ECLI:NL:GHARL:2026:4645

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
200.369.683/01 en 200.369.683/02
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArtikel 8 EVRMArtikel 7 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing kinderen wegens bedreigde ontwikkeling

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft een machtiging verleend om twee minderjarige kinderen uit huis te plaatsen voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 16 april 2027. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing, met name tegen de reguliere uithuisplaatsing, en wilde plaatsing in een gezinsgerichte accommodatie. Het hof oordeelt dat de machtiging rechtmatig is en bekrachtigt de beslissing van de kinderrechter.

De kinderen wonen bij de moeder, die een licht verstandelijke beperking heeft, en bij de grootouders. Er zijn ernstige zorgen over de opvoedingssituatie, waaronder pedagogische verwaarlozing, onderstimulatie, sociaal isolement en een bedreigde cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling. De moeder en de grootmoeder tonen weinig bereidheid tot samenwerking met hulpinstanties. Eerdere hulpverlening en maatregelen hebben onvoldoende verbetering gebracht.

De GI heeft haar primaire verzoek tot plaatsing in een gezinsgerichte accommodatie ingetrokken vanwege de medische situatie van de moeder, die een herseninfarct heeft gehad. Het hof onderschrijft de noodzaak van uithuisplaatsing en benadrukt dat de rol van de vader als gezaghebbende ouder nader onderzocht moet worden. De kinderen hebben behoefte aan een veilige en stabiele omgeving om zich optimaal te kunnen ontwikkelen.

Het hof wijst het beroep van de moeder af en bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing. De maatregel is nog niet uitgevoerd vanwege het ontbreken van een geschikte plek, maar het hof verwacht dat de GI zich hiervoor zal inspannen. De uithuisplaatsing is gerechtvaardigd ondanks de inbreuk op het recht op gezinsleven, omdat alternatieve minder ingrijpende maatregelen niet toereikend zijn.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling en wijst het beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.369.683/01 en 200.369.683/02
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 255855)
beschikking van 16 juli 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling,
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
die is gevestigd in Amsterdam,
verweerster in hoger beroep.
en
[de vader](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. R.A. Bruintjes te Leek,
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de oma](de oma (moederszijde)),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft een machtiging verleend om de kinderen uit huis te plaatsen, voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 16 april 2027. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2. De feiten
2.1
De ouders oefenen samen het gezag uit over [de minderjarige1] , geboren [in] 2012, en [de minderjarige2] , geboren [in] 2016.
2.2
Bij de moeder is een licht verstandelijke beperking vastgesteld. Zij heeft in 2016 een Wlz-VG4 indicatie gekregen.
2.3
Tot in 2017 woonden de kinderen samen met hun ouders in een 24-uurs zorginstelling (gezinshuis) voor mensen met een (verstandelijke) beperking: [naam1] .
De ouders van de moeder waren (mede)eigenaar van deze zorginstelling. In 2017 is de relatie tussen de vader en de moeder verbroken. De vader is ergens anders (begeleid) gaan wonen. [de minderjarige2] en [de minderjarige1] zijn bij de moeder, de opa en de oma (mz) blijven wonen. Halverwege 2024 is [naam1] op last van de Inspectie Gezondheidszorg (IGJ) gesloten. Tegen deze beslissing is door de oma beroep ingesteld, welke procedure nog loopt (de zitting was op 24 juni 2026).
2.4
De kinderen staan sinds 4 september 2019 onder toezicht van de GI. Deze maatregelen zijn nadien steeds verlengd.
2.5
Bij beschikking van 17 april 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De maatregel is niet ten uitvoer gelegd binnen drie maanden en is daardoor komen te vervallen.
2.6
Bij beschikking van 19 september 2025 is, naast de verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen tot 17 april 2026, de zorgregeling tussen de kinderen en de vader gewijzigd, in die zin dat de vader en de kinderen eens in de twee weken op de zaterdag van 10:00 uur tot 12:00 uur een contactmoment hebben onder begeleiding van [naam2] , waarbij de GI de regie heeft om de regeling (verder) uit te breiden.
De moeder heeft het door haar ingestelde hoger beroep tegen deze beslissing ingetrokken.
2.7
De moeder heeft op 31 mei 2026 een herseninfarct gekregen, waarvoor zij is opgenomen in het [ziekenhuis] . Inmiddels woont ze weer thuis.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1
De GI heeft de kinderrechter verzocht, bij verzoekschrift van 22 april 2026, om een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te verlenen,
primairin een gezinsgerichte accommodatie,
subsidiaireen reguliere uithuisplaatsing, voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2
Bij (tussen)beschikking van 3 april 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verlengd tot 13 mei 2026, en de beslissing voor het overige aangehouden.
3.3
Bij de bestreden beschikking van 1 mei 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd tot 16 april 2027, en de GI gemachtigd om de kinderen uit huis te plaatsen voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 16 april 2027.

