ECLI:NL:GHARL:2026:4549

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
200.354.608/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:109 BWArt. 3:119 lid 1 BWArt. 4:66 lid 3 BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis over omvang nalatenschap en onrechtmatige onttrekkingen in erfrechtelijke zaak

In deze civiele erfrechtelijke procedure staat de omvang van de nalatenschap van de in 2020 overleden erflaatster centraal, met name de vraag of onrechtmatige onttrekkingen door [geintimeerde1] hebben plaatsgevonden en of bepaalde goederen, zoals een auto en een woning, tot de nalatenschap behoren.

De rechtbank had eerder vastgesteld dat een bedrag van € 110.558,56 aan giften in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van de legitimaire massa en dat de legitieme portie € 21.143,16 bedraagt, waarbij de aanspraken van de erfgenamen nihil zijn. [appellante] stelde in hoger beroep dat [geintimeerde1] onrechtmatig bedragen van de bankrekening van erflaatster had onttrokken en dat de auto en woning onterecht buiten de nalatenschap waren gehouden.

Het hof oordeelt dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat erflaatster wilsonbekwaam was en dat er sprake was van onrechtmatige onttrekkingen. De contante pinopnames en betalingen zijn niet ongebruikelijk hoog en er is geen bewijs van misbruik. De auto stond op naam van [geintimeerde1] en behoort niet tot de nalatenschap. De woning is verkocht tegen een marktconforme prijs minus vruchtgebruik, waarbij een schenking van € 19.342,38 is meegenomen in de berekening van de legitimaire massa.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt [appellante] in de proceskosten van [geintimeerde1] in hoger beroep. De berekening van de legitimaire massa en legitieme portie blijft ongewijzigd, en er is geen legitimaire aanspraak voor de erfgenamen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de grieven van [appellante] af, waarbij zij in de proceskosten wordt veroordeeld.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.354.608/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 142019)
arrest van 14 juli 2026
in de zaak van
[appellante] ,
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie en verweerster in reconventie,
hierna:
[appellante],
advocaat: mr. D.P.M. Buysrogge te Zwolle,
tegen

1.[geintimeerde1] ,

die woont in [woonplaats2] ,
en bij de rechtbank optrad als verweerder in conventie en eiser in reconventie,
hierna:
[geintimeerde1],
advocaat: mr. J.F.M. Kappé te Amsterdam.

2.[geintimeerde2] ,

die woont in [woonplaats3] ,
en bij de rechtbank optrad als verweerder in conventie,
hierna:
[geintimeerde2].

1.De procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 29 maart 2023, 27 maart 2024 en 5 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 22 april 2025;
- de memorie van grieven van [appellante] met bijlage(n);
- de memorie van antwoord van [geintimeerde1] ;
- een journaalbericht van 21 april 2026 van [appellante] met bijlage(n).
2.2
[geintimeerde2] is in hoger beroep niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 12 mei 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- [appellante] , bijgestaan door mr. Buysrogge;
- [geintimeerde1] , bijgestaan door mr. Kappé.
Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (proces-verbaal).

