ECLI:NL:GHARL:2026:4569

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
21-001227-22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 11a OpiumwetArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen grootschalige methamfetamineproductie en diefstal elektriciteit

De verdachte stelde een deel van zijn sportschool in Vroomshoop ter beschikking voor de grootschalige productie van methamfetamine in een verborgen drugslaboratorium. Hij had een aanzienlijke faciliterende en uitvoerende rol bij de opbouw en productie, onderhield intensieve contacten met betrokkenen en was medepleger van de diefstal van elektriciteit ten behoeve van het lab.

Naast de productie van methamfetamine pleegde de verdachte voorbereidingshandelingen voor een hennepkwekerij en had hij een vuurwapen met munitie in bezit. De rechtbank veroordeelde hem tot 36 maanden gevangenisstraf, maar het gerechtshof vernietigde dit vonnis en deed opnieuw recht.

Het hof achtte de verdachte strafbaar voor medeplegen van de productie van methamfetamine, diefstal van elektriciteit en wapenbezit. Gelet op de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn slechte gezondheid en het ontbreken van justitiële antecedenten, en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, legde het hof een gevangenisstraf van 32 maanden op, waarvan 16 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met aftrek van voorarrest.

De verdachte werd vrijgesproken van niet bewezen verklaarde feiten. Het hof benadrukte de maatschappelijke gevaren van methamfetamine en het belang van het tegengaan van drugslabs, zeker gezien de nabijheid van een kinderopvang in hetzelfde bedrijfsverzamelgebouw.

De straf weerspiegelt de zware verantwoordelijkheid van de verdachte als medepleger en zijn betrokkenheid bij de productie en faciliteiten van synthetische drugs en wapenbezit.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 32 maanden gevangenisstraf, waarvan 16 maanden voorwaardelijk, voor medeplegen van methamfetamineproductie, diefstal van elektriciteit en wapenbezit.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001227-22
Uitspraakdatum: 14 juli 2026
Tegenspraak
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo , van 23 maart 2022 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 08-274981-20, 08-015195-22 en 08-090465-19, van de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank Overijssel.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 30 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen bij de rechtbank.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof de verdachte voor de 6 aan hem ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 1002 dagen, waarvan 501 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Verder heeft het gerechtshof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsman,
mr. J. Michels, hebben aangevoerd op de zitting van het gerechtshof.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank. In dat vonnis heeft de rechtbank de verdachte voor de 6 aan hem ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.
Het gerechtshof komt in dit arrest op onderdelen tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Overijssel. Het gerechtshof vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zittingen van de rechtbank Overijssel van 7 mei 2021 en 4 februari 2022 is de tenlastelegging gewijzigd. Aan de verdachte is na deze wijzigingen ten laste gelegd:
in de zaak met het parketnummer 08-274981-20 dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 25 oktober 2020 tot en met 1 november 2020 te
[plaats] , gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht
en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft
gehad, een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, zijnde
methamfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2020 tot en met
1 november 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, zijnde methamfetamine, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden en/of te bevorderen, hebbende verdachte en/of zijn mededaders voorhanden gehad:
- een of meerdere liter(s) BMK (benzylmethylketon, 1-fenyl-2-propanon) en/of methanol
en/of aceton en/of ammoniak en/of ethylacetaat en/of zoutzuur en/of methylamine (in
methanol) en/of 2-broom-1-fenyl-1-propanon (in tolueen met een relatief lage concentratie
dichloormethaan) en/of
- een of meerdere kilo(s) wijnsteenzuur en/of caustic soda en/of MAPA en/of kwikchloride en/of
- een of meerdere trechter(s) en/of een of meerdere manuele en/of elektrisch
vloeistofpomp(en) en/of een of meerdere klemdekselvat(ten) en/of een of meerdere slang(en) en/of een of meerdere afvoerslangen en/of een of meerdere slakkenhuizen en/of een of meerdere regentonnen en/of een of meerdere kuipen en/of een of meerdere slangenklemmen en/of een of meerdere halfgelaatsmaskers en/of een of meerdere ijsemmers en/of een of meerdere diepvrieskist(en) en/of een of meerdere maatbeker(s) en/of een of meerdere centrifuge(s) en/of een of meerdere zuurkoolvat(en) en/of een of meerdere (digitale) pH-meter(s) en/of een of meerdere zeef/zeven en/of een of meerdere kwikthermoter(s) en/of een of meerdere alcoholthermometer(s) en/of een of meerdere balans(en) en/of een of meerdere digitale thermometer(s) en/of een of meerdere heater(s) en/of een of meerdere elektrische verwarmingsmantel(s) en/of een of meer (elektra)schakelbord(en) en/of
- een of meerdere (RVS) pan(nen) en/of een of meerdere braadpannen en/of een of meerdere
keramische kookplaten, in elk geval enig(e) goed(eren),
waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);
3.
hij op of omstreeks 1 november 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] . tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid stroom/elektriciteit, in
elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde, te weten aan [bedrijf] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de
toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen
goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,
verbreking en/of inklimming (door een of meer (ijk)zegel(s) en/of het deksel van de
elektriciteitsmeter te verbreken en/of verwijderen en/of (vervolgens) een
elektriciteitsaansluiting aan de boven- en/of buitenzijde, in elk geval buiten de meter om, te
maken);
in de zaak met het parketnummer 08-090465-19 dat:hij op of omstreeks 1 oktober 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen stoffen en/of voorwerpen heeft bereid,
bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd,
vervaardigd of voorhanden gehad, te weten
- twee, althans een aantal, met teelaarde gevulde bakken en/of
- 52, althans een aantal, assimilatielampen en/of
- een slakkenhuis en/of
- drie, althans een aantal, koolstoffilters
- twee, althans een aantal, watervaten (inhoud 525 liter)
- een aantal zakken teelaarde
waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden
dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid
van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;
in de zaak met het parketnummer 08-015195-22 dat:
1.
hij in of omstreeks 1 januari 2017 tot en met 1 november 2020 te [plaats] , gemeente
[gemeente] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
een pistool, van het merk Walther, model P22, kaliber .22LR, zijnde een vuurwapen in de
vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of drie daarbij behorende patroonmagazijnen voorhanden heeft gehad;
2.
hij in of omstreeks 1 januari 2017 tot en met 1 november 2020 te [plaats] , gemeente
[gemeente] munitie van categorie 111 van de Wet wapens en munitie, te weten
21 kogel patronen van het kaliber .22LR voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

