ECLI:NL:GHARL:2026:4568

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
21-000082-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 SvArt. 3 OpiumwetArt. 11 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerij

In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de ontnemingsvordering tegen de betrokkene behandeld, die eerder door de rechtbank Overijssel was vastgesteld op €74.171,58. De betrokkene werd verdacht van het telen en verkopen van hennep in een hennepkwekerij, waarbij meerdere oogsten zijn gerealiseerd.

Het hof heeft het bewijs en de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zorgvuldig onderzocht, waarbij het rapport van de netbeheerder en het strafdossier als uitgangspunt dienden. Er is vastgesteld dat er drie volledige oogsten zijn geweest, met een totale opbrengst van bijna €100.000 minus kosten en aftrek van inbeslaggenomen henneptoppen. De verdediging voerde aan dat de kwekerij door meerdere personen werd gerund en de winst gedeeld, maar dit is onvoldoende onderbouwd bevonden.

Het hof heeft de vordering van het Openbaar Ministerie grotendeels gevolgd en het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €74.171,58, rekening houdend met een reeds toegewezen vordering van een benadeelde partij. Gezien de financiële situatie van de betrokkene acht het hof het redelijk dat hij aan de betalingsverplichting kan voldoen. De duur van de gijzeling is vastgesteld op maximaal 741 dagen.

De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat gold ten tijde van het bewezenverklaarde. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en het hof doet opnieuw recht met de genoemde vaststellingen en verplichtingen.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €74.171,58 en legt de betalingsverplichting aan de Staat op met een maximale gijzelingstermijn van 741 dagen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000082-25
Uitspraakdatum: 1 juli 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 9 december 2024 met parketnummer 08-258500-22 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 17 juni 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de betrokkene en zijn raadsman, mr. T. van der Goot, hebben aangevoerd.

Beslissing

De rechtbank heeft het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene moet worden geschat, vastgesteld op € 74.171,58. De rechtbank heeft de verplichting aan de betrokkene tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op datzelfde bedrag en bepaald dat de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd ten hoogste 1080 dagen is.
Het hof komt tot een andere beslissing over de grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom de beslissing en doet opnieuw recht. Het hof is echter van oordeel dat de rechtbank het wederrechtelijk voordeel grotendeels op de juiste wijze heeft berekend en geschat. Het hof maakt die overwegingen tot de zijne en zal die – voor zover het hof de overwegingen van de rechtbank overneemt – hierna citeren en cursief weergeven. Waar in de hierna cursief weergegeven tekst ‘de rechtbank’ staat vermeld, moet in dat geval ‘het hof’ worden gelezen. Aanvullingen van het hof worden niet-cursief weergegeven.

Ontnemingsvordering

Het Openbaar Ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 93.536,85. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 74.171,58 en dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag, conform de beslissing van de rechtbank.

