ECLI:NL:GHARL:2026:4672

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
21-004471-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag met mes op buurtfeest

Op 1 januari 2025 vond op een buurtfeest een gewelddadige confrontatie plaats waarbij verdachte meerdere steekbewegingen met een mes maakte richting het hoofd, de nek en borst van de benadeelde, en hem in zijn hand stak. Het hof oordeelt dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van de benadeelde en wijst het beroep op noodweer af.

De verdachte werd door de rechtbank veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden. Het hof vernietigt dit vonnis en doet opnieuw recht, waarbij het dezelfde straf oplegt met aftrek van voorarrest en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en behandeling.

De benadeelde vordert schadevergoeding van €8.421, waarvan het hof €3.385 toewijst wegens materiële en immateriële schade. Het in beslag genomen mes wordt verbeurd verklaard. De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen de vrijspraak van een ander feit.

Het hof baseert zich op verklaringen van de benadeelde en getuigen, foto’s van het letsel en het mes, en concludeert dat verdachte als eerste geweld gebruikte. De verdachte heeft een persoonlijkheidsstoornis en was verminderd toerekeningsvatbaar. De straf is deels voorwaardelijk opgelegd met bijzondere voorwaarden gericht op behandeling en gedragsverandering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, voor poging tot doodslag met een mes.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004471-25
Uitspraakdatum: 17 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 29 oktober 2025 met parketnummer 16-001194-25 in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1]
Hoger beroep
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor gemelde vonnis.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 juli 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.J. Jager, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. D.R.M. Ros, hebben aangevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van wat aan hem onder feit 2 is ten laste gelegd. De verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. De verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart de verdachte daarom
niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep gericht is tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak.
Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen
De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor een poging tot doodslag op [benadeelde] (feit 1 primair). Aan de verdachte is een gevangenisstraf van dertig maanden opgelegd, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf heeft de rechtbank bijzondere voorwaarden gekoppeld, te weten een meldplicht bij de reclassering, een behandeling bij [naam 1] , meewerken aan dagbesteding, aan het aflossen van schulden en aan de controle van middelengebruik.
Daarnaast heeft de rechtbank het in beslag genomen mes verbeurd verklaard. Ook heeft de rechtbank beslist op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] .
Het hof vernietigt het vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – omdat het op andere gronden tot een bewezenverklaring komt. Het hof doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:

1.primair:hij op of omstreeks 1 januari 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven,

- met een mes richting het hoofd/nek/borst, althans het bovenlichaam van die [benadeelde] , heeft gestoken en/of een of meerdere stekende beweging(en) heeft gemaakt, en/of
- met een mes in de linker hand van die [benadeelde] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1.subsidiair:hij op of omstreeks 1 januari 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- met een mes richting het hoofd/nek/borst, althans het bovenlichaam van die [benadeelde] , heeft gestoken en/of een of meerdere stekende beweging(en) heeft gemaakt, en/of
- met een mes in de linker hand van die [benadeelde] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1.meer subsidiair:hij op of omstreeks 1 januari 2025 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde] met een mes in de linker hand, althans in het lichaam, te steken/snijden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverwegingen [1]
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat het onder feit 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hiertoe heeft ze onder meer aangevoerd dat de aangifte wordt ondersteund door de verklaringen van getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] .
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich in haar pleidooi primair gericht op het standpunt dat de feiten op basis van het dossier niet kunnen worden vastgesteld. Subsidiair heeft zij verzocht de juridische verweren uit het pleidooi van de verdediging in eerste aanleg als herhaald en ingelast te beschouwen (randnummers 32 tot en met 55), hetgeen vrijspraak, dan wel een beroep op noodweer, dan wel het ontbreken van de aanmerkelijke kans op de dood, inhoudt.
