ECLI:NL:GHARL:2026:4617

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
21-000741-26
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 311 SrArt. 326 SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen oplichting en diefstal met valse sleutel bij kwetsbare oudere

Verdachte werd beschuldigd van medeplegen van oplichting en diefstal in vereniging door middel van een valse sleutel, gepleegd op 9 januari 2026 tegen een 86-jarige man. Door zich voor te doen als bankmedewerker wist verdachte samen met anderen de bankpas, pincode en contant geld van het slachtoffer te verkrijgen.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht. Uit het onderzoek bleek dat verdachte zich bewust was van de oplichtingspraktijk en niet te goeder trouw handelde. Verdachte ontkende verantwoordelijkheid en toonde geen berouw.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van de feiten, de kwetsbaarheid van het slachtoffer, het strafblad van verdachte en het hoge recidiverisico. Het hof legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden op, met aftrek van het voorarrest. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot zeven maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor medeplegen van oplichting en diefstal met een valse sleutel.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000741-26
Uitspraakdatum: 15 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 2 maart 2026 met parketnummer 18-050519-26 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-254504-20, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 1 juli 2026 en wat op de zitting van de politierechter besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen door de advocaat-generaal en van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. N.D. Spijker, naar voren is gebracht.
Het vonnis
De politierechter heeft bij vonnis van 2 maart 2026, waartegen het hoger beroep is gericht:
  • verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde (oplichting in vereniging) en
  • aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd van zeven maanden, met aftrek van het voorarrest;
  • de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 18-254504-20 afgewezen.
Het hof gebruikt voor de bewezenverklaring deels andere bewijsmiddelen, komt tot een uitgebreidere bewijsmotivering, een deels andere bewijsbeslissing en een deels andere kwalificatie. Het hof vernietigt daarom het vonnis van de politierechter en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 9 januari 2026 te [plaats 1] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst,
het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het afgeven van een bankpas en/of pincode en/of een contant geldbedrag en/of sieraden, door
- naar die [slachtoffer] te bellen en/of
- zich voor te doen als een medewerker van de bank en/of
- aan te geven dat iemand de bankpas en/of een contant geldbedrag en/of sieraden zou komen ophalen en/of
- ( vervolgens) naar de woning van die [slachtoffer] te gaan en/of
- zich voor te doen als een medewerker van de bank en/of
- ( vervolgens) de bankpas en/of de pincode en/of een contant geldbedrag in ontvangst te nemen.
2.
hij op of omstreeks 9 januari 2026 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van de bankpas van die [slachtoffer] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Beoordeling van het tenlastegelegde

1.Standpunten van de procespartijen

1.1
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Hij acht de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen en overwegingen juist.
1.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft niet uitdrukkelijk om vrijspraak verzocht. Wel vraagt zij zich ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde af of sprake is van opzet en medeplegen, omdat ook aan verdachte een verhaal is voorgehouden.