Grondslag van de ontneming

De betrokkene is bij arrest van dit hof van 1 juli 2026 (parketnummer: 21-000081-25) veroordeeld voor:
  • het voorhanden hebben van hennep (‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’), begaan op 28 september 2022 (feit 1);
  • diefstal van elektriciteit (‘diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking’), begaan in de periode van 10 januari 2022 tot en met 28 september 2022 (feit 2);
  • het voorhanden hebben van kweekbenodigdheden (‘stoffen en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten’), begaan op 28 september 2022.
Het tweede lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) biedt een grondslag voor het ontnemen van voordeel dat is verkregen uit andere strafbare feiten waarvoor geldt dat er voldoende aanwijzingen zijn dat die andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan.
Het hof heeft in het arrest in de onderliggende strafzaak vastgesteld dat op 28 september 2022 in de woning van de betrokkene een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene financieel voordeel heeft genoten uit andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan. Concreet uit het telen en verkopen van hennep van eerdere oogsten. De opbrengst daarvan kan worden aangemerkt als voordeel in de zin van artikel 36e Sr.
De op de dag van de het aantreffen aangetroffen hennep is vernietigd. Deze hennep heeft betrokkene dus geen voordeel opgeleverd.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel [1]
Voornoemd arrest en de daarin gegeven bewijsbeslissingen evenals de hieronder uitgewerkte redengevende feiten en omstandigheden vormen voor zover hier van belang voor het hof het uitgangspunt voor de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de vaststelling dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de betrokkene uit andere strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. [2]
Uit het strafdossier, het arrest in de onderliggende strafzaak en het rapport van [benadeelde 1] vloeien voldoende aanwijzingen dat de kweekperiode in de hennepkwekerij te [plaats] op 10 januari 2022 is gestart en dat er meerdere keren is gekweekt en geoogst. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
In het rapport wordt uitgegaan van drie gerealiseerde oogsten. Uit de analyse van netbeheerder [benadeelde 1] is gebleken dat veroordeelde in de periode van:
  • 10 januari 2022 tot en met 15 januari 2022 een incomplete kweekperiode heeft gehad;
  • 31 januari 2022 tot en met 29 maart 2022 een volledige kweekperiode heeft gehad;
  • 28 april 2022 tot en met 21 juni 2022 een volledige kweekperiode heeft gehad;
  • 3 augustus 2022 tot en met 25 september 2022 een volledige kweekperiode heeft gehad. [3]
Door veroordeelde wordt een hoeveelheid van drie kweekperiodes niet betwist. Hij heeft weliswaar aangegeven dat de tweede oogst mislukt is, maar dit is niet gestaafd door enig bewijsmiddel.Nu op basis van het opsporingsonderzoek onvoldoende aannemelijk is geworden hoeveel planten er per oogst zijn gekweekt per ruimte, neemt het hof het rapport
indicatie voorgaande kweken van netbeheerder [benadeelde 1]als uitgangspunt, en gaat het hof – evenals de rechtbank – uit van drie gerealiseerde oogsten met het aantal planten en indeling van de kweekruimtes zoals aangetroffen op 28 september 2022.
In het rapport worden daarbij ook de gebruikte koolstoffilters, de gebruikte lampen, de op kalk gelijkende afzetting, de hennepresten op de droognetten, het aantreffen van hennepresten op de cannacutter en een knipschaar en het stof op de voorwerpen betrokken voor het uitgangspunt van meerdere oogsten. [4]
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ziet er als volgt uit:
Kweekruimte 1: 10,6m2 groot, 9 planten per m2 = 95 planten.
Opbrengst per plant 30,9 gram.
Prijs per kilo hennep euro € 4.070,-.
Opbrengst per oogst: 95 x 30,9 gram x € 4.070,- = € 11.947,49 per oogst.
Opbrengst 3 oogsten = € 35.842,46.
Kosten: per oogst € 880,55 (zonder elektriciteitskosten), voor 3 oogsten € 2.641,65.
Kweekruimte 2: 12,4 m2 x 15 planten = 186 planten.
Opbrengst per plant 28,2 gram
Prijs per kilo hennep euro € 4.070,-
Opbrengst per oogst: 186 x 28,2 gram x € 4.070,- = € 21.347,96 per oogst.
Opbrengst 3 oogsten: € 64.043,89.
Kosten: per oogst € 1.580,34 (zonder elektriciteitskosten), voor 3 oogsten € 4.741,02.
Aftrek aangetroffen en inbeslaggenomen henneptoppen 1,56 kilo x € 4.070,- = € 6.349,20.
WVV
Kweekruimte 1
Kweekruimte 2
Totaal
Opbrengst voor 3 oogsten
€ 35.842,46
€ 64.043,89
€ 99.886,35
Kosten
€ 2.641,65
€ 4.741,02
€ 7.383,67
Aftrek inbeslaggenomen henneptoppen
€ 6.349,20
WVV berekend
€ 86.153 48
De rechtbank gaat uit van deze berekening. [5]
Het verweer van de verdediging dat de hennepkwekerij van meerdere personen was en dat de winst met meerdere personen is gedeeld, is onvoldoende aannemelijk geworden. Hetgeen de raadsman heeft aangedragen over de mogelijke betrokkenheid van andere personen en dat die personen ook hebben gedeeld in de opbrengsten, is onvoldoende feitelijk en concreet onderbouwd en geeft het hof geen aanleiding om anders te beslissen. Zo zijn de berichten in de telefoon van verachte waar door de raadsman op is gewezen, onvoldoende concreet om daaruit af te leiden dat de persoon die de betrokkene berichten gestuurd heeft daadwerkelijk mede-eigenaar was van de hennepkwekerij. Hetzelfde geldt ten aanzien van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht over de ongeldigheid van het rijbewijs van de betrokkene in de periode van de opbouw van de kwekerij en de verklaring van [naam] over het waarnemen van ongure types in de straat in 2021 of langer geleden. De inhoud van het ontnemingsdossier bevat aanwijzingen dat mogelijk andere mensen op enige wijze betrokken zijn geweest bij de handelingen van de betrokkene met betrekking tot de door hem gerunde hennepkwekerij, maar het dossier bevat onvoldoende concrete aanwijzingen dat anderen hebben gedeeld in de opbrengsten van die hennepkwekerij.
Aftrek vordering [benadeelde 1]
Artikel 36e, zesde lid, Wetboek van Strafrecht luidt als volgt: “Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht.” [6] De regeling van art. 36e, zesde lid, Sr beoogt te voorkomen dat iemand hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel meermalen zou moeten terugbetalen.
Het hof heeft bij arrest van 1 juli 2026 de vordering van [benadeelde 1] ter hoogte van € 11.981,90 toegewezen. Daarbij heeft te gelden dat op de oorspronkelijke vordering van € 13.131,50 door de betrokkene inmiddels € 1.150,- aan [benadeelde 1] is betaald.
Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt daarmee:
€ 86.153,48 - € 11.981,90 = € 74.171,58.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Gelet op de ter terechtzitting naar voren gekomen persoonlijke omstandigheden van de betrokkene, waaronder zijn financiële draagkracht, acht het hof geen gronden aanwezig om het door de betrokkene te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte bedrag. Betrokkene heeft weliswaar schulden, maar is aan het werk en kan daarmee in zijn onderhoud voorzien. Het hof ziet daarin reden er vanuit te gaan dat hij nog over voldoende verdiencapaciteit beschikt zodat redelijkerwijs te verwachten is dat betrokkene in de (nabije) toekomst in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen.
Het hof stelt daarom de verplichting tot betaling aan de Staat vast op het hiervoor genoemde bedrag.

Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast zoals het gold op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 74.171,58 (vierenzeventigduizend honderdeenenzeventig euro en achtenvijftig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 74.171,58 (vierenzeventigduizend honderdeenenzeventig euro en achtenvijftig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 741 dagen.
Aldus gewezen door
mr. A.J. Smit, voorzitter,
mr. G. Mintjes en mr. D. Stikkelbroeck, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffier,
en op 1 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland met nummer [nummer] , gesloten op 2 december 2022. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 juli 2026 onder parketnummer 21000081-25.
3.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht, pagina 7.
4.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht, pagina 10.
5.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht, pagina’s 11 t/m 14.
6.Het hof merkt op dat desbetreffende tekst inmiddels in artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht staat opgenomen.