4.De procedure bij het hof

4.1
De moeder is het niet eens met de bestreden beschikking van 1 mei 2026, voor zover die ziet op de (reguliere) uithuisplaatsing van de kinderen. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter op dat punt ongedaan maakt en het inleidend
primaireverzoek van de GI om een machtiging tot plaatsing in een gezinsgerichte accommodatie te verlenen alsnog toewijst.
4.2
De oma sluit zich aan bij het standpunt van de moeder.
4.3
De GI wil dat de beslissing, waarbij het inleidend
subsidiaireverzoek van de GI is toegewezen, in stand blijft. De GI staat niet meer achter haar inleidend
primaireverzoek nu de situatie is gewijzigd (zie hierna r.o. 5.6).
4.4
Ook de vader wil dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft.
4.5
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift met bijlage(n), ontvangen op 20 mei 2026;
  • de brief van de raad van 17 juni 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
  • een journaalbericht namens de moeder van 18 juni 2026 met bijlage(n);
  • een verweerschrift namens de vader;
  • een journaalbericht namens de moeder van 24 juni 2026 met bijlage(n);
  • een journaalbericht van mr. Pool van 25 juni 2026 met bijlage(n);
  • een verweerschrift van de GI met bijlage(n).
4.6
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben het hof laten weten dat zij niet op kindgesprek willen komen en niets willen schrijven.
4.7
De zitting bij het hof was op 30 juni 2026. Aanwezig waren:
  • de vader, bijgestaan door mr. S.M. Wolfert, waarnemend voor de advocaat;
  • de oma, bijgestaan door haar advocaat; en
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Het schorsingsverzoek(zaaknummer 200.369.683/02)
5.1
Omdat het hof nu uitspraak doet in de hoofdzaak heeft de moeder geen belang meer bij haar verzoek tot schorsing. Het hof zal de moeder daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar schorsingsverzoek.
De hoofdzaak(zaaknummer 200.369.683/01)
De wet
5.2
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] .
De uithuisplaatsing
5.3
Het hof ziet zich voor de vraag geplaatst of de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] rechtmatig en op goede gronden is gegeven. Het hof is van oordeel dat dit het geval is. Het hof neemt de overwegingen van de kinderrechter over, maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne en voegt daar het volgende aan toe.
5.4
De kinderen wonen samen met de moeder bij de opa en de oma (mz), waar ook andere familieleden verblijven. Uit het dossier blijken ernstige zorgen over meerdere opvoedingsaspecten in de thuissituatie van de kinderen. Volgens de raad is sprake van langdurige en ernstige problematiek, waarbij de kinderen in hun cognitieve en
sociaal-emotionele en mogelijk ook fysieke ontwikkeling worden bedreigd (raadsrapport van april 2025). Verschillende instanties ( [naam3] , [naam4] , [naam5] , [naam6] , school, de GI) hebben zorgen geuit over onder andere pedagogische verwaarlozing en onderstimulatie van de kinderen. Uit informatie afkomstig van IGJ blijkt dat sprake is van sociaal isolement van de kinderen, zorgen over hun leef- en slaapruimte, de context waarin zij opgroeien (tussen cliënten met beperkingen en gedragsproblemen), het gebrek aan begeleiding aan de moeder en de niet meewerkende houding vanuit [naam1] naar externe partijen. Er zijn in dit verband meerdere zorgmeldingen gedaan bij Veilig Thuis. Bij beide kinderen is sprake van een ernstige ontwikkelingsachterstand, die niet volledig verklaard kan worden door hun vastgestelde beperkingen. De moeder en de oma leggen de nadruk op belemmeringen en de zorgbehoefte van de kinderen en hebben weinig oog voor positieve ontwikkelingen. Dit heeft geleid tot veel medische onderzoeken, het toedienen en verhogen van medicatie, hulpmiddelen (zoals luiers en valhelmen) en schoolverzuim. [de minderjarige1] heeft - volgens de moeder en de oma vanwege haar menstruatieklachten - regelmatig lessen gemist. Een andere zorg is het eetpatroon van [de minderjarige2] , die lange tijd eenzijdige voeding (Nutridrink) kreeg, en zijn onbegrepen aanvallen. Hij staat onder controle bij het [ziekenhuis] , maar tijdens een opname in 2023 zijn er geen aanvallen gezien. [naam3] heeft pasgeleden aangegeven [de minderjarige2] een aantal weken te willen opnemen om zicht te krijgen of