De verdachte heeft op de zitting in hoger beroep bekend de aan hem ten laste gelegde feiten te hebben gepleegd, met uitzondering van de diefstal van elektriciteit. De verdediging heeft op de zitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van dat feit en heeft verder enkel betwist dat de verdachte medepleger is geweest van de productie van MDMA, op nader in de schriftelijke pleitnota aangevoerde gronden. Volgens de verdediging was enkel sprake van medeplichtigheid aan de productie van MDMA.
Het gerechtshof is van oordeel dat hetgeen aldus door de verdachte en de verdediging is aangevoerd wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze in geval van cassatie zullen worden opgemaakt in een aanvulling op dit arrest. Het gerechtshof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen.
De bewijsvoering van het gerechtshof zal grotendeels overeenkomen met de bewijsmiddelen en de bewijsredenering van de rechtbank met betrekking tot de nu door de verdachte en de verdediging betwiste aspecten van de zaak.
In de kern acht het gerechtshof met name redengevend hetgeen de verdachte op de zitting in hoger beroep heeft verklaard over het bereiken van een omslagpunt in zijn denken en handelen op het moment dat hem duidelijk was dat er in plaats van een wietplantage een drugslab in de ruimte in de sportschool werd opgezet en dat hij toen ook daaraan zijn (verdere) medewerking heeft verleend.
Het gerechtshof concludeert, net zoals de rechtbank, dat verdachte een rol als medepleger had bij de productie van MDMA. Zijn rol ging verder dan het tegen betaling, als eigenaar van de sportschool, ter beschikking stellen van de ruimte waar het drugslab werd op gezet. Met betrekking tot zowel het medeplegen van de productie van methamfetamine als het samen met anderen afnemen van elektriciteit buiten de meter om, overweegt het gerechtshof in dit verband dat de verdachte op de zitting in hoger beroep heeft verklaard dat anderen dan hijzelf en de eigenaar van het door hem gehuurde (sportschool)pand maar op één manier binnen konden komen in de sportschool en dat was via hem, de verdachte. Voor iedere beweging van personen in of uit de sportschool (na sluitingstijd) voor gebruik van het drugslab was de aanwezigheid van de verdachte nodig. Dit wordt ondersteund door de aanwezigheid van de verdachte in de sportschool op het moment van de inval door de politie samen met “de koks” en de persoon die de koks in de gaten hield.
De verdachte heeft spullen voor het drugslab de sportschool ingebracht. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte hierover gezegd dat hij van de spullen die hij zelf mee naar binnen nam ook wel door had dat die niet bij een hennepplantage hoorden.
Ook van belang acht het gerechtshof dat de koks die de MDMA in het lab gingen bereiden ( [naam] en [naam] ) naar de verdachte en zijn vrouw zijn gebracht. Zij hebben hen onderdak geboden en de verdachte heeft hen vervolgens naar de sportschool gebracht.
Onder die omstandigheden kan het feit dat de verdachte niet zelf heeft bijgedragen aan het feitelijke bereiden van de MDMA, niet afdoen aan het oordeel van het gerechtshof dat de verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de productie van methamfetamine en het samen met anderen afnemen van elektriciteit buiten de meter om.
Het gerechtshof stelt ten aanzien van de diefstal van elektriciteit nog vast dat [bedrijf] in de aangifte heeft vermeld dat buiten de hoofdveiligheid in de aansluitkast een leiding is aangelegd. Dit betekent dat het niet anders kan zijn dan dat verbrekingshandelingen aan ijkzegels en/of de deksel van de elektriciteitsmeter zijn verricht om deze leiding aan te kunnen leggen.
Over de diefstal van elektriciteit heeft de verdachte op de zitting in hoger beroep verklaard dat dit in overleg met hem plaatsvond en dat hij dus wist dat er illegaal elektriciteit werd afgenomen. Hij heeft niet zelf de omleiding aangelegd. Nu de verdachte de verantwoordelijkheid voor het verbruik van elektriciteit had en intensief betrokken was bij het (draaien van) het drugslab, duidt dergelijk overleg en de wetenschap bij de verdachte naar het oordeel van het gerechtshof op betrokkenheid van de verdachte zodanig dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking. De verdachte had zodoende een rol als medepleger bij de diefstal van de elektriciteit, niet als medeplichtige.
Op grond van het bovenstaande verwerpt het gerechtshof het gevoerde bewijsverweer.