3.De feiten

3.1
Partijen zijn de kinderen van [erflaatster] (erflaatster), geboren [in] 1919 en overleden [in] 2020. Op het moment van overlijden was erflaatster niet (meer) gehuwd of geregistreerd als partner. Partijen zijn de enig erfgenamen van erflaatster.
3.2
Op 17 december 1990 is het voormalig ouderlijk huis aan [adres] in [woonplaats1] aan [geintimeerde1] geleverd. De koopprijs was ƒ 167.875,- (€ 76.178,39). Ten behoeve van erflaatster is daarbij een levenslang recht van gebruik en bewoning overeengekomen
,zonder dat zij daarvoor een vergoeding behoefde te betalen, welk recht eindigt door haar overlijden dan wel wanneer zij het onroerend goed verlaat met de bedoeling zich blijvend elders te vestigen en waarbij elk onderhoud voor rekening van erflaatster komt
.
3.3
Op 14 december 1990 heeft [geintimeerde1] een schuldbekentenis getekend waarin hij erkent dat hij erflaatster ƒ 85.250,- verschuldigd is. Erflaatster heeft in een handgeschreven en door haar op 17 december 1990 ondertekende schuldbekentenis voornoemd aankoopbedrag genoemd, een aflossing van ƒ 40.000 genoteerd en een schenking van ƒ 42.625 en dat overblijft ƒ 85.250,-.Daaronder heeft erflaatster geschreven dat op dit bedrag is afgelost tot € 20.000,- op 12 november 2002. En daaronder heeft zij geschreven:
“Zoon [geintimeerde1] heeft al zijn schulden afgelost zie afschriften per [nummer] 11-05-2004 laatste bedrag 5000 euro”.
3.4
Bij testament van 2 augustus 2005 heeft erflaatster voor het laatst over haar nalatenschap beschikt. In het testament staat, voor zover hier van belang, het volgende:

2. LEGATEN
Ik legateer aan:
a. mijn dochter [appellante] (…) mijn klok met kwartierslag (waarop haar naam staat);
b. mijn zoon [geintimeerde1] (…) alle tot mijn nalatenschap behorende roerende -zaken, die zich bevinden in de woning [adres] te [woonplaats1] , met uitzondering van de zaken die ik heb gelegateerd bij codicil en de sub 2.a gelegateerde klok.
3. EXECUTEURSBENOEMING
a. Ik benoem mijn zoon [geintimeerde1] (…). tot executeur. (…)
f. De executeur heeft het recht een boedelnotaris aan te wijzen. De kosten van de boedelnotaris komen ten laste van de erfgenaam/erfgenamen, naar rato van hun verkrijging. (…)
5. VRIJSTELLING INBRENG
Ik stel mijn afstammelingen vrij van de verplichting tot inbreng van giften in mijn nalatenschap, op welk tijdstip deze ook zijn gedaan, tenzij bij een gift schriftelijk anders is bepaald. (…)”
3.5
[geintimeerde1] heeft zijn benoeming als executeur aanvaard. [geintimeerde1] en [geintimeerde2] hebben de nalatenschap zuiver aanvaard en [appellante] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard.
3.6
Bij beschikking van 5 januari 2022 heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] strekkende tot het benoemen van een vereffenaar van de nalatenschap van erflaatster, afgewezen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij het bestreden – deels uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – vonnis van 5 februari 2025 heeft de rechtbank:
in conventie
(3.1) voor recht verklaard dat in het kader van de vaststelling van de legitimaire massa een bedrag van € 110.558,56 aan giften in aanmerking genomen dient te worden;
(3.2) de hoogte van de legitieme portie vastgesteld op € 21.143,16 en vastgesteld dat de legitimaire aanspraak van [appellante] , [geintimeerde1] en [geintimeerde2] nihil is;
(3.3) [appellante] veroordeeld in de proceskosten van [geintimeerde1] van € 2.295,-;
(3.4) de proceskosten tussen [appellante] en [geintimeerde2] gecompenseerd;
in conventie en reconventie
(3.5) de omvang van de nalatenschap als volgt vastgesteld:
Bezittingen:
• het saldo van de ING rekening € 4.296,78
• het saldo van de Rabobank rekening € 8.278,26
• de sieraden € 3.725,00
• de inboedel (gelegateerd aan [geintimeerde1] ) € 2.670,00
• de klok (gelegateerd aan [appellante] ) € p.m.
Schulden:
• het legaat aan [geintimeerde1] : de inboedel € 2.670,00
• het legaat aan [appellante] : de klok € p.m.
(3.6) bepaald dat het saldo van de nalatenschap € 16.300,40 bedraagt en de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vastgesteld:
• deelt toe aan [appellante] de sieraden als vermeld in het taxatierapport (productie 18 van [geintimeerde1] ) alsmede een bedrag groot € 1.708,35
• deelt toe aan [geintimeerde1] een bedrag groot € 5.433,35
• deelt toe aan [geintimeerde2] een bedrag groot € 5.433,35
in reconventie
(3.7) [appellante] veroordeeld in de proceskosten van [geintimeerde1] van € 753,00, te betalen aan [geintimeerde1] .
4.2
[appellante] is met tien grieven in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. [appellante] vordert dat het vonnis wordt vernietigd en dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen en [geintimeerde1] te veroordelen in de proceskosten.
4.3
[geintimeerde1] voert verweer en vordert dat [appellante] niet-ontvankelijk wordt verklaard, dan wel dat het vonnis wordt bekrachtigd en de grieven ongegrond worden verklaard, en [appellante] te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, te vermeerderen met – kort gezegd – de nakosten.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Erflaatster is niet van de wettelijke erfopvolging afgeweken in haar testament. Daardoor zijn partijen voor gelijke delen erfgenaam.
Onrechtmatige onttrekkingen?
5.2
[appellante] klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [geintimeerde1] geen onrechtmatige onttrekkingen aan de bankrekening van erflaatster heeft gedaan. [appellante] stelt dat [geintimeerde1] onrechtmatig heeft gehandeld door in de periode van 1 januari 2014 tot 17 juli 2023 zonder toestemming bedragen van in totaal € 40.765,- aan de rekening van erflaatster te onttrekken, en dat hij dat moet terugbetalen. Volgens [appellante] was erflaatster wilsonbekwaam en had [geintimeerde1] geen volmacht om haar bankzaken te beheren. Zij brengt naar voren dat hij steeds € 1.000,- per maand heeft gepind van de rekening van erflaatster, waarvan € 600,- per maand teveel. [geintimeerde1] bestrijdt dat gemotiveerd.
