [de minderjarige] op een zorgboerderij (drie middagen per week) en persoonlijke begeleiding van de vader via de WMO, was er in de thuissituatie van de vader onvoldoende verbetering en toonde de vader steeds meer weerstand tegen de hulpverlening. Net als eerder waren er vooral zorgen over de basiszorg en veiligheid van [de minderjarige] en de emotionele beschikbaarheid van de vader. De GI concludeerde daarop dat sprake is van structurele verwaarlozing. Uit de stukken, waaronder het recente zorgplan van [naam3] (april 2026), komt naar voren dat [de minderjarige] een verzwaarde opvoedvraag heeft. [de minderjarige] functioneert op laagbegaafd niveau en heeft de diagnose ADHD waarvoor hij medicatie krijgt. [de minderjarige] heeft problemen met het reguleren van zijn emoties en is lastig te begrenzen. Hij kan bij boosheid en ruzies explosief en agressief reageren. Het ingewikkelde gedrag van [de minderjarige] vraagt bovengemiddelde vaardigheden van zijn opvoeders. [de minderjarige] heeft veel structuur, intensieve begeleiding, stabiliteit en emotionele beschikbaarheid nodig. De zorgbehoefte van [de minderjarige] overstijgt de persoonlijke mogelijkheden van de vader, althans in deze (ontwikkelings)fase.
De vader heeft geen werk of dagbesteding. Hij is voor zijn financiën afhankelijk van een bewindvoerder en (“potjes” van) de sociale dienst. De vader heeft PDD-NOS en kan net als [de minderjarige] zijn emoties moeilijk onder controle houden. De vader toont weinig inzicht in de ernst van de (thuis)situatie en heeft beperkt besef van wat [de minderjarige] als 11-jarige jongen nodig heeft. De vader reflecteert nauwelijks op zijn eigen rol en verantwoordelijkheid als verzorgende ouder. Hoewel de vader totaal geen zelfredzaamheid laat zien, heeft hij tot dit moment geen enkele hulpvraag. Het gebrek aan een hulpvraag van vader heeft begin dit jaar aan een gezinsbehandeling bij [naam4] in de weg gestaan. De GI wilde namelijk onderzoeken of dit traject nog een passende vervolgstap zou kunnen zijn voor de vader en [de minderjarige] . In de gegeven situatie waren de mogelijkheden van de GI om de ontwikkeling van [de minderjarige] bij de vader thuis nog voldoende veilig te stellen eind vorig jaar uitgeput en was zijn uithuisplaatsing onvermijdelijk.
5.6.
Sinds 9 maart 2026 verblijft [de minderjarige] doordeweeks bij [naam3] in [plaats1] . In de weekenden is [de minderjarige] bij de vader of de moeder. De ouders gaan om de beurt op woensdag bij [de minderjarige] op bezoek. Ook heeft hij regelmatig telefonisch contact met de ouders. [de minderjarige] heeft afgelopen meivakantie een week bij de vader doorgebracht. Het hof stelt vast dat hard wordt gewerkt om de inmenging in het recht op gezinsleven van de vader en [de minderjarige] zoveel mogelijk te beperken. Het netwerk wordt actief betrokken en er is oog voor de liefdevolle band tussen [de minderjarige] en de vader. De vader doet op zijn beurt goed zijn best om samen te werken met de GI en [naam3] , ondanks dat hij het niet eens is met de uithuisplaatsing. Deze meewerkende houding van de vader is in het belang van [de minderjarige] . Het hof acht het voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] noodzakelijk dat hij eerst nog bij [naam3] blijft. Niet gebleken is dat de vader [de minderjarige] nu, slechts enkele maanden na de uithuisplaatsing, wel zou kunnen geven wat hij nodig heeft. Hoewel de vader de afgelopen jaren door verschillende instanties (VT, [naam1] en de GI) is geadviseerd om inzicht te krijgen in zijn eigen problematiek en individuele hulp te zoeken om zijn trauma’s uit het verleden te verwerken, is het hem nog altijd niet gelukt om daarmee aan de slag te gaan. De redenen daarvoor liggen volgens de vader buiten zijn macht.
5.7.
[de minderjarige] vertelde aan de voorzitter dat hij het liefst zo snel mogelijk terug naar huis wil. Om dat af te dwingen verzet hij zich soms hevig en gedraagt hij zich bewust ongewenst op de groep. Desondanks lijkt [de minderjarige] inmiddels toch wel wat te stabiliseren bij [naam3] . De GI ziet dat [de minderjarige] profiteert van de bij [naam3] geboden hulp en structuur. Hij heeft een goede band met zijn persoonlijk begeleider. Dat bevestigde [de minderjarige] zelf ook. Op school wordt gezien dat [de minderjarige] vrolijker is en meer ruimte heeft om tot leren te komen. Evengoed moet er de komende periode nog van alles gebeuren om te kijken wat [de minderjarige] verder precies nodig heeft en wat daarin van de ouders verwacht kan worden. Bij [naam3] wordt gezien dat [de minderjarige] veel begeleiding nodig heeft als het gaat om hygiëne, eten en contact met anderen. [naam3] zet in op het aanleren van sociale vaardigheden en het bijbrengen van normen en waarden. [naam5] gaat bij [de minderjarige] een nieuw diagnostisch onderzoek doen, omdat de eerdere diagnostiek (2022) is verouderd. De GI heeft de ouders aangemeld bij [naam5] voor ouderschapsondersteuning na scheiding vanwege hun aanhoudende strijd en communicatieproblemen.
5.8.
Al met al kan [de minderjarige] tot 14 november 2026 nog niet thuis wonen. De beslissingen van de kinderrechter van 30 januari 2026 en 23 april 2026 zullen daarom in stand blijven (worden bekrachtigd).
5.9.
[de minderjarige] heeft in zijn gesprek met de voorzitter aangegeven de beslissing van het hof graag via een brief te willen horen. Het hof vindt het in het geval van [de minderjarige] geschikter om het door vader of de jeugdbeschermer te laten vertellen, mede om te voorkomen dat [de minderjarige] eerder op de hoogte is dan de andere betrokkenen. Het hof gaat ervan uit dat als de beschikking komt als [de minderjarige] bij de vader is, de vader hem op de hoogte stelt van de beslissing en dat als de beschikking komt als [de minderjarige] bij [naam3] is, de jeugdbeschermer dat doet.

6.De beslissing

Het hof:
Zaaknummer 200.368.187/01
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 30 januari 2026 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ;
Zaaknummer 200.369.675/01
6.2.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 23 april 2026 over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] tot 14 november 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. L. van Dijk en
mr. E.F. Groot, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 14 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 1:265c lid 2 BW.