ECLI:NL:GHARL:2026:4651

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
200.360.607
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:392 BWArt. 1:156 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging kinder- en partneralimentatie wegens onvoldoende inkomensinformatie man

De man en vrouw zijn in 2023 gehuwd en in 2025 gescheiden. De rechtbank Gelderland stelde in juli 2025 vast dat de man kinderalimentatie van €391 per kind per maand en partneralimentatie van €539 per maand aan de vrouw moet betalen.

De man ging in hoger beroep en verzocht om lagere alimentatiebedragen, maar leverde onvoldoende financiële gegevens aan om zijn draagkracht te onderbouwen. Het hof constateerde dat de man geen volledige inkomensoverzichten had verstrekt, ondanks eerdere waarschuwingen van de rechtbank.

Het hof ging daarom uit van de door de vrouw gestelde winst uit ondernemingen van €125.000 per jaar en de vastgestelde behoefte van de kinderen en vrouw. De man kon niet aantonen dat hij niet aan de alimentatieverplichtingen kon voldoen.

Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en compenseerde de proceskosten, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt. De beslissing werd op 16 juli 2026 uitgesproken.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de rechtbankbeslissing over kinder- en partneralimentatie wegens onvoldoende inkomensinformatie van de man.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.607
(zaaknummers rechtbank Gelderland 445550 en 448566)
over de kinderalimentatie voor
[minderjarige1], [minderjarige2] en
[minderjarige3]
en de partneralimentatie voor
[de vrouw]
beschikking van 16 juli 2026
in de zaak van
[de man](de man)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. G.J.P.C.G. Verheijen
en
[de vrouw](de vrouw)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. K.G.I.M. Schröder.

1.Samenvatting

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft op 29 juli 2025 beslist dat de man aan de vrouw moet betalen:
-vanaf 29 juli 2025 € 391,- per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1], [minderjarige2] en [minderjarige3]
-vanaf 29 juli 2025 als voorlopige voorziening € 539,- en vanaf 7 november 2025 (inschrijving van de echtscheiding) als definitieve regeling € 539,- per maand aan partneralimentatie.
Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw zijn op 8 augustus 2023 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 29 juli 2025 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 7 november 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
De man en de vrouw zijn de ouders van:
- [minderjarige1], geboren op [geboortedatum]
- [minderjarige2], geboren op [geboortedatum] en
- [minderjarige3], geboren op [geboortedatum]
hierna samen te noemen: de kinderen,
over wie de ouders samen het gezag hebben. De kinderen wonen bij de vrouw.
2.3.
De vrouw heeft daarnaast een kind uit een eerdere relatie: [minderjarige4], geboren op [geboortedatum].

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De vrouw heeft de rechtbank verzocht om een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (kinderalimentatie) van € 540,- per kind per maand en een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (partneralimentatie) van € 4.500,- bruto per maand.
3.2.
De man heeft verzocht om dat verzoek af te wijzen en te bepalen dat hij aan kinderalimentatie € 250,- per maand aan de vrouw betaalt, in twee delen op de eerste en de vijftiende van de maand, en ook het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud af te wijzen.
3.3.
De rechtbank Gelderland heeft beslist dat de man aan de vrouw moet betalen:
 vanaf 29 juli 2025 € 391,- per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging
en opvoeding van [minderjarige1], [minderjarige2] en [minderjarige3]
 vanaf 29 juli 2025 als voorlopige voorziening € 539,- en vanaf 7 november 2025 als
definitieve regeling € 539,- per maand aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar
levensonderhoud.
Deze beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als hoger beroep wordt ingesteld.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de kinder- en partneralimentatie. De man verzoekt de vastgestelde kinderalimentatie op een lager bedrag vast te stellen en de partneralimentatie op nihil vast te stellen.
4.2.
De vrouw voert verweer en zij vraagt het hof om de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, of de verzoeken van de man in eerste aanleg en in hoger beroep af te wijzen.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift met producties, ontvangen op 23 oktober 2025
- het verweerschrift met een productie
- de stukken van de vrouw, ingediend op 30 april 2026
- de stukken van de vrouw, ingediend op 8 juni 2026
- het stuk van de man, met toestemming van het hof ingediend op 11 juni 2026
- het stuk van de vrouw met toestemming van het hof ingediend op 23 juni 2026.
4.4.
De mondelinge behandeling heeft op 10 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat (de laatste via videoverbinding) en
- de vrouw met haar advocaat.

