ECLI:NL:GHARL:2026:4571

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
21-001361-22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging drugslabveroordeling met matiging gevangenisstraf wegens redelijke termijnoverschrijding

De rechtbank Overijssel veroordeelde de verdachte tot 36 maanden gevangenisstraf voor betrokkenheid bij een drugslab in een verborgen ruimte van een sportschool te Vroomshoop. De verdachte had een bewakings- en toezichthoudende rol en onderhield intensief contact met een medeverdachte.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigt de bewezenverklaring en het vonnis van de rechtbank, maar vernietigt het deel van het vonnis dat de strafmaat betreft. Het hof oordeelt dat de rechtbank de rol van de verdachte te zwaar heeft beoordeeld en legt een gevangenisstraf van 31 maanden op, met aftrek van voorarrest.

Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep van ruim twee jaar, matigt het hof de straf verder tot 28 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Het hof beveelt tevens de opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. De straf is gebaseerd op de Opiumwet en het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Gevangenisstraf van 28 maanden met aftrek van voorarrest wegens betrokkenheid bij drugslab, met matiging vanwege overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001361-22
Uitspraakdatum: 14 juli 2026
Tegenspraak
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 23 maart 2022 met het parketnummer 08-275004-20 in de strafzaak van de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [Geboortedatum] ,
wonende te [Woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank Overijssel.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 30 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen bij de rechtbank.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal,
inhoudende dat het gerechtshof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van
34 maanden, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.
Verder heeft het gerechtshof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsman, mr. U. Ural, is aangevoerd op de zitting in hoger beroep.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank. In dat vonnis heeft de rechtbank de verdachte voor de beide aan hem ten laste gelegde Opiumwetdelicten - samen met anderen opzettelijk een hoeveelheid methamfetamine bereiden, bewerken, verwerken en vervaardigen en het medeplegen van het voorhanden hebben van goederen ten behoeve van de productie van methamfetamine - veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.
Het gerechtshof is van oordeel dat de rechtbank Overijssel in dat vonnis op juiste gronden heeft beslist en bevestigt daarom dat vonnis, behalve voor zover het betreft de opgelegde gevangenisstraf. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het gerechtshof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre vernietigt het gerechtshof het vonnis.
Verder zal het gerechtshof het vonnis bevestigen, met verbetering en aanvulling van de bewijsgronden en met een aanvulling van de strafmotivering.
Verbetering van de bewijsgronden
De rechtbank heeft in het (promis-)vonnis de vindplaatsen van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen. Eén van die vindplaatsen is onjuist en behoeft daarom de volgende verbetering.
Als bewijsmiddel is onder meer gebruikt het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte. De rechtbank heeft verwezen naar de pagina's 010248 tot en met 010249.
Dat moet zijn: de pagina's 010240 en verder.
Verder heeft de rechtbank in de bewijsoverweging met betrekking tot de specifieke betrokkenheid / het medeplegen van de verdachte onder meer verwezen naar een passage uit het proces-verbaal zaaksdossier 01 van 8 april 2021 van [slachtoffer 1] , opgenomen in de pagina 010048. Het gerechtshof stelt vast dat deze vindplaats onderdeel is van het algemeen onderzoeksrelaas en dat de vindplaats van het brondocument is: document AH 104, pagina’s 010465 tot en met 010471.
Verder heeft de rechtbank DNA-bewijs gebruikt. Het gerechtshof zal de resultaten van het DNA-onderzoek, voor zover het DNA-sporen betreft die overeenkomen met het DNA van de verdachte,
nietgebruiken voor het bewijs.
De rechtbank heeft verder in het vonnis in onderdeel 4.3.6 - Algemene beschouwingen ten aanzien van de betrokkenheid bij het drugslab - onder meer overwogen dat de [medeverdachte] aan de spreekwoordelijke wieg van het drugslab in de sportschool (het gerechtshof begrijpt: de [sportschool] ) stond. Het gerechtshof kijkt daar anders tegenaan. Degene die aan de wieg van het drugslab in de sportschool stond, is naar het oordeel van het gerechtshof de [medeverdachte 1] geweest. Bij de [medeverdachte 1] is het namelijk allemaal begonnen. [medeverdachte 1] zocht naar een manier om geld te verdienen en informeerde bij anderen naar de mogelijkheden daarvoor. Vervolgens is het balletje gaan rollen en is het drugslab samen met anderen opgebouwd en in gebruik genomen in de [sportschool] .
Aanvulling van de bewijsgronden
De verdediging heeft op de zitting in hoger beroep algehele vrijspraak bepleit, op nader in de schriftelijke pleitnota aangevoerde gronden.
Het gerechtshof is van oordeel dat hetgeen aldus door de verdediging is aangevoerd wordt weerlegd door de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (met uitzondering van het DNA-bewijs). Het gerechtshof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen.
Aanvullend stelt het gerechtshof vast dat het onderzoek in hoger beroep nog een extra element heeft opgeleverd dat het door de verdachte opgevoerde alibi voor zijn aanwezigheid op de plaats van het delict heeft ontkracht. Het gaat dan om de verklaring die de getuige