Bewezenverklaring

Het gerechtshof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in de zaak met het parketnummer 08-274981-20 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met het parketnummer 08-090465-19 en in de zaak met het parketnummer 08-015195-22 onder 1 en 2 aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
08-274981-20:1.
hij in de periode van 30 oktober 2020 tot en met 1 november 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft bereid en bewerkt en verwerkt een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, zijnde methamfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 1 november 2020 te [plaats] , gemeente
[gemeente] , tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of
vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken en
verwerken, van een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, zijnde
methamfetamine, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1,
voor te bereiden en te bevorderen, voorhanden heeft gehad voorwerpen en stoffen, te weten:
- meerdere liters BMK (benzylmethylketon, 1-fenyl-2-propanon) en methanol, aceton,
ammoniak, ethylacetaat, zoutzuur, methylamine (in methanol) en 2-broom-1-fenyl-1 -propanon (in tolueen met een relatief lage concentratie dichloormethaan) en
- meerdere kilo’s wijnsteenzuur en caustic soda en MAPA en kwikchloride en
- meerdere trechters, meerdere manuele en elektrische vloeistofpompen, meerdere
klemdekselvaten, meerdere slangen, meerdere afvoerslangen, meerdere slakkenhuizen, meerdere regentonnen, meerdere kuipen, meerdere slangenklemmen, meerdere halfgelaatsmaskers, meerdere ijsemmers, een diepvrieskist, meerdere maatbekers, meerdere centrifuges, een zuurkoolvat, en een of meerdere (digitale) pH-meters, meerdere zeven, meerdere kwikthermometers, een alcoholthermometer, meerdere balansen, een digitale thermometer, meerdere heaters, meerdere elektrische verwarmingsmantels en een (elektra)schakelbord en
- meerdere (RVS) pannen, meerdere braadpannen en meerdere keramische kookplaten,
waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten of ernstige redenen hadden te
vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;
3.
hij op of omstreeks 1 november 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met anderen een hoeveelheid elektriciteit, die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoort, te weten aan [bedrijf] , heeft weggenomen, met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking, door een of meer ijkzegel(s) en/of het deksel van de elektriciteitsmeter te verbreken en/of verwijderen en vervolgens een elektriciteitsaansluiting buiten de meter om te maken;
08-090465-19:hij op 1 oktober 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , voorwerpen voorhanden heeft gehad, te weten twee met teelaarde gevulde bakken, 52 assimilatielampen, een slakkenhuis, drie koolstoffilters, twee watervaten (inhoud 525 liter) en een aantal zakken teelaarde, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;
08-015195-22:1.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 1 november 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] , een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Walther, model P22, kaliber .22LR, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en drie daarbij behorende patroonmagazijnen voorhanden heeft gehad;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 1 november 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] , munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 21 kogelpatronen van het kaliber .22LR, voorhanden heeft gehad.
Het gerechtshof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlasteleggingen die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten

Het bewezen verklaarde is strafbaar en levert op:
08-274981-20 onder 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
08-274981-20 onder 2:
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
08-274981-20 onder 3:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
08-090465-19:
voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;
08-015195-22 onder 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
08-015195-22 onder 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat de verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het gerechtshof rekening met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte.
Met betrekking tot de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk bereiden, bewerken en verwerken van methamfetamine en aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van methamfetamine en hennep. Het gerechtshof beschouwt de verdachte als degene die aan de wieg heeft gestaan van het drugslab in de sportschool en verenigt zich verder met wat de rechtbank in de strafmotivering in het vonnis heeft overwogen:
“Verdachte heeft een deel van zijn sportschool ter beschikking gesteld voor de grootschalige productie van methamfetamine. In de sportschool is een zeer omvangrijk drugslaboratorium opgebouwd in een daartoe gecreëerde verborgen ruimte. Verdachte onderhield bovendien intensieve contacten met andere bij het lab betrokken personen. Verdachte heeft een aanzienlijke faciliterende en uitvoerende rol gehad bij (de opbouw van) het drugslab en de voorbereiding van de productie. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. Hij heeft bovendien elektriciteit weggenomen(samen met anderen, ten behoeve van het drugslab, zo voegt het gerechtshof hieraan toe).
Dit alles heeft er in geresulteerd dat in de sportschool van verdachte op grote schaal methamfetamine kon worden geproduceerd. Dat er slechts een geringe hoeveelheid methamfetamine is aangetroffen doet daar niet aan af. Tijdig ingrijpen door de politie heeft de productie van een grote hoeveelheid voorkomen.
Voor wat betreft de stof methamfetamine (…) kan worden gesteld dat dit wellicht de meest gevaarlijke drug is die momenteel op de markt wordt gebracht. (…) Methamfetamine werkt bijzonder verslavend en deze drug heeft op de mens een bijna verwoestende uitwerking. Met een aan drugs verslaafde zoon zou verdachte dit als geen ander moeten weten. De grondstoffen van methamfetamine zijn bijzonder schadelijk voor de volksgezondheid en ook het milieu. Van de productie van synthetische drugs is bovendien algemeen bekend dat dit steeds meer gepaard gaat met andere, ook zwaardere vormen van (milieu)criminaliteit.
Door zijn vergaande betrokkenheid is verdachte als medepleger verantwoordelijk voor de schade die door deze synthetische drug wordt veroorzaakt bij de gebruikers en de gevaren die de productie van deze synthetische drugs met zich meebrengt. Dit klemt temeer nu er in het bedrijfsverzamelgebouw waar de sportschool onderdeel van uitmaakte, ook een kinderopvang was gevestigd. Verdachte heeft die risico’s op de koop toe genomen en heeft gedacht op een voor hem eenvoudige manier wat geld bij te kunnen verdienen door zijn sportschool voor dit productieproces beschikbaar te stellen.
Daarbij komt dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van voorwerpen bestemd tot het plegen van hennepteelt. Verdachte was kennelijk bezig een hennepkwekerij op te zetten. Met zijn handelen heeft de verdachte de illegale hennepteelt en hennephandel willen faciliteren. Tot het telen van hennep is het niet gekomen door de oplettendheid en de doortastendheid van omwonenden en de verhuurder. Uit het voorgaande volgt dat verdachte de ernst, impact en risico's van (het produceren van) verdovende middelen niet lijkt te willen onderkennen.”;
