ECLI:NL:GHARL:2026:4572

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
21-001161-22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof matigt gevangenisstraf voor betrokkenheid drugslab in sportschool

De rechtbank Overijssel veroordeelde de verdachte tot 48 maanden gevangenisstraf voor zijn actieve rol bij het opbouwen en draaien van een drugslab in een verborgen ruimte van een sportschool in Vroomshoop. De verdachte stelde hoger beroep in tegen deze straf.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigt de bewezenverklaring van de feiten en de veroordeling, maar vernietigt het vonnis voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf. Het hof oordeelt dat de rechtbank de rol van de verdachte te zwaar heeft beoordeeld, aangezien de feitelijke initiatiefnemer een medeverdachte was. Het uitgangspunt is daarom een gevangenisstraf van 43 maanden, met aftrek van voorarrest.

Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase van ruim 2 jaar en 3 maanden, matigt het hof de straf verder tot 38 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. De overige onderdelen van het vonnis, waaronder de verbeurdverklaring van in beslag genomen voorwerpen, worden bevestigd. De verdachte heeft bekend en er is geen bewijsverweer gevoerd in hoger beroep.

De strafmotivering is aangevuld met een nadere beoordeling van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die destijds al bekend waren en geen strafverminderende rol spelen. Ook is de toepassing van artikel 63 Sr Pro besproken en verworpen als grond voor een lagere straf. De tenuitvoerlegging van de straf zal volledig in een penitentiaire inrichting plaatsvinden.