5.3
Voor zover [appellante] (volledige) rekening en verantwoording van [geintimeerde1] wil voor iedere overboeking, pinopname of uitgave van erflaatster, geldt het volgende. Allereerst moet de vraag worden beantwoord of [geintimeerde1] aan erflaatster rekening en verantwoording verschuldigd was, en vervolgens of en in welke mate dit ook moet worden afgelegd aan de erfgenamen, als rechtsopvolger van erflaatster. Indien al zou komen vast te staan dat [geintimeerde1] rekening en verantwoording verschuldigd was aan erflaatster, dan nog hoeft geen rekening en verantwoording aan de erfgenamen te worden afgelegd als niet is komen vast te staan dat erflaatster ten tijde van de volmachtverlening en bij gebruikmaking van de volmacht niet in staat was haar wil te bepalen, erflaatster bij leven geen aanleiding heeft gezien om [geintimeerde1] ter verantwoording te roepen, en/of als er geen sprake is van misbruik van omstandigheden. Dat alles laat overigens onverlet dat degenen die de ouder(s) hebben bijgestaan, en die niet kunnen worden verplicht tot het afleggen van een volledige rekening en verantwoording, wel aan de mede-erfgenamen uitleg dienen te kunnen geven over door hen verrichte financiële handelingen die niet binnen het normale uitgavenpatroon van de ouder vallen.
5.4
Partijen verschillen van mening in hoeverre erflaatster nog in staat was om haar financiën zelfstandig te beheren. [appellante] stelt dat erflaatster dementie had en wilsonbekwaam was. Gelet op de betwisting door [geintimeerde1] , heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd dat erflaatster niet in staat was haar eigen financiën te beheren of daarop (toe)zicht te houden. Daarvoor is onvoldoende dat haar korte termijn geheugen – zoals [geintimeerde1] ter zitting heeft aangegeven – achteruit ging toen ze in het verzorgingshuis is gaan wonen en dat het zorgleefplan van het woonzorgcentrum waar zij sinds juli 2016 woonde, vermeldt dat zij geheugenproblemen had. Uit het zorgleefplan maakt het hof op dat de aanleiding voor de opname met name gelegen was in de fysieke beperkingen van erflaatster en niet in dementie. [appellante] erkende verder ter zitting van het hof dat zelfs niet iedereen die dementie heeft wilsonbekwaam is en dat ze geen stukken heeft waaruit de wilsonbekwaamheid van erflaatster kan blijken.
5.5
De rechtbank heeft terecht op grond van de overgelegde bankafschriften geconstateerd dat er (op een enkele uitzondering na) door of namens erflaatster geen pinbetalingen werden verricht, zodat aannemelijk is dat erflaatster de dagelijkse uitgaven steeds contant voldeed. [appellante] betwist dat ook niet. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de contante pinopnames die uit de overgelegde stukken blijken (omgerekend naar weekbedragen), geen ongebruikelijk hoge bedragen betreffen. Het hof heeft geen aanleiding om aan te nemen dat de pinopnames of betalingen niet in opdracht of zonder instemming van erflaatster hebben plaatsgevonden. Erflaatster is in januari 2019 nog naar de bank geweest en heeft gevraagd [geintimeerde1] als gevolmachtigde toe te voegen aan haar bankrekeningen, en de bank heeft dat gedaan. Dat wijst erop dat erflaatster heeft ingestemd met en vertrouwen had in het financiële beheer of de hulp van [geintimeerde1] .
5.6
[geintimeerde1] heeft in de stukken en ter zitting van het hof bovendien voldoende, concrete verklaringen gegeven voor de verschillende betalingen, inclusief die aan een tuinhoutbedrijf, de kosten van advies over bewind of een levenstestament en de aankoop van een droger op 1 mei 2020 in [woonplaats1] . De stelling van [appellante] dat erflaatster geen kosten had toen ze in het woonzorgcentrum verbleef passeert het hof. Dat ze geen kosten zou hebben, ligt niet voor de hand en sluit niet aan bij de beschikbare gegevens.
5.7
Het hof is niet gebleken van onrechtmatig handelen van [geintimeerde1] dan wel dat hij ongerechtvaardigd verrijkt is. Het hof zal daarom – evenals de rechtbank – bij het bepalen van de erfrechtelijke aanspraken geen rekening houden met genoemde onttrekkingen.