er daadwerkelijk sprake is van epilepsieaanvallen. [naam3] heeft hierover zorgen en twijfels geuit, aangezien tijdens eerder onderzoek geen aanvallen zijn waargenomen en ook elders (op school, bij de vader) niet. Dit is echter door de moeder en de oma geweigerd, vanwege de verslechterde gezondheid van de moeder. De kwetsbaarheid van de kinderen wordt daarnaast door de oma en de moeder gebruikt om de vader op afstand te houden. Afspraken worden regelmatig afgezegd en de omgang vindt al jaren beperkt in duur en onder begeleiding plaats, terwijl hiervoor geen duidelijke aanleiding is. Tot slot zijn er zorgen over de verwevenheid tussen familiebanden en zakelijke/financiële belangen. Het gezinshuis van (onder andere) de oma is op last van de inspectie gesloten vanwege het leveren van ontoereikende zorg. Echter, er wordt uit naam van [naam1] nog steeds hulp en zorg aangevraagd voor de kinderen (indicaties beschermd wonen en PGB-budgetten) en het is gebleken dat de oma via een andere constructie opnieuw betaalde 4-uurs zorg aan de moeder levert.
De jarenlange hulpverlening in zowel vrijwillig als gedwongen kader heeft niet tot een verbetering van de situatie geleid.
Er is sprake van verschil in visie, weerstand en wantrouwen bij de moeder en de oma en het lukt hen onvoldoende om pedagogische adviezen op te volgen. Er is volgens de raad een terugkerend patroon waarbij de moeder en de oma klachten indienen en bezwaarprocedures voeren (bij [naam5] , [naam4] , IGJ, de gemeente), waaruit blijkt dat zij onvoldoende kunnen reflecteren op eigen gedrag en niet openstaan voor feedback.
5.5
De kinderrechter heeft eerder (in april 2025) een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een voorziening voor een ouderschapsbeoordeling, vanwege - kort gezegd - zorgen over de opvoedingsvaardigheden en leerbaarheid van de moeder en de bepalende rol van de oma in de opvoeding. Die machtiging is echter vervallen door het verstrijken van de termijn. Bij (tussen)beschikking van 3 april 2026 heeft de kinderrechter geconcludeerd dat een verlenging van de ondertoezichtstelling op zichzelf genomen geen effectieve maatregel meer kan zijn om de beoogde doelen te behalen en aangestuurd op een opname van de moeder en de kinderen in een ouder-kind-huis. Na de intakeprocedure bij het ouder-kind-huis ( [naam7] ) is echter door de zorgaanbieder en de GI geconcludeerd dat de moeder, vanwege haar Wlz-indicatie en haar structurele en intensieve behoefte aan ondersteuning, niet in staat is om zelfstandig de dagelijkse zorg en opvoeding van de kinderen te dragen.
5.6
De GI heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij, vanwege de recente ontwikkelingen, niet meer achter haar primaire verzoek kan staan. Hoewel niet ter discussie staat dat de oma al sinds hun geboorte een grote rol heeft in de zorg en opvoeding van de kinderen, behoort ook een (eventuele) opname van de oma bij [naam7] , waarbij de moeder regelmatig zou langskomen (zoals voorgesteld door de zorgaanbieder), niet meer tot de mogelijkheden. De GI heeft aangegeven een dergelijke machtiging niet (meer) te zullen uitvoeren, nu de moeder vanwege haar medische situatie niet kan worden betrokken in het traject. De moeder heeft eind mei 2026 een herseninfarct gehad, is opgenomen geweest in het [ziekenhuis] en zit midden in het herstelproces. Er is sprake van ernstige beperkingen op communicatief gebied en het is op dit moment onduidelijk wat de gevolgen voor de langere termijn zullen zijn op haar functioneren. Daarnaast zijn de zorgen over de kinderen in de thuissituatie bij de moeder en de oma, zoals die ook volgen uit het inspectierapport van IGJ, onverminderd aanwezig. De moeder heeft meerdere kansen gekregen om mee te werken aan ambulante, pedagogische hulpverlening (IPG) of ouderschapsdiagnostiek door middel van een gezinsopname (bij [naam8] , [naam9] , [naam10] ), maar heeft dit, ook na schriftelijke aanwijzingen, afgewezen of zij voldeed niet aan de voorwaarden. Onder voornoemde omstandigheden, waarin in de moeder niet in staat is haar opvoedersrol te vervullen, is de GI van mening dat de positie van de vader, als gezaghebbende ouder, afzonderlijk en volwaardig moet worden beoordeeld. De vader wil al heel lang meer contact met de kinderen, stelt zich meewerkend op en de omgangsbegeleiding ( [naam2] ) ziet