5.De overwegingen voor de beslissing

Wat staat in de wet?
5.1.
Ouders zijn verplicht tot het verstrekken van levensonderhoud aan hun minderjarige kinderen (artikel 1:392 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW))
5.2.
De rechter kan partneralimentatie vaststellen voor de echtgenoot die niet voldoende inkomsten heeft voor levensonderhoud en daarin in redelijkheid ook zelf niet kan voorzien (artikel 1:156 lid 1 BW Pro).
Oordeel hof
Algemeen
5.3.
Het hof merkt op dat de man in het beroepschrift geen grieven heeft geformuleerd tegen de door de rechtbank vastgestelde behoefte van de kinderen en van de vrouw, of tegen de vastgestelde draagkracht van de man.
Evenmin heeft de man gespecificeerd of toegelicht ter onderbouwing van welke stellingen de door hem overgelegde stukken dienen. Dat had wel op zijn weg gelegen, in de eerste plaats omdat hij in hoger beroep is gekomen en de rechtbank hem in eerste aanleg al heeft gewezen op deze tekortkomingen, maar bovenal omdat het voor de wederpartij van belang is dat zij weet waartegen zij zich moet verweren.De rechter hoeft immers alleen te letten op feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept. [1] Op de zitting heeft de man wel enige toelichting gegeven op de stukken. Het hof zal daarom alle overgelegde stukken bij zijn beoordeling betrekken. Daarbij overweegt het hof dat het (mede) gaat om kinderalimentatie en het hof daarin een actievere rol heeft dan in een zuiver civiele zaak. Het hof zal echter, net als de rechtbank, tot de conclusie komen dat de man onvoldoende stukken heeft overgelegd om te kunnen vaststellen dat hij de verzochte bijdragen niet kan betalen.
Ingangsdatum
5.4.
De man en de vrouw zijn het eens met de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van 29 juli 2025 voor de kinderalimentatie.
Behoefte kinderen
5.5.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde behoefte van de kinderen
van € 514,- per kind per maand in 2025, omdat de man in hoger beroep onvoldoende inkomensgegevens heeft overgelegd om de behoefte op een andere manier te berekenen dan de rechtbank heeft gedaan.
Behoefte vrouw
5.6.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde aanvullende behoefte van
€ 4.523,- per maand bruto in 2025.
5.7.
De man en de vrouw zijn in 2024 uit elkaar gegaan. De vrouw stelt dat er tijdens het huwelijk van € 1.500,- netto per week werd geleefd. Dat is € 6.500,- netto per maand en
€ 78.000,- netto per jaar, wat neerkomt op een winst uit de onderneming van € 125.000,- per jaar, ervan uitgaande dat de man zijn inkomsten (alleen) uit de onderneming(en) genereerde. De vrouw had toen een Wajong-uitkering van € 1.493,- per maand, zo is onbetwist vastgesteld. Volgens de vrouw gaf de man haar regelmatig dure sieraden. De man heeft dat niet ontkend. Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft de man daarnaast verteld dat hij de vrouw regelmatig geld gaf, zoals € 4.000,- contant voor haar verhuizing en € 1.000,- contant voor een koelkast.
5.8.
Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat tijdens het huwelijk geleefd werd van € 125.000,- per jaar. De man heeft betwist dat dit het geval was, maar de door hem overgelegde stukken zijn onvoldoende om dat te kunnen vaststellen. Over 2024 heeft hij alleen een aangifte IB van [bedrijf] overgelegd en een rapport inzake de jaarrekening 2023-2024 van de onderneming Eco Professionals B.V., met een negatief resultaat. Vast staat echter dat er wel inkomsten waren. Er kan echter niet worden vastgesteld wat die inkomsten waren, zodat het hof uitgaat van de stelling van de vrouw.
Na aftrek van de kosten van de kinderen van € 1.930,- per maand, was € 3.538,- netto per maand beschikbaar voor de vrouw in 2024. Dat is € 3.538,- netto per maand in 2025. Na aftrek van de Wajong-uitkering van de vrouw van € 1.395,- netto per maand, resteert een aanvullende behoefte van € 2.373,- netto per maand. Dat is € 4.523,- per maand bruto in 2025.
Draagkracht man
5.9.
Het hof komt niet toe aan een herberekening van de draagkracht van de man omdat daarvoor, net als bij de rechtbank, een compleet overzicht van zijn inkomen ontbreekt.
5.10.
Wanneer de man, zoals hij stelt, niet over voldoende draagkracht beschikt om de door de rechtbank vastgestelde bijdrage aan kinder- en partneralimentatie te betalen, dan is het aan hem om bij bestrijding van die stelling, met een overtuigende onderbouwing, bestaande uit relevante financiële stukken, te komen. De man heeft aangiftes IB van 2022 tot en met 2024 voor [bedrijf] overgelegd. Belastingaanslagen over deze jaren ontbreken. Hoewel de man een onderneming [bedrijf] heeft of had, aandelen in een holding FSJAA en Eco Professionals B.V. heeft, heeft hij slechts een jaarrekening 2024 van Eco Professionals B.V. overgelegd en alleen van FSJAA Holding aangifte vennootschapsbelasting 2023. Verder heeft de man twee salarisstroken van juli en augustus 2025 bij Eco Professionals BV overgelegd. Dat is niet voldoende. De verklaring van de man op de mondelinge behandeling dat hij sinds 1 januari 2025 bestuurder is bij deze onderneming, maakt dit niet duidelijker. Ook een korte verklaring van zijn boekhouder van 5 mei 2026, waarin staat dat de ondernemingen van de man nog onvoldoende winsten draaien om hieruit een DGA salaris te halen en dat de man tot nu toe een opname van € 22.000,- uit Eco Professionals BV heeft gedaan, geven het hof onvoldoende inzicht in het inkomen dat de man uit zijn ondernemingen heeft. Onduidelijk is ook op welke periode het genoemde bedrag van € 22.000,- ziet. Ook in hoger beroep ontbreekt een totaalbeeld van het inkomen van de man, waardoor het hof zelfs geen reële schatting van het inkomen van de man kan maken. Er blijft voor het hof daarom niets anders over door, net als de rechtbank, uit te gaan van de door de vrouw gestelde winst uit de ondernemingen van de man van € 125.000,- per jaar.
5.11.
Kortom, de man heeft tegenover de argumenten van de vrouw onvoldoende onderbouwd dat zijn draagkracht ontoereikend is om de door de rechtbank vastgestelde bijdrage aan kinder- en partneralimentatie te voldoen.
5.12.
Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen en de proceskosten tussen de man en de vrouw, zoals gebruikelijk is in familierechtelijke zaken, compenseren. Dat betekent dat ieder de eigen proceskosten draagt.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 29 juli 2025, voor zover het de kinder- en partneralimentatie betreft;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, M.A.F. Veenstra en E.F. Groot, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 16 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 10 december 1993,