ECLI:NL:GHARL:2026:4769

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
P25/371
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38e SrArt. 38d SrArt. 2:11 lid 2 WetsWet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep verlenging terbeschikkingstelling met verpleging wegens belaging zonder geweldsmisdrijf

De terbeschikkinggestelde is in hoger beroep gegaan tegen de verlenging van zijn terbeschikkingstelling (TBS) met verpleging door de rechtbank Gelderland. Het hof heeft de stukken van de rechtbank en aanvullende rapportages, waaronder psychodiagnostisch en forensisch psychiatrisch onderzoek, bestudeerd en de zaak op 2 juli 2026 behandeld.

De kern van het geschil betrof de vraag of het indexdelict, belaging, een geweldsmisdrijf is in de zin van artikel 38e Wetboek van Strafrecht, wat bepalend is voor de maximale duur van de TBS-maatregel. Het hof concludeert dat belaging, ondanks de ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, geen geweldsmisdrijf is omdat er geen fysiek geweld of poging daartoe is vastgesteld.

Op grond hiervan is de TBS-maatregel gemaximeerd tot vier jaar. Het hof vernietigt de eerdere beslissing van de rechtbank die uitging van een ongemaximeerde maatregel. Gelet op de psychische stoornis van de terbeschikkinggestelde, het hoge recidiverisico en het feit dat hij aan het begin van zijn behandeltraject staat, acht het hof een verlenging van twee jaar noodzakelijk.

De beslissing bevestigt dat verlenging met twee jaar mogelijk is wanneer de veiligheid van personen of goederen dat vereist en de behandeling meer tijd vraagt dan een verlenging van één jaar zou bieden. Het hof verlengt daarom de terbeschikkingstelling met twee jaar en vernietigt de eerdere beslissing van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof vernietigt de eerdere beslissing en verlengt de terbeschikkingstelling met verpleging met twee jaar, waarbij de maatregel gemaximeerd is op vier jaar wegens het ontbreken van een geweldsmisdrijf.

Uitspraak

TBS P25/371
Beslissing van 16 juli 2026
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[terbeschikkinggestelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
verblijvende in [kliniek]
(hierna: de kliniek),
verder te noemen: de terbeschikkinggestelde.
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 november 2025. Deze beslissing houdt in de verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.
Het hof heeft gelet op dezelfde stukken als de rechtbank en daarnaast op:
- het Psychodiagnostisch Onderzoek door forensisch psycholoog R. Mattheus van 25 januari 2023;
- het eindverslag Forensisch Psychiatrisch Onderzoek door forensisch psychiater S. Lefèvre van 27 februari 2023;
- het vonnis van de rechtbank Limburg, afdeling Hasselt van 26 mei 2023;
- het arrest van het Hof van beroep Antwerpen van 30 augustus 2023;
- het oordeel van dit hof van 8 mei 2024 over executie-overdracht in het kader van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS);
- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
- de beslissing waarvan beroep;
- de akte van 31 oktober 2025 waarbij de terbeschikkinggestelde beroep heeft ingesteld;
- de aanvullende informatie van de kliniek van 19 februari 2026, met als bijlage de wettelijke aantekeningen over de periode van 23 juni 2025 tot 1 januari 2026;
- het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in beroep van 12 maart 2026;
- de tussenbeslissing van deze kamer in dit hof van 26 maart 2026;
- de van het Openbaar Ministerie op 27 mei 2026 ontvangen stukken van het onderliggend Belgisch strafdossier (processen-verbaal van verhoor van de verdachte en getuigen);
- het proces-verbaal van het onderzoek in beroep van 18 juni 2026, waarbij de behandeling van de zaak is aangehouden.
Het hof heeft ter zitting van 2 juli 2026 gehoord de advocaat-generaal, mr. R.J.A. Segerink, en de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.J. Lieftink, advocaat te Amsterdam.