Oordeel van het hof
Redengevende bewijsmiddelen
Aangever [benadeelde] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 1 januari 2025 oud en nieuw aan het vieren was met vrienden in [plaats] . [2] Volgens [benadeelde] kwam er meerdere keren een man naar hen toe lopen. [3] Buurtbewoners hebben deze man meerdere keren verzocht weg te gaan, maar de man bleef terug komen. Later die avond wilde [benadeelde] naar huis gaan en hij liep naar zijn auto. Hij zag, en herkende, vervolgens de man die steeds terugkwam bij het feestje. Hij verklaart dat de man een mes in zijn rechterhand had. Nadat [benadeelde] de man had verzocht om het mes weg te leggen, maakte de man meerdere steekbewegingen in de richting van [benadeelde] ter hoogte van zijn borst. [4] [benadeelde] verklaart dat hij een stuk hout pakte om zich af te weren. Op een gegeven moment werd [benadeelde] geraakt op zijn linkerhand door het mes. [5] Hij voelde een stekende pijn in zijn hand en zag dat er bloed uit stroomde. [6]
In een aanvullend verhoor heeft [benadeelde] verklaard dat hij het mes met zijn hand heeft moeten tegenhouden, anders had de man in zijn nek gestoken. [7]
Getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat [benadeelde] werd gestoken door [verdachte]
.[getuige 2] verklaart dat hij zag dat [verdachte] het mes bewoog met een stekende beweging richting [benadeelde] , en dat [benadeelde] door het mes werd geraakt in zijn linkerhand. [8]
Getuige [getuige 3] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [verdachte] een mes had, dat hij om zich heen begon te steken en te zwaaien, en dat [benadeelde] door het mes werd geraakt. [benadeelde] probeerde zich te verweren. [9]
Op 9 januari 2025 heeft verbalisant [verbalisant 1] telefonisch contact gehad met aangever. Verbalisant heeft naar aanleiding hiervan per e-mail onder andere een foto van het letsel aan zijn hand ontvangen. [10]
Verbalisant [verbalisant 2] heeft op 1 januari 2025 omstreeks 02:46 uur een koksmes aangetroffen, ter hoogte van de plaats waar verbalisant verdachte eerder heeft zien staan. Verbalisant heeft het mes in beslag genomen. [11] Verbalisant [verbalisant 3] heeft het in beslag genomen mes beschreven. Zij beschrijft het onder meer als een mes met een lemmet van negentien centimeter lang. [12]
Overwegingen van het hof
Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat er op 1 januari 2025 een gewelddadige confrontatie heeft plaatsgevonden waarbij zowel [benadeelde] als de verdachte betrokken waren, dat de verdachte een mes heeft gehanteerd en dat [benadeelde] door dat mes letsel aan zijn hand heeft opgelopen.
De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep het volgende verklaard. Op 1 januari 2025 is hij op het buurtfeest geweest. Hij voelde zich niet welkom. De verdachte is door vader en zoon [getuige 2] een aantal keren geslagen en is zijn schoen kwijtgeraakt. Hij heeft een fles op zijn hoofd gehad, en is naar huis gegaan. Vervolgens is door zijn moeder de politie gebeld, en hij is met een mes teruggegaan om zijn verloren schoen terug te halen. Eenmaal aangekomen bij ‘het stroomhuisje’, kreeg hij uit het niets een harde klap op zijn jukbeen, terwijl hij het mes naast zijn lichaam hield. Door wie hij is geslagen, is voor hem onbekend gebleven, aldus de verdachte.
Het hof ziet zich aldus gesteld voor twee, elkaar uitsluitende scenario’s. Aan de ene kant staat het scenario dat volgt uit de verklaring van aangever [benadeelde] . Dit scenario komt erop neer dat de verdachte [benadeelde] heeft aangevallen door met het mes in de richting van [benadeelde] te steken, dat [benadeelde] zich probeerde af te weren en dat hij toen is geraakt door het mes (hierna: ‘het scenario van aangever’). Aan de andere kant staat het scenario dat volgt uit de verklaring van de verdachte. Dit scenario komt erop neer dat anderen de verdachte hebben aangevallen en dat de verdachte zich heeft verdedigd met het mes in zijn hand en tijdens de daarop volgende worsteling [benadeelde] is geraakt door het mes (hierna: ‘het scenario van de verdachte’). Het hof overweegt als volgt.