[dochter] , de (stief)dochter van de [medeverdachte 1] , op 7 juli 2025 heeft afgelegd bij de raadsheer-commissaris. In die verklaring heeft zij ontkend destijds een relatie te hebben gehad met de verdachte. Het gerechtshof gaat uit van hetgeen deze getuige aldus heeft verklaard, mede nu uit een afgeluisterd gesprek blijkt dat de verdachte zich zou kunnen voordoen als de vriend van bedoelde getuige “als ze komen”. [1] Uit datzelfde gesprek blijkt verder dat de verdachte zich niet als lid wenst in te schrijven bij de sportschool, omdat hij al “iets heeft; hij is [vriend] vriend”. Het gerechtshof concludeert ook op grond hiervan dat verdachte zijn reden voor aanwezigheid niet was gelegen in het hebben van een relatie met de dochter van de sportschooleigenaar. Overigens zou, ook als [vriendin verdachte] wel de vriendin van de verdachte was geweest, dit niet af kunnen doen aan de bewezenverklaring. In dat verband overweegt het gerechtshof in aanvulling op door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen aangaande de rol van de verdachte bij het drugslab, dat uit datzelfde gesprek ook nog blijkt dat de verdachte het door moet geven wanneer er buiten iets raars te ruiken is, want dan moeten er dingen aangepast worden. Er mag geen stank afkomen, wordt er besproken. Als er geen stank afkomt, kunnen we veilig doorgaan en dan kunnen we een jaar doorgaan, zegt de gesprekspartner van de verdachte. “Dat zou mooi zijn”, antwoordt de verdachte daarop.
“Het is wel goed geïsoleerd daar”, zegt de verdachte nog en wanneer de ander tegen hem zegt “Je zal merken, die geur is echt penetrant” en “Probeer nooit dingen te pakken zonder handschoenen”, reageert de verdachte: “Binnen ben ik alert”.
Ook blijkt uit dat gesprek, dat heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2020, dat de verdachte dan al vier dagen op de plaats van het delict is en dat hij er op moet letten of er drones in de buurt zijn.
Aanvulling van de strafmotivering
In aanvulling op de strafmotivering van de rechtbank overweegt het gerechtshof het volgende.
Het strafmaatverweer van de verdediging in hoger beroep
De verdediging heeft in hoger beroep bepleit dat het gerechtshof zal opleggen een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel overeenkomt met de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte een beperkte rol en betrokkenheid heeft gehad, dat de feiten inmiddels dateren van bijna 6 jaren geleden en dat de redelijke termijn aanzienlijk is overschreden. Tot slot heeft de verdediging gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Alles afwegende vond de rechtbank passend en geboden de oplegging van een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Naar het oordeel van het gerechtshof heeft de rechtbank de ernst van de bewezen verklaarde strafbare feiten - die ook zo is benoemd door de advocaat-generaal, in onderdeel 4 van het schriftelijk requisitoir - juist beoordeeld in de strafmotivering.
In die strafmotivering heeft de rechtbank de rol van de verdachte in de bewezen verklaarde strafbare feiten echter te zwaar beoordeeld, gelet op diens rol en betrokkenheid zoals de gerechtshof die ziet. Uitgangspunt voor het gerechtshof is daarom in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf van 31 maanden, met aftrek van het voorarrest. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de rol en de betrokkenheid van de verdachte kan daaraan naar het oordeel van het gerechtshof niet verder afdoen. De verdachte had naar het oordeel van het gerechtshof - anders dan de verdediging heeft aangevoerd - niet de laagst denkbare rol in het geheel. Integendeel: met name toen het erop aan kwam en er daadwerkelijk geproduceerd werd in het drugslab, is de verdachte de hele tijd aanwezig geweest op de plaats van het delict, heeft hij het drugslab permanent in de gaten gehouden en heeft hij de opdracht om informatie door te geven aan de [medeverdachte] , zodat daarop - zo nodig - actie kan worden ondernomen. Het gaat om handelingen van de verdachte die nodig zijn voor de heimelijke productie van methamfetamine. De ernst van de bewezen verklaarde feiten brengt naar het oordeel van het gerechtshof mee dat in deze zaak in beginsel niet kan worden volstaan met een lagere gevangenisstraf dan een gevangenisstraf van 31 maanden, met aftrek van het voorarrest.
De overschrijding van de redelijke termijn
Het gerechtshof stelt vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep. Het hoger beroep behoort namelijk in het algemeen te zijn afgerond met een einduitspraak binnen 2 jaren nadat het rechtsmiddel van hoger beroep is ingesteld.
De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is in hoger beroep derhalve aangevangen op 5 april 2022, hetgeen in dit geval inhoudt dat de zaak op 5 april 2024 behoorde te zijn afgerond. Nu dit niet het geval is, is er gerekend vanaf laatstgenoemde datum dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.
Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van de behandeling van het hoger beroep, welke overschrijding 2 jaren en ruim 3 maanden bedraagt, ziet het gerechtshof aanleiding de gevangenisstraf van 31 maanden, met aftrek van voorarrest, die het gerechtshof voornemens was op te leggen, te matigen tot een gevangenisstraf van
28 maanden, met aftrek van voorarrest. Gelet hierop zal het gerechtshof de opheffing van het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis bevelen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Wetsartikelen

De straf en is gebaseerd op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen
47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
28 (achtentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Beveelt de opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. J.A.M. Kwakman en mr. A. Meester, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 14 juli 2026.

Voetnoten

1.Pagina’s 010114 en 010115 van het politieonderzoek.