De [Citroën]
5.8
[appellante] stelt dat de [Citroën] eigendom was van erflaatster, en dus tot de nalatenschap van erflaatster behoort. [geintimeerde1] bestrijdt dat. Partijen hebben beiden aangegeven dat de auto door hun vader is gekocht. Het hof constateert dat de verhalen van partijen over wat er daarna met de auto is gebeurd, sterk uiteenlopen. Het hof kan niet achterhalen welke weergave de juiste is. Het hof kan bij de beoordeling alleen aansluiten bij de feiten en omstandigheden zoals die in het dossier en/of ter zitting naar voren zijn gekomen.
5.9
De [Citroën] stond ten tijde van haar overlijden niet op naam van de erflaatster en heeft ook nooit op haar naam gestaan. Dat blijkt uit de overgelegde stukken en wordt ook niet betwist door [appellante] . Op grond van artikel 3:109 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt degene die een goed houdt, vermoed dit voor zichzelf te houden en dus bezitter daarvan te zijn. Op grond van artikel 3:119 lid 1 BW Pro wordt de bezitter van een goed vermoed rechthebbende daarvan te zijn. Uit de ingebrachte stukken blijkt dat de auto op naam van de vader van partijen heeft gestaan en dat de auto sinds 2004 en ten tijde van het overlijden van erflaatster op naam van [geintimeerde1] stond. Hij heeft de auto opgeknapt en laten keuren en de kosten daarvoor gedragen. De auto stond ten tijde van het overlijden van erflaatster en in de periode daarvoor, in de (garage van de) woning die eigendom is van [geintimeerde1] . Daarmee is het houderschap van [geintimeerde1] gegeven en gaat het hof uit van het vermoeden dat [geintimeerde1] ook de rechthebbende van de auto is. [appellante] heeft, mede in het licht van wat [geintimeerde1] hierover naar voren heeft gebracht, onvoldoende gesteld om dit vermoeden te weerleggen en te onderbouwen dat de auto deel uitmaakt van de nalatenschap. Het hof zal daarom beslissen dat dit niet het geval is.
5.1
[appellante] stelt voorts dat de auto door erflaatster aan [geintimeerde1] is geschonken en daarom als schenking meegenomen moet worden in de berekening van de legitimaire massa. Dat de auto door de vader is gekocht en op zijn naam heeft gestaan, is niet in geschil. [appellante] stelt dat de auto na de scheiding van haar ouders (in 1978) aan erflaatster is toebedeeld. [appellante] heeft geen stukken ingebracht waaruit volgt dat erflaatster de auto in eigendom heeft gehad. De omstandigheid dat het (oude) testament van erflaatster in 1995 spreekt over haar personenautomobiel (Citroën), is hiervoor onvoldoende. Duidelijk is dat de auto niet op naam van erflaatster heeft gestaan. Onbestreden is voorts dat erflaatster geen rijbewijs had en dus zelf niet mocht autorijden. Gelet op de betwisting door [geintimeerde1] , heeft [appellante] onvoldoende feiten gesteld waaruit blijkt dat erflaatster de auto in eigendom heeft gehad en aan [geintimeerde1] heeft geschonken. Het hof komt niet toe aan de door [appellante] aangeboden bewijslevering door het horen van getuigen, omdat zij niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Omdat het geen schenking van erflaatster betreft blijft de auto ook wat betreft de berekening van de legitimaire massa buiten beschouwing.
De woning
5.11
Partijen verschillen van mening over de vraag óf en in hoeverre er ten aanzien van de woning die [geintimeerde1] van erflaatster heeft gekocht, sprake is van een gift, die meegenomen dient te worden bij het berekenen van de legitimaire massa. Niet in geschil is dat erflaatster van de koopsom [geintimeerde1] een bedrag van ƒ 42.625,- (€ 19.342,38) heeft geschonken en dat dat bedrag meegenomen moet worden bij de berekening van de legitimaire massa.
5.12
[appellante] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er bij de verkoop geen sprake was van de wil tot bevoordeling. De rechtbank heeft volgens [appellante] de verkeerde waarde van de woning gehanteerd. De verkoopwaarde was volgens haar niet marktconform en de grond is niet in de taxatie meegenomen. [appellante] heeft aan de hand van de prijs van de woning volgens diverse internetsites en de vergelijking tussen de gemiddelde huisprijzen in 2020 en 1990, de waarde geschat op € 358.885,- (ƒ 790.878,-). [geintimeerde1] bestrijdt deze waarde.