2.Oordeel van het hof

2.1
De bewijsmiddelen
Het hof bezigt met betrekking tot hetgeen wordt bewezenverklaard de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen.
1. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 januari 2026, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PLO 100-2026008374 d.d. 18 februari 2026, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
Plaats delict: [adres 2]
Op donderdag 8 januari 2026 zag ik dat ik twee brieven van de [bank] had gekregen.Ik zag dat dit twee afzonderlijke brieven waren met een pincode die zou horen bij een betaalpas. Deze betaalpas hebben wij nooit ontvangen. Ook hebben wij nooit een nieuwe betaalpas aangevraagd. Ik heb direct de [bank] gebeld en ik hoorde dat zij die betaalpassen hebben geblokkeerd.
Op vrijdag 9 januari 2026 werd ik gebeld op mijn vaste nummer door een voor mij onbekend nummer. Deze persoon belde mij om 18.00 uur en hing rond een uur of 23.30 uur op.
Ik hoorde dat de man zei dat hij van de bank was. Ik hoorde dat de man aan mij vroeg of ik naar de bank in [plaats 2] kon komen. Ik gaf aan dat ik slecht ter been ben en ik met de sneeuw niet naar [plaats 2] kan komen. Ik hoorde de man zeggen dat hij alles voor mij ging regelen en dat alles goed kwam.
Ik hoorde dat de man vroeg of ik de computer aan kon doen. Ik hoorde dat hij zei dat ik naar mijn bankrekening moest gaan kijken. Hier is toen nog niks mee gebeurd.
Ik hoorde de man zeggen dat er zo een medewerker langs kwam voor mijn betaalpas. Ook zou hij contant geld en sieraden mee willen nemen, zodat hij deze in een kluis kon doen mocht er een keer worden ingebroken. Op de enveloppe zou moeten staan ' [naam 1] .
Omstreeks 20.00 uur kwam er een man aan de deur die aangaf van de bank te zijn.In de tussentijd had ik nog steeds de andere man aan de lijn. Ik liet de man binnen. Ik hoorde dat hij zei dat hij mijn bankpas kwam ophalen. Ik heb hem toen mijn bankpas overhandig voorzien van het [nummer] en de enveloppe met 300,00 euro.
Op zaterdag 10 januari 2026 werd ik gebeld door de [bank] . Ik hoorde de medewerker zeggen dat er op vrijdag 9 januari 2026 om 21.04 uur 1.000,00 euro is gepind bij de Geldmaat aan de [plein] te [plaats 1] .
2. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d.
18 februari 2026, opgenomen op pagina 35 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
V: Op deze bedoelde avond (het hof begrijpt: 9 januari 2026), omstreeks 21.00 uur, is er aan het [plein] (het hof begrijpt: te [plaats 1] ) geld opgenomen met een gestolen bankpas. Wat weet u hiervan?
A: Klopt, ik heb daar geld opgenomen met die bankpas. Ik heb toen 1.000,00 euro opgenomen.
V: Wij hebben de camerabeelden van deze geldautomaat bekeken, hieruit blijkt dat jij de geldopname hebt gepleegd. Jij ben duidelijk, door meerdere collega`s herkend. Reageer hier eens op.
A: Ja, dat klopt, ik heb gepind daar.
O: Wij tonen de verdachte de hierboven genoemde camerabeelden.
V: Herken jij jezelf op deze beelden?
A: Ja.
V: Hoe kwam jij aan de pinpas inclusief pincode?
A: Die pincode kreeg ik van [naam 2] .
V: Op welke moment gaf [naam 2] jou die pincode?
A: Nou, die oude mensen hadden mij ook een envelop gegeven. Ik denk dat de pincode daarin zat.
V: Is er aan de deur ook nog wat gezegd tussen die oude mensen en jou?
A: Nee, nee, niet met mij. Ik zag wel dat ze over de telefoon met iemand aan het praten waren.
V: Waar was [naam 2] op het moment toen u ging pinnen?
A: In de auto, ik zei nog tegen hem, waarom ga je zelf niet pinnen, maar dat wilde hij niet, omdat hij problemen had ofzo. Nadat ik 1.000,00 euro had gepind, vroeg hij aan mij of ik nog een keer 1.000,00 euro wilde pinnen. Ik zei toen dat ik dat wel wilde, maar toen ik dat probeerde werd de transactie afgewezen.
V: Nadat je het geld had gepind, wat hebben jullie toen gedaan?
A: (…) Ik probeerde een pakje sigaretten te kopen met de bankpas, maar dat lukte niet.
V: Je zegt nu dat er nog meer mensen bij waren, wie waren dit?
A: Naast [naam 2] en ikzelf, waren er nog vier mensen bij.
V: Vanaf welk moment waren zij er allemaal bij?
A: Vanaf het begin.
2.1
Oordeel van het hof
De verweren die in hoger beroep zijn gevoerd zijn in de kern gelijk aan hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht. De politierechter is tot de volgende bewijsoverweging gekomen voor het onder 1 tenlastegelegde (cursief opgenomen).
De politierechter twijfelt niet aan de verklaring van aangever. Hij stelt dat verdachte bij hem
aan de deur is geweest en zich heeft voorgedaan als iemand van de bank. De politierechter ziet dat als een significante bijdrage aan de oplichting. De oplichting had niet kunnen worden
voltooid zonder de bijdrage die verdachte daaraan heeft geleverd. Op grond van het dossier
en het onderzoek ter terechtzitting is de politierechter van oordeel dat verdachte door een samenweefsel van verdichtsels bij aangever een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen, waardoor deze is bewogen tot de afgifte van zijn bankpas met de pincode en een contant geldbedrag.
Het hof neemt deze bewijsoverweging van de politierechter over. In aanvulling daarop is het hof van oordeel dat verdachte daarnaast een valse hoedanigheid heeft aangenomen door zich bij aangever voor te doen als medewerker van de bank. En daarmee staat voor het hof ook vast dat verdachte geweten heeft onderdeel te zijn van een oplichtingspraktijk waarbij naar zijn zeggen meerdere mensen betrokken waren. Het door verdachte geschetste scenario,
dat inhoudt dat verdachte weliswaar in opdracht van ene [naam 2] een bankpas heeft opgehaald bij aangever maar in de veronderstelling verkeerde dat het de bankpas van [naam 2] ’s opa was, acht het hof niet aannemelijk. Bovendien blijkt uit het feit dat verdachte nadat hij de bankpas en de pincode had ontvangen en zelf ook geprobeerd heeft daarmee een pakje sigaretten te kopen dat hij niet te goeder trouw handelde.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op 9 januari 2026 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten het afgeven van een bankpas en pincode en een contant geldbedrag, door
- naar die [slachtoffer] te bellen en
- zich voor te doen als een medewerker van de bank en