Op grond van de foto van het letsel aan de hand van [benadeelde] stelt het hof vast dat het letsel zit aan de binnenkant van de hand en dat het gaat om een diepe snee in de muis van de hand met de snijrichting naar de vingertoppen toe. Op de foto is ook te zien dat het horloge van [benadeelde] is beschadigd.
Het hof is van oordeel dat het letsel van [benadeelde] veel waarschijnlijker is als het scenario van [benadeelde] waar is dan als scenario van de verdachte waar is. De snijrichting van het letsel laat zich naar het oordeel van het hof beter verklaren bij de door [benadeelde] beschreven situatie dat hij zich op de grond bevindt en een afwerende beweging maakt met zijn linkerarm door zijn elleboog gebogen in de lucht te houden waardoor de binnenkant van zijn hand naar voren is gericht en zijn vingertoppen naar beneden dan wel opzij wijzen. De verwonding van [benadeelde] past niet in het scenario van de verdachte dat hij het mes langs zijn lichaam had toen hij werd geslagen. Daarbij komt dat het scenario van [benadeelde] wordt bevestigd door de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] ; ook zij verklaren dat de verdachte de agressor was.
Dat betekent dat het hof bij de beoordeling van wat zich die nacht heeft afgespeeld, uitgaat van de verklaringen van [benadeelde] en de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] . Aldus stelt het hof vast dat de verdachte als eerste geweld heeft gebruikt, in de richting van [benadeelde] , en dat hij met een mes in de richting van het hoofd, nek en borst van [benadeelde] heeft gestoken en meerdere stekende beweging(en) heeft gemaakt en zo met dat mes in de linker hand van [benadeelde] heeft gestoken.
Het geweld dat hierna jegens of door de verdachte is uitgeoefend, is voor de verdere beoordeling van de tenlastelegging niet relevant.
Poging tot doodslag
De vraag die vervolgens voorligt aan het hof is of de handelingen van de verdachte te kwalificeren zijn als een poging tot doodslag.
De verdachte heeft stekende bewegingen met een mes in de richting van het hoofd, nek en borst van [benadeelde] gemaakt en heeft hem daarbij in zijn hand heeft gestoken.
Het hof ziet – net als de rechtbank – geen aanwijzingen die erop duiden dat de verdachte ‘vol opzet’ heeft gehad om [benadeelde] te doden. Het hof is van oordeel dat voorwaardelijk opzet op de dood van aangever wel kan worden bewezen. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of dat zo is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
In dit geval is de verdachte met een mes met een lemmet van negentien centimeter in zijn hand naar [benadeelde] toegelopen. Vervolgens heeft de verdachte met dat mes meerdere steekbewegingen in de richting van het hoofd, nek en borst van [benadeelde] gemaakt. De kans dat deze steekbewegingen tot de dood van [benadeelde] zouden leiden, was naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk. In het hoofd, nek en borst bevinden zich namelijk veel kwetsbare en vitale organen en belangrijke (slag)aders. De verdachte heeft [benadeelde] ook daadwerkelijk geraakt met het mes. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte en aangever zich op korte afstand van elkaar bevonden. Uit de diepe wond die als gevolg daarvan in de hand van de aangever is ontstaan, leidt het hof af dat de verdachte met aanzienlijke kracht heeft gestoken.
Door met een groot mes meerdere keren met aanzienlijke kracht te steken richting het hoofd, nek en borst van [benadeelde] , terwijl de verdachte en [benadeelde] zich op korte afstand van elkaar bevonden, heeft de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [benadeelde] als gevolg daarvan zou komen te overlijden. Van contra-indicaties is het hof niet gebleken.
Daarmee komt het hof tot de conclusie dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [benadeelde] . De onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag is daarmee bewezen.