Het arrest is uitgesproken op 14 juli 2026 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Gevangenisstraf van 38 maanden met aftrek van voorarrest opgelegd voor betrokkenheid bij drugslab.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001161-22
Uitspraakdatum: 14 juli 2026
Tegenspraak
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 23 maart 2022 met het parketnummer 08-275035-20 in de strafzaak van de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [Geboortedatum] ,
wonende te [Adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank Overijssel.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 30 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen bij de rechtbank.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van
46 maanden, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.
Verder heeft het gerechtshof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsman,
mr. J.A. Schadd, hebben aangevoerd op de zitting in hoger beroep.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank. In dat vonnis heeft de rechtbank de verdachte voor de beide aan hem ten laste gelegde Opiumwetdelicten - samen met anderen opzettelijk een hoeveelheid methamfetamine bereiden, bewerken en verwerken en het medeplegen van het voorhanden hebben van goederen ten behoeve van de productie van methamfetamine - veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest. Verder heeft de rechtbank een aantal onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen verbeurdverklaard.
Het gerechtshof is van oordeel dat de rechtbank Overijssel in dat vonnis op juiste gronden heeft beslist en bevestigt daarom dat vonnis, behalve voor zover het betreft de opgelegde gevangenisstraf. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het gerechtshof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre vernietigt het gerechtshof het vonnis. Verder zal het gerechtshof het vonnis bevestigen, met verbetering van de bewijsgronden en met een aanvulling van de strafmotivering.
Verbetering van de bewijsgronden
De verdachte heeft ook in hoger beroep bekend de beide aan hem ten laste gelegde feiten te hebben gepleegd. De verdediging heeft in hoger beroep geen bewijsverweer gevoerd.
De rechtbank heeft in het (promis-)vonnis de vindplaatsen van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen. Een aantal van die vindplaatsen is onjuist en behoeft daarom de volgende verbetering.
In de bewijsoverweging met betrekking tot de specifieke betrokkenheid / het medeplegen van de verdachte en in de bewijsoverweging over het opzet van de verdachte heeft de rechtbank telkens onder meer verwezen naar onderdelen van de verklaring van de verdachte op de zitting van de rechtbank van 11 februari 2022. Dat moet zijn: de zitting van de rechtbank van 25 maart 2022.
In de bewijsoverweging met betrekking tot de specifieke betrokkenheid / het medeplegen van de verdachte heeft de rechtbank verder verwezen naar het deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut , opgenomen in de pagina's 010330 tot en met 010305 van het politieonderzoek. Dat moet zijn: de pagina's 010300 tot en met 010305.
De rechtbank heeft verder in het vonnis in onderdeel 4.3.6 - Algemene beschouwingen ten aanzien van de betrokkenheid bij het drugslab - onder meer overwogen dat de verdachte aan de spreekwoordelijke wieg van het drugslab in de sportschool (het gerechtshof begrijpt: de [sportschool] ) stond. Het gerechtshof kijkt daar anders tegenaan. Degene die aan de wieg van het drugslab in de sportschool stond, is naar het oordeel van het gerechtshof de [medeverdachte] geweest. Bij de [medeverdachte] is het namelijk allemaal begonnen. [medeverdachte] zocht naar een manier om geld te verdienen en informeerde bij anderen naar de mogelijkheden daarvoor. Vervolgens is het balletje gaan rollen en is het drugslab samen met anderen, onder wie de verdachte, opgebouwd en in gebruik genomen in de [sportschool] . Wel ziet het gerechtshof dat de verdachte een actieve rol speelde bij die opbouw en het ‘draaien’ van het drugslab.
Aanvulling van de strafmotivering
In aanvulling op de strafmotivering van de rechtbank overweegt het gerechtshof het volgende.
Het strafmaatverweer van de verdediging in hoger beroep
De verdediging heeft in hoger beroep bepleit dat het gerechtshof zal opleggen een gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest van 9 maanden en het overige deel voorwaardelijk is, met een proeftijd van
2 jaren. Hiertoe is aangevoerd dat in vergelijkbare zaken aanzienlijk lagere straffen worden opgelegd en dat geen lange(re) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd als sprake is van een forse schending van de redelijke termijn.
Verder heeft de verdediging gewezen op de werking van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), die in dit geval zou inhouden dat het gerechtshof nu nog maximaal
22 maanden gevangenisstraf kan opleggen., Dit gelet op tussentijdse veroordelingen van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden en tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden. Tot slot heeft de verdediging gewezen op de proceshouding van de verdachte en op diens persoonlijke omstandigheden.
De ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Alles afwegende vond de rechtbank passend en geboden de oplegging van een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Naar het oordeel van het gerechtshof heeft de rechtbank de ernst van de bewezen verklaarde strafbare feiten - die ook zo is benoemd door de advocaat-generaal, in onderdeel 4 van het schriftelijk requisitoir - juist beoordeeld in de strafmotivering. In die strafmotivering heeft de rechtbank de rol van de verdachte in de bewezen verklaarde strafbare feiten echter te zwaar beoordeeld. Oók volgens de strafmotivering van de rechtbank “stond de verdachte aan de wieg van het drugslab”.
Daar kijkt het gerechtshof - zoals hierboven al is gemotiveerd - anders tegenaan. Uitgangspunt voor het gerechtshof is daarom in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf van 43 maanden, met aftrek van het voorarrest. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de strafoplegging in vergelijkbare zaken, kan daaraan naar het oordeel van het gerechtshof niet afdoen. Iedere strafzaak dient te worden beoordeeld op de eigen merites van de zaak. De ernst van de bewezen verklaarde feiten brengt naar het oordeel van het gerechtshof mee dat in deze zaak in beginsel niet kan worden volstaan met een lagere gevangenisstraf dan een gevangenisstraf van 43 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Het gerechtshof stelt daarbij verder vast dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd, óók al aanwezig waren ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten. Destijds was hij ook al kostwinner in een gezin met twee minderjarige kinderen, onder wie een zoontje met een autisme spectrum stoornis die de nodige zorg en ondersteuning van hem nodig heeft. De verdachte kan daarom geacht worden die persoonlijke omstandigheden destijds welbewust op het spel te hebben gezet, ten bate van eigen financieel gewin. Die persoonlijke omstandigheden spelen daarom nu geen strafmatigende rol in de strafoplegging in hoger beroep.
De toepassing van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht
Artikel 63 Sr Pro bepaalt dat, ook bij niet gelijktijdige berechting van verschillende feiten die gelijktijdig hadden kunnen worden berecht, alsnog de samenloopbepalingen - in casu die van artikel 57 Sr Pro - moeten worden toegepast alsof sprake was van gelijktijdige berechting, gevoegde behandeling en één straf. Daarbij geldt de cumulatiebegrenzing zoals vermeld in artikel 57 Sr Pro. Die cumulatiebegrenzing leidt hier naar het oordeel van het gerechtshof niet tot de beperking van de gevangenisstraf die nu door het gerechtshof kan worden opgelegd op een wijze zoals door de verdediging is aangevoerd. Het gerechtshof baseert dit oordeel op het strafmaximum van 8 jaren gevangenisstraf dat in artikel 10 van Pro de Opiumwet is gesteld op opzettelijke overtreding van artikel 2 onder Pro b van de Opiumwet, het strafmaximum van 6 jaren gevangenisstraf dat in artikel 10a van de Opiumwet is gesteld op handelen in strijd met dat artikel, alsmede op artikel 47 Sr Pro.
Hetgeen de verdediging heeft bepleit met betrekking tot de werking van artikel 63 Sr Pro vindt geen steun in de wet. Uitgangspunt is immers niet enkel wat daadwerkelijk is opgelegd in de tussentijdse veroordelingen, maar wat naar het oordeel van het gerechtshof zou zijn opgelegd bij gelijktijdige berechting van de zaken, met een maximum als hiervoor omschreven.
De overschrijding van de redelijke termijn
Het gerechtshof stelt vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep. Het hoger beroep behoort namelijk in het algemeen te zijn afgerond met een einduitspraak binnen 2 jaren nadat het rechtsmiddel van hoger beroep is ingesteld.
De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is in hoger beroep derhalve aangevangen op 24 maart 2022, hetgeen in dit geval inhoudt dat de zaak op 24 maart 2024 behoorde te zijn afgerond. Nu dit niet het geval is, is er gerekend vanaf laatstgenoemde datum dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.
Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van de behandeling van het hoger beroep, welke overschrijding 2 jaren en ruim 3 maanden bedraagt, ziet het gerechtshof aanleiding de gevangenisstraf van 43 maanden, met aftrek van voorarrest, die het gerechtshof voornemens was op te leggen, te matigen tot een gevangenisstraf van
38 maanden, met aftrek van voorarrest. Gelet hierop zal het gerechtshof de opheffing van het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis bevelen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
38 (achtendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de opheffing van het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. J.A.M. Kwakman en mr. A. Meester, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 14 juli 2026.