- aan te geven dat iemand de bankpas en een contant geldbedrag en sieraden zou komen ophalen en
- vervolgens naar de woning van die [slachtoffer] te gaan en
- zich voor te doen als een medewerker van de bank en
- vervolgens de bankpas en de pincode en een contant geldbedrag in ontvangst te nemen.
2.
hij op 9 januari 2026 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
een geldbedrag dat geheel aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van de bankpas van die [slachtoffer] .
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van oplichting.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden, met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft het hof verzocht te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest van 36 dagen, omdat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur negatieve gevolgen heeft voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting en diefstal in vereniging met een pinpas van een man van 86 jaar. Door zich voor te doen als bankmedewerkers hebben verdachte en zijn medepleger(s) op doortrapte wijze aangever bewogen tot afgifte van de bankpas, de pincode en een contant geldbedrag. Dit gebeurde in de woning van aangever. Vervolgens heeft verdachte met de bankpas en de pincode van aangever een bedrag van € 1.000,00 gepind bij een pinautomaat. Verdachte heeft geen oog gehad voor het eigendomsrecht en veiligheidsgevoel van aangever, terwijl hij wist dat hij met een oude en daardoor kwetsbare man te maken had. Dergelijke oplichtingspraktijken, waarbij ouderen in hun eigen huis op een brutale wijze worden misleid, komen tegenwoordig veelvuldig voor en hebben een grote maatschappelijke impact. Ouderen voelen zich niet meer veilig thuis en hebben geen vertrouwen meer in het financiële verkeer. Dit soort ernstige feiten rechtvaardigen naar het oordeel van het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur.
Het hof stelt vast dat verdachte bij de politie en op de zitting van de politierechter heeft ontkend zich aan oplichting schuldig te hebben gemaakt. Hij heeft verklaard dat hij dit soort gedragingen waarbij kwetsbare personen slachtoffer worden ‘triest’ en ‘zielig’ vindt en dat hij zich niet met dit soort feiten zou inlaten. Het hof stelt vast dat deze verklaringen haaks staan op het bewezenverklaarde. Verdachte heeft op geen enkel moment verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden.
Persoon van verdachte
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op het strafblad van verdachte van 2 juni 2026. Hieruit volgt dat verdachte in het verleden veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Bovendien liep verdachte ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten in een proeftijd. Het hof weegt deze omstandigheden ten nadele van verdachte mee bij de straftoemeting.
Ook heeft het hof het reclasseringsadvies van 25 februari 2026 in aanmerking genomen.
Bij een veroordeling schat de reclassering het recidiverisico in als hoog. Verdachte is sinds 2017 op een veelplegerslijst geplaatst. Er is sprake van persoonlijkheidsproblematiek, PTSS en middelengebruik. Sinds een aantal jaar is verdachte in beeld bij het FACT-team van VNN voor methadon- en traumabehandeling en begeleiding. Verdachte woont zelfstandig met zijn negen katten en hond. Het hebben van zijn eigen woning wordt als een belangrijke beschermende factor gezien. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan mogelijk verlies van huisvesting betekenen. Verdachte komt rond van een uitkering.
Op de zitting van het hof heeft de raadsvrouw over de persoonlijke omstandigheden van verdachte naar voren gebracht dat hij momenteel veel op straat leeft en dat dit past bij zijn verslavingsproblematiek. De katten en hond zijn erg belangrijk voor verdachte.
Op te leggen straf
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten en neemt hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid. Verdachte heeft een fors strafblad en uit niets blijkt dat hij bereid is zijn gedrag te veranderen. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het beschikken over een eigen woning en de zorg voor zijn dieren, geen strafverminderende factoren. In dit verband weegt het hof ook mee dat uit het strafblad blijkt dat verdachte meerdere openstaande gevangenisstraffen heeft. De eerder opgelegde en geëxecuteerde straffen, de nog openstaande straffen en ook de door de Reclassering genoemde beschermende factoren weerhouden verdachte er niet van door te gaan met het plegen van strafbare feiten. De lijst van veroordelingen is lang en het strafdoel ‘speciale preventie’ verdwijnt daardoor meer en meer naar de achtergrond. In plaats daarvan zijn voor het hof bij de strafoplegging in deze zaak de strafdoelen generale preventie en vergelding zwaarwegender. Een deels voorwaardelijke straf als waarschuwing is niet meer aan de orde. Het hof acht op grond van het voorgaande een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht dient op deze straf in mindering te worden gebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering tot tenuitvoerlegging
In de zaak met parketnummer 18-254504-20 is verdachte op 12 oktober 2021 door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen , veroordeeld.
Aan verdachte is toen een gevangenisstraf opgelegd van vier weken, waarvan drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft het hof verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
Oordeel van het hof
Gezien de op te leggen gevangenisstraf in de onderhavige strafzaak acht het hof toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging niet opportuun. Het hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging daarom af.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 47, 57, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
7 (zeven) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Arrondissementsparket Noord-Nederland van 23 februari 2026, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 12 oktober 2021, parketnummer
18-254504-20, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.
Dit arrest is gewezen door mr. H.J. Deuring, mr. L.J. Hofstra en mr. J. Bijlsma,
in aanwezigheid van de griffier mr. J.J. Zieleman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 15 juli 2026.