Nadere concluderende overweging
Het hof hecht eraan om nog het volgende op te merken. Het hof heeft sterk de indruk dat [benadeelde] en andere betrokkenen waaronder de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] , niet volledig zijn geweest in hun verklaringen en dat zij informatie hebben achtergehouden voor de politie. Immers, ook de verdachte heeft flink letsel opgelopen. Dat neemt echter niet weg dat voor het hof vaststaat dat het de verdachte is geweest die – nadat hij was weggestuurd van het plein achter de woning van de [naam 2] – de confrontatie heeft opgezocht door met een mes vanuit het huis van zijn moeder terug te gaan naar het plein en dat de verdachte (als eerste) geweld heeft gebruikt, waardoor de tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.primair:hij op of [omstreeks 1 januari 2025 te (plaats) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om] . [benadeelde] ,

- met een mes richting het hoofd/nek/borst, althans het bovenlichaamvan die [benadeelde] , heeft gestoken en/of een ofmeerdere stekende beweging(en)heeft gemaakt, en/of
- met een mes in de linkerhand van die [benadeelde] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
poging tot doodslag.
Beroep op noodweer
Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die was gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, en waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was. Voor een geslaagd beroep op noodweer, moet de verdediging in redelijke verhouding tot de aanranding staan en moeten er geen andere mogelijkheden hebben bestaan. Voor het slagen van dit beroep, is voldoende dat de verdediging aannemelijk maakt dat aan al deze voorwaarden is voldaan.
Het hof gaat uit van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden. Op basis van die feiten is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich moest verdedigen.
De verdachte ging, nadat hij zich thuis had voorzien van een mes, terug naar het buurtfeest waar hij al meerdere keren was weggestuurd. Hiervoor heeft het hof al overwogen dat het scenario van de verdachte niet past bij het aan [benadeelde] toegebrachte letsel. Het scenario van de verdachte wordt bovendien niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Hoewel de verdachte zelf ook fors letsel heeft opgelopen en personen die in de omgeving zijn gezien met onder andere een honkbalknuppel, zegt dat niets over het moment waarop dit letsel is toegebracht. Het is duidelijk dat er op enig moment fors letsel is toegebracht aan de verdachte, maar het is niet aannemelijk geworden dat dit is gebeurd vlak voordat hij stak met het mes.
Het hof acht de door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden waarop het beroep op noodweer is gebaseerd, niet aannemelijk geworden. Het verweer wordt verworpen.
Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat de verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. Als bijzondere voorwaarde heeft zij verzocht om een contactverbod tussen de verdachte en aangever.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen concreet voorstel gedaan voor een eventueel op te leggen straf.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Aard en ernst van het gepleegde feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [benadeelde] .
Op een buurtfeest tijdens oud en nieuw is de verdachte meermaals door buurtbewoners gesommeerd om weg te gaan. Op enig moment kwam de verdachte terug met een groot mes in zijn hand. Met dit mes heeft de verdachte meerdere steekbewegingen gemaakt richting het hoofd, nek en borst van [benadeelde] . [benadeelde] is, bij het maken van afwerende bewegingen, in zijn hand geraakt door het mes. Hij heeft daardoor letsel opgelopen, dat bestond uit een een diepe snijwond aan de muis van zijn hand. Het hof benadrukt dat de verdachte in beschonken toestand door zijn handelen bewust het risico heeft genomen om [benadeelde] te doden.
[benadeelde] was geen buurtbewoner en was uitgenodigd op het buurtfeest als gast. De verdachte en [benadeelde] kenden elkaar niet. Zonder enige reden heeft de verdachte [benadeelde] fors letsel bezorgd, en daarmee een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde] . Deze heeft bij de politie ook verklaard dat hij dacht dat hij dood zou gaan. In zijn algemeenheid zorgen situaties als deze voor gevoelens van onrust en onveiligheid in een buurt, ook voor omstanders die niets van doen hebben met de gehele situatie. De verdachte voelt zich tot op heden het grootste slachtoffer van de situatie, en heeft geen enkel inzicht getoond in de ernst van zijn handelen.