  • de omstandigheid dat de verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dat vuurwapens een gevaar vormen voor de samenleving blijkt wel uit het feit dat er regelmatig vuurwapenincidenten plaatsvinden, ook met dodelijke afloop of met zwaar letsel tot gevolg. Aan dergelijke vuurwapenincidenten ligt niet zelden een drugsconflict ten grondslag. Dat de verdachte bezig is geweest om op legale wijze over een vuurwapen te beschikken, maakt dit niet anders. Het was hem immers al enige tijd duidelijk dat die weg voor hem niet open stond en hij heeft desondanks dit vuurwapen en de bijbehorende munitie onder zich gehouden;
  • de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht ter zake van delicten ingevolge de Wet wapens en munitie. In het geval van het voorhanden hebben van een wapen van categorie III van die wet kan in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van meerdere maanden worden opgelegd.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
 de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van
1 juni 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Ook overigens zijn geen justitiële antecedenten aanwezig die van substantieel belang kunnen zijn bij de strafoplegging;
 de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek op de zitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken. Hiervan zijn met name van belang de - positief te waarderen - proceshouding van de verdachte in hoger beroep en zijn slechte gezondheidstoestand.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof verder aansluiting gezocht bij de straffen die in gevallen vergelijkbaar met deze zaak - inclusief de weging van de persoonlijke omstandigheden - worden opgelegd.
Het gerechtshof stelt verder vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep. Het hoger beroep behoort namelijk in het algemeen te zijn afgerond met een einduitspraak binnen 2 jaren nadat het rechtsmiddel van hoger beroep is ingesteld. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is in hoger beroep derhalve aangevangen op 29 maart 2022, hetgeen in dit geval inhoudt dat de zaak op 29 maart 2024 behoorde te zijn afgerond. Nu dit niet het geval is, is er gerekend vanaf laatstgenoemde datum dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.
Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van de behandeling van het hoger beroep, welke overschrijding 2 jaren en ruim 3 maanden bedraagt, alsmede gelet op de proceshouding van de verdachte in hoger beroep, zijn huidige slechte gezondheidstoestand en het ontbreken van relevante justitiële antecedenten, ziet het gerechtshof aanleiding op te leggen een gevangenisstraf van 32 maanden, waarvan
16 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest.
De raadsman van de verdachte heeft in het kader van het door hem gevoerde strafmaatverweer geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het gerechtshof de oplegging van een andere strafmodaliteit aangewezen acht. Ook overigens is het gerechtshof niet gebleken van dergelijke feiten of omstandigheden.
Gelet op het bovenstaande zal het gerechtshof de opheffing van het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis bevelen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 2, 10, 10a en 11a van de Opiumwet, de artikelen
14a, 14b, 14c, 47, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en
55 van de Wet wapens en munitie. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 08-274981-20 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 08-090465-19 en in de zaak met parketnummer 08-015195-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 08-274981-20 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 08-090465-19 en in de zaak met parketnummer 08-015195-22 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
32 (tweeëndertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
16 (zestien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. J.A.M. Kwakman en mr. A. Meester, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 14 juli 2026.