5.13
Erflaatster heeft makelaar en taxateur [makelaar] opdracht gegeven om haar woning te taxeren. Zoals blijkt uit het eerste taxatierapport, gedateerd 25 april 1990, heeft [makelaar] de woning – anders dan [appellante] stelt – mét de grond en opstallen, groot 13 are en 70 ca getaxeerd op ƒ 135.000,-. Hij vermeldt dat het de onderhandse verkoopwaarde in bewoonde staat betreft. De taxateur merkt in zijn rapport op dat “de onderhoudstoestand en de hedendaagse normen aangaande wonen speciaal met betrekking tot de eerste etage zwaar te wensen overlaat”.
In een tweede taxatie gedateerd 26 juni 1990, die [makelaar] aan notaris [notaris] zond, maakt [makelaar] een uitsplitsing voor het bedrijfsgedeelte en het privégedeelte van de woning en taxeert hij deze op ƒ 48.000,- en ƒ 105.000,-, in totaal ƒ 153.000,-. Voor het privégedeelte gaat [makelaar] uit van 60% van de vrije verkoopwaarde.
De akte van levering van 14 december 1990, opgemaakt door notaris [notaris] , betreft de verkoop en overdracht van eigendom van het onroerend goed: het woonhuis met bedrijfsgedeelte, staande en gelegen te (
adres), kadastraal bekend (
gemeente en sectienummer), groot dertien are en zeventig centiare. Dat oppervlak stemt overeen met de taxatie en wijst er niet op dat de grond buiten de taxatie(waarde) is gebleven, zoals [appellante] naar voren heeft gebracht.
De akte van levering vermeldt dat de koopsom van ƒ 167.875,- is overeengekomen naar aanleiding van de taxatie van [makelaar] .
Een verkoop door erflaatster van een goed onder voorbehoud van vruchtgebruik tegen een prijs die gelijk is aan de werkelijke waarde van het goed minus de waarde van het vruchtgebruik op het tijdstip van de verkoop, is niet een gift. Van een situatie als bedoeld in artikel 4:66 lid 3 BW Pro is dan ook geen sprake.
Voor de verkoopprijs is bovendien aangeknoopt bij de taxatiewaarde. Daarbij is niet een lagere maar juist een (iets) hogere prijs overeengekomen, omdat erflaatster dit wilde. Dat de werkelijke marktwaarde veel hoger was, zoals [appellante] stelt, is dan ook niet vast komen te staan.
5.14
[appellante] stelt verder dat [geintimeerde1] de woning zonder tegenprestatie heeft gekregen en dat daarom sprake is van een gift. [appellante] vermoedt dat [geintimeerde1] niets heeft betaald, maar uit de stukken volgt het tegendeel. De door [geintimeerde1] als productie 12 ingebrachte handgeschreven verklaring van erflaatster van 17 december 1990 vermeldt de door [geintimeerde1] gestelde aflossing van ƒ 40.000,-. De aflossing van ƒ 40.000,- vindt steun in de bankafschriften in productie 11 waaruit blijkt dat ƒ 20.000,- is betaald op 18 december 1990, ƒ 15.000,- op 21 december 1990 en volgens het bankafschrift van 11 januari 1990 nog ƒ 5.000,-.
Uit productie 11 blijkt verder dat (naast de eerste aflossingen ter hoogte van ƒ 40.000,-) betalingen aan erflaatster zijn gedaan in 1991 van ƒ 13.000,-, in 1992 ƒ10.000,-, nog eens ƒ10.000,- en ƒ 7.237,77 en in 2002 € 6.226,68 (oftewel ƒ 13.721,80). Ook zijn er vier betalingen van elk € 5.000,- in 2003 en 2004 gedaan, oftewel in totaal € 20.000,- euro . Daarmee rijmt dat erflaatster op 12 november 2002 schrijft dat op dit bedrag (van) ƒ 85.250 is afgelost tot € 20.000,-. [appellante] heeft die betalingen in haar overzicht in productie 35 overigens ook meegenomen. [geintimeerde1] heeft aldus vanaf 1991 in totaal ƒ 98.033,77 betaald aan erflaatster.
Volgens aantekeningen van erflaatster van 11 mei 2004 in productie 12 heeft [geintimeerde1] op dat moment al zijn schulden afgelost. Dat rijmt met de laatste betaling van € 5.000,- op 6 mei 2004.
Het voorgaande is in tegenspraak met [appellante] conclusie dat [geintimeerde1] de verschuldigde som niet werkelijk betaald zou hebben. Dat [geintimeerde1] meer dan de schuld van ƒ 85.250,- heeft betaald, waaruit [appellante] afleidt dat er wordt gegoocheld met cijfers, maakt dat niet anders, omdat hij immers ook rente verschuldigd was.