Strafblad van de verdachte en rapportages
Het hof heeft allereerst kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in 2021 is veroordeeld tot een forse gevangenisstraf voor andersoortige strafbare feiten. Dit weegt het hof in het nadeel van de verdachte mee.
Het hof heeft verder kennisgenomen van het psychologisch rapport van 18 april 2025 van psycholoog A. van der Weijden. In het rapport staat dat bij de verdachte sprake is van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, een stoornis in het gebruik van alcohol en een gokverslaving. Vanuit een kwetsbare persoonlijkheid en een gebrekkig emotioneel opvoedklimaat heeft de verdachte zichzelf aangeleerd negatieve gevoelens zoveel mogelijk buiten zichzelf te houden. Deze pathologie was aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en heeft invloed gehad op gedragingen van de verdachte. Daarnaast was ten tijde van het bewezenverklaarde sprake van een sterke intoxicatie door het gebruik van alcohol, die maakte dat de verdachte de gevolgen zijn gedrag onvoldoende kon overzien. De psycholoog adviseert het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Ook adviseert de psycholoog dat het noodzakelijk is om de verdachte te laten behandelen om de onderliggende persoonlijkheidspathologie en de verslavingsproblematiek te verminderen, en nieuwe (coping)vaardigheden aan te leren.
Het hof heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 3 oktober 2025. De reclassering adviseert om, bij een veroordeling, een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, een contact- en locatieverbod met betrekking tot aangever, het meewerken aan dagbesteding, het meewerken aan schuldhulpverlening en het meewerken aan middelencontrole.
Op te leggen straf
Gelet op de hierboven genoemde feiten, omstandigheden en op het letsel van [benadeelde] , acht het hof een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.
Het hof heeft in strafverminderende zin meegewogen dat de verdachte zelf ook fors is toegetakeld op de betreffende avond. Daarnaast neemt het hof het advies van de psycholoog over, en verklaart de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.
De reclassering en de psycholoog achten het noodzakelijk dat de verdachte wordt behandeld om tot gedragsverandering te komen en daarmee ook het recidivegevaar te verlagen. Het hof ziet daarin aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, zodat daaraan onder andere de bijzondere voorwaarde van ambulante behandeling gekoppeld kan worden.
Gelet op dit alles legt het hof aan de verdachte een gevangenisstraf op van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, en met aftrek van voorarrest.
Het hof legt daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering
op, met uitzondering van het contact- en locatieverbod. De verdachte en [benadeelde] kennen elkaar niet en er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte [benadeelde] op enige manier heeft
benaderd of zal benaderen. Verdachte is sinds 13 april 2026 geschorst uit de voorlopige hechtenis, en sindsdien zijn er ook geen aanwijzingen voor dat de verdachte [benadeelde] of de desbetreffende buurt van het buurtfeest lastigvalt. Het hof ziet daarom geen aanleiding om een contact- en locatieverbod op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toe te wijzen conform het vonnis.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht het standpunt van de pleitnota uit eerste aanleg als herhaald en ingelast te beschouwen (randnummer 1 tot en met 29). Dit houdt in dat zij primair verzoekt om een integrale niet-ontvankelijkheid van de vordering van [benadeelde] , subsidiair referte voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade.
Oordeel van het hof
[benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.421,00 ingediend, bestaande uit € 5.421,00 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade.
De rechtbank heeft dit bedrag gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van in totaal
€ 3.385,00, bestaande uit € 385,00 aan materiële schade (eigen risico) en € 3.000,00 aan immateriële schade. [benadeelde] heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Het hof is – net als de rechtbank – van oordeel dat de vordering van [benadeelde] ontvankelijk is.
Het hof acht de gevorderde schade aan eigen risico (€ 385,00) voldoende onderbouwd. Het is gebleken dat [benadeelde] rechtstreeks schade heeft geleden door het primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
Het hof kan in deze procedure voor de overige gevorderde materiële schade echter niet vaststellen dat de gehele door [benadeelde] gevorderde schade veroorzaakt is door het handelen van de verdachte.