een positieve relatie tussen de vader en de kinderen. Hij is liefdevol, handelt adequaat en er worden geen belemmeringen voor uitbreiding van de omgang, of om deze onbegeleid te laten plaatsvinden, gezien, behalve om de vader te behoeden voor discussies met de oma en de moeder. Vooral de oma spreekt neerbuigend en negatief over de vader. De vader heeft een licht verstandelijke beperking, maar woont en redt zich zelfstandig en heeft de (woon)begeleiding positief afgesloten. De GI heeft de vader aangemeld bij [naam9] voor een ouderschapsbeoordeling, waar hij de kennismakingsweken inmiddels positief heeft afgerond. Vanuit [naam9] is geadviseerd om de kinderen eerst zes weken op een neutrale plek te laten wonen en het contact met de vader langzaam uit te breiden en de hechting te observeren. Daarna zou een opname kunnen starten.
5.7
Het hof is van oordeel dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat een machtiging tot uithuisplaatsing daarom noodzakelijk is.
Het hof deelt de zorgen van de GI, de raad en overige instanties over de opvoedingssituatie van de kinderen. Na zeven jaren ondertoezichtstelling is er nog steeds onvoldoende zicht verkregen, terwijl de signalen die uit het dossier naar voren komen over het welzijn en de ontwikkeling van de kinderen en de invloed van de oma binnen het gezinssysteem zeer verontrustend zijn.
Nu de noodzakelijk geachte ouderschapsbeoordeling van de moeder, dan wel (samen met) de oma, niet kan plaatsvinden en de eerder aangedragen mogelijkheden in dit verband door hen stelselmatig zijn afgewezen, is het hof van oordeel dat de belangen en veiligheid van de kinderen in hun opvoedsituatie onvoldoende zijn gewaarborgd. Het hof onderschrijft de door de GI ingeslagen weg, waarin wordt onderzocht wat de rol van de vader kan zijn in het leven van de kinderen. De kinderen hebben al veel onrust meegemaakt en zijn aangewezen op een veilige, stabiele en stimulerende opvoedingsomgeving, waar zij zich optimaal naar hun mogelijkheden kunnen ontwikkelen. Het voorgaande maakt dat het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen zal bekrachtigen.
5.8
Gebleken is dat de maatregel nog niet is uitgevoerd omdat geen (neutrale) plek voor de kinderen is gevonden waar zij samen kunnen verblijven. De GI heeft aangegeven dat het onduidelijk is of dit gaat lukken voordat de machtiging vervalt (na 1 augustus 2026). Het hof begrijpt dat het vinden van een geschikte plek lastig is, maar gaat ervan uit dat de GI zich hiervoor (verder) zal inzetten, in het bijzonder nu de maatregel die vorig jaar is afgegeven (ook) niet is uitgevoerd, terwijl de zorgen over de kinderen sindsdien alleen maar zijn toegenomen.
Het EVRM/IVRK
5.9
De moeder heeft aangevoerd dat sprake is van strijd met internationale en Europeesrechtelijke verdragen (artikel 8 EVRM Pro en het IVRK) en stelt onder andere dat eerst minder ingrijpende maatregelen moeten worden onderzocht die op de gezinssituatie van de moeder en de oma zijn gericht. Het hof is van oordeel dat de uithuisplaatsing van de kinderen weliswaar een inmenging vormt op het recht op gezinsleven en/of privéleven van de moeder en/of oma, maar dat die inbreuk bij wet is voorzien en in dit geval noodzakelijk wordt geacht in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat alternatieve en lichtere maatregelen niet toereikend zijn, mede door de afhoudende opstelling van de moeder en de oma. [naam7] ziet vanwege de medische situatie van de moeder geen mogelijkheden om haar op te nemen voor een ouderschapsbeoordeling en een constructie waarbij de oma wordt betrokken wordt ook niet (meer) in het belang van de kinderen geacht. Het hof merkt op dat de door de GI gekozen weg om de rol van de vader in het leven van de kinderen verder te onderzoeken, steun vindt in het in artikel 7 IVRK Pro vastgelegde recht van de kinderen om te worden verzorgd door (één van) hun ouders.

6.De beslissing

Het hof:
zaaknummer 200.369.683/02:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar schorsingsverzoek;
zaaknummer 200.369.683/01
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 1 mei 2026, over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.H.P. Selcraig, mr. L. van Dijk en mr. M. Kemmers, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 16 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.