[appellante] brengt naar voren dat erflaatster [geintimeerde1] geld zou hebben overgemaakt waarmee hij de lening zou hebben afgelost omdat hij zelf niet genoeg inkomen of vermogen zou hebben om de koopsom te kunnen betalen. Ten tijde van de aflossing van ƒ 40.000,- werkte [geintimeerde1] namelijk nog maar twee jaar. Uit de door [geintimeerde1] ingebrachte stukken maakt het hof op dat dat niet juist is. [geintimeerde1] was al tenminste vijf jaren werkzaam als [beroep] , en heeft daarnaast financiële hulp gekregen van zijn partner. Weliswaar heeft [geintimeerde1] bij de aankoop van de woning een bedrag van ƒ 42.625,- geschonken gekregen, ook de andere kinderen kregen bedragen van een dergelijke omvang geschonken; het object van de vrijgevigheid van erflaatster waren de schenkingen die ze aan alle drie kinderen deed, niet de woning. Om die reden kan ook niet worden gesproken van een samenstel van rechtshandelingen die een schenking oplevert, zoals [appellante] heeft betoogd.
5.15
[appellante] stelt verder dat [geintimeerde1] bevoordeeld is doordat erflaatster de kosten van onderhoud en verbouw heeft gedragen. [geintimeerde1] bestrijdt dat.
Erflaatster heeft zich verplicht de kosten van elk onderhoud aan het gebouwde, het erf en de tuin op zich te nemen. Het gewone onderhoud komt normaliter voor rekening van de vruchtgebruiker. De kosten die zagen op haar beveiliging, het hek en herbestrating heeft erflaatster zelf betaald. De overige kosten van groot onderhoud, zoals het dak, de keuken en badkamer heeft [geintimeerde1] op zich genomen. Dat vindt steun in de door [geintimeerde1] overgelegde facturen en bankafschriften.
In het licht van de onderbouwde betwisting door [geintimeerde1] heeft [appellante] onvoldoende gesteld en onderbouwd dat erflaatster door kosten van onderhoud en verbouwing te betalen schenkingen aan [geintimeerde1] heeft gedaan. Dat erflaatster een bevoordelingsbedoeling heeft gehad door (een deel van) de kosten van onderhoud en/of verbouw te betalen, is niet gebleken. Het hof oordeelt dat in de betaling van kosten van onderhoud en/of verbouw door erflaatster geen schenking of gift besloten is die bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking moet worden genomen.
5.16
De schenkingen zal het hof daarom buiten beschouwing laten bij het bepalen van de legitimaire massa, met uitzondering van de schenking van ƒ 42.625,- bij de aankoop van de woning.
De legitimaire massa en de legitieme portie
5.17
Omdat er niet méér schenkingen hoeven te worden meegenomen dan de rechtbank al heeft gedaan, behoeven de berekeningen van de rechtbank van de legitimaire massa en de legitieme portie van elk € 21.143,16 geen correctie. [appellante] heeft meer aan giften ontvangen dan haar legitieme portie. Dat betekent dat [appellante] per saldo geen legitimaire aanspraak heeft. Ook [geintimeerde1] en [geintimeerde2] hebben in verband met de door hen reeds ontvangen giften geen legitimaire aanspraak. De beslissingen van de rechtbank onder 3.1 en 3.2 zal het hof dan ook bekrachtigen.
De proceskosten
5.18
[appellante] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat zij in de proceskosten van [geintimeerde1] is veroordeeld. [appellante] is door de rechtbank in de proceskosten veroordeeld omdat zij (grotendeels) in het ongelijk is gesteld. Dat haar vordering om bepaalde stukken over te leggen is toegewezen, maakt dat niet anders. Haar vorderingen zijn voor het overige afgewezen en blijven afgewezen. De proceskostenveroordeling van de rechtbank onder 3.3 en 3.7 zal het hof daarom bekrachtigen. Over de berekening van die proceskosten heeft [appellante] niet geklaagd. Die kan daarom in stand blijven. Omdat [appellante] ook in hoger beroep in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof [appellante] veroordelen om ook de proceskosten van [geintimeerde1] in hoger beroep te betalen.

6.De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 5 februari 2025 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
veroordeelt [appellante] in de proceskosten van [geintimeerde1] in hoger beroep:
€ 2.129,- aan griffierecht en
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van [geintimeerde1] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);
verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gegeven door mrs. C. Koopman, J.G. Knot en E. Leentjes en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 uitgesproken in het openbaar.