Voor wat betreft de schadeposten ‘jas’ en ‘zonnebril’ is op basis van het dossier geen
rechtstreeks verband tussen deze schade en het bewezen verklaarde feit is vast te stellen.
Voor wat betreft de schadepost ‘reparatiekosten horloge’ is de vordering onvoldoende
onderbouwd. Uit het dossier blijkt weliswaar dat door de messteek schade is ontstaan aan het horlogebandje, maar [benadeelde] heeft onvoldoende aanknopingspunten geboden om aan deze schade een bedrag te koppelen. De verdediging heeft de gevorderde materiële schade gemotiveerd betwist.
Gelet hierop, levert de behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van deze strafprocedure op. Daarom kan [benadeelde] in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. [benadeelde] kan het niet-toegewezen deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt het hof vast dat [benadeelde] door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
Het hof heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Uit de Rotterdamse schaal blijkt dat een bedrag aan immateriële schadevergoeding tussen de € 4.000,00 - € 10.000,00 (categorie 5.11) voor ‘minder ernstig handletsel’ billijk kan zijn. Onder deze categorie vallen onder meer diepe snijwonden.
Gelet op deze bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding het hof niet overmatig voor en acht het hof toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 3.000,00 billijk.
Het hof bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente ter zake de materiële en immateriële op 1 januari 2025. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Beslag
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het in beslag genomen mes verbeurd moet worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over het in beslag genomen mes.
Oordeel van het hof
Het hof zal het in beslag genomen mes verbeurd verklaren. Met behulp van dit voorwerp in is het bewezen verklaarde feit begaan.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (dertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat:
- de verdachte zich binnen 3 dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij [naam 1] reclassering op het adres [adres 2] . De verdachte blijft zich melden zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt;
- de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Forensisch Ambulante Zorg van [naam 1] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling noodzakelijk vindt.
De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een justitiële instantie die verantwoordelijk is. voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen
vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1 STK mes (goednummer BZAG9773).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.385,00(drieduizend driehonderdvijfentachtig euro) bestaande uit
€ 385,00(driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en
€ 3.000,00(drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 3.385,00(drieduizend driehonderdvijfentachtig euro) bestaande uit
€ 385,00(driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en
€ 3.000,00(drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
33 (drieëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 januari 2025.
Dit arrest is gewezen door mr. L.G.J.M. van Ekert, mr. D.R. Sonneveldt, mr. M. Nooijen, in aanwezigheid van de griffier mr. R. Harsveld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 juli 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 17 juli 2026.
Tegenwoordig:
mr. A.J. Smit, voorzitter,
mr. M.J. Hornman, advocaat-generaal,
mr. L. Jansen, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Eenheid Midden-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van voorgeleiding rechter-commissaris, dossiernummer PL0900-2025000668, afgesloten op 5 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, (hierna te noemen: dossier A), en het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie-Eenheid Midden-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0900-2025000668/PL0900-2025000289, gesloten op 13 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden (hierna te noemen: dossier B).
2.Proces-verbaal van aangifte [benadeelde] d.d. 1 januari 2025, pagina’s 11 en 12 dossier A.
3.Proces-verbaal van aangifte [benadeelde] d.d. 1 januari 2025, pagina 11 dossier A.
4.Proces-verbaal van aangifte [benadeelde] d.d. 1 januari 2025, pagina’s 11 en 12 dossier A.
5.Proces-verbaal van aangifte [benadeelde] d.d. 1 januari 2025, pagina 12 dossier A.
6.Proces-verbaal van aangifte [benadeelde] d.d. 1 januari 2025, pagina 12 dossier A.
7.Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [benadeelde] d.d. 2 januari 2025, pagina 17 dossier A.
8.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 1 januari 2025, pagina 26 en 27 dossier A.
9.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 24 april 2025 bij de rechter-commissaris van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, pagina 3.
10.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 januari 2025, pagina 5 dossier B & fotoblad, pagina 7 dossier B.
11.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 januari 2025, pagina 49 dossier A.
12.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 januari 2025, pagina 55 dossier A.