Overwegingen

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde
(On)gemaximeerde terbeschikkingstelling
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een geweldmisdrijf, zodat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is gemaximeerd tot vier jaar.
Verlenging van de terbeschikkingstelling
De raadsman heeft primair verzocht de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van één jaar, aangezien de bijzondere kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het oordeel van 8 mei 2024 heeft overwogen dat de maatregel van terbeschikkingstelling op het moment van de overdracht van de tenuitvoerlegging aan Nederland een verlengingstermijn heeft van één jaar. Hieruit volgt dat in deze zaak ook na het verstrijken van het eerste jaar, verlenging met maximaal één jaar in de rede ligt. Subsidiair erkent de raadsman dat bij een verlenging met één jaar de expiratiedatum spoedig in beeld is en de volgende verlengingsvordering al op korte termijn moet worden behandeld, terwijl er dan nog onvoldoende stappen in het traject zouden zijn gezet. Er is dan geen bezwaar tegen een verlenging met een termijn van twee jaar.
Het standpunt van het openbaar ministerie
(On)gemaximeerde terbeschikkingstelling
De advocaat-generaal heeft zich, na de ontvangst van de stukken uit het Belgisch strafdossier, eveneens op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een geweldmisdrijf, zodat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is gemaximeerd tot vier jaar.
Verlenging van de terbeschikkingstelling
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de verlenging van de maatregel voor twee jaar. Hoewel de motivering van de bijzondere kamer van het hof wellicht ruimte laat voor een andere interpretatie, moet het ervoor worden gehouden dat bedoeld is dat de eerste termijn van de terbeschikkingstelling één jaar bedraagt, maar dat verlenging van deze termijn niet beperkt is tot één jaar. Er is sprake van een stoornis en het recidiverisico wordt bij een beëindiging van de terbeschikkingstelling ingeschat als hoog. De terbeschikkinggestelde staat nog aan het begin van zijn behandeltraject. Een verlenging met twee jaar is dan ook aangewezen.
Het oordeel van het hof
Vernietiging
Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen. Weliswaar komt het hof tot een eensluidend oordeel als het gaat om de verlengingstermijn van de terbeschikkingstelling, maar het hof komt wel tot een ander oordeel over de (on-)gemaximeerdheid van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.
(On)gemaximeerde terbeschikkingstelling en het indexdelict
De rechtbank heeft haar beslissing dat er sprake is van een ongemaximeerde maatregel gebaseerd op het oordeel van het hof als bedoeld in artikel 2:11 lid 2 Wet Pro wederzijde erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (Wets) van 8 mei 2024.
In de tussenbeslissing van 26 maart 2026 heeft het hof gemotiveerd aangegeven waarom het aan de verlengingsrechter, en niet aan de bijzondere kamer van het hof als bedoeld in artikel 2:11 lid 2 Wets Pro, is om een oordeel te geven over de aard van het indexdelict en de (on-) gemaximeerdheid van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Het hof overwoog in het bijzonder:
“De terbeschikkinggestelde is op 30 augustus 2023 bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen veroordeeld voor belaging van een persoon, terwijl hij wist of had moeten weten dat hij door zijn gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren. De terbeschikkinggestelde heeft een interneringsmaatregel opgelegd gekregen.
De minister van Justitie en Veiligheid heeft beslist tot erkenning van bovenvermeld arrest met inachtneming van het oordeel van de bijzondere kamer van dit hof. Het oordeel van de bijzondere kamer van dit hof van 8 mei 2024 houdt onder meer in dat de aan de terbeschikkinggestelde opgelegde vrijheidsbenemende maatregel van internering voor onbepaalde tijd aangepast dient te worden tot de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. De bijzondere kamer van het hof heeft vastgesteld dat in de uitspraak en de motivering van de oplegging van de interneringsmaatregel besloten ligt dat de maatregel, naar Nederlands recht, is opgelegd voor een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (hierna kortgezegd: een geweldsmisdrijf) en dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege daarom niet in duur is gemaximeerd tot vier jaar.
De in de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en
voorwaardelijke sancties (hierna: WETS) procedure is summier en bevat geen voorschriften inzake hoor en wederhoor. In de praktijk kan de bijzondere kamer in voorkomend geval kennis nemen van het schriftelijk standpunt van de (raadsman van de) veroordeelde en dat standpunt bij zijn oordeel betrekken.
In het kader van de beoordeling van het thans aanhangige hoger beroep is het hof niet gebleken dat het oordeel van de bijzondere kamer tot stand is gekomen nadat kennis is genomen van een standpunt van of namens de veroordeelde. Het oordeel inzake de maximering van de maatregel is, voor zover dit uit de thans beschikbare stukken naar voren komt, daarmee gegeven zonder hoor en/of wederhoor. Dit betekent dat in dat opzicht niet is voldaan aan de uitgangspunten voor een eerlijk proces. Zeker in het licht van het gewicht van de maximeringsbeslissing is dat niet aanvaardbaar en is (de mogelijkheid van) herbeoordeling aan de orde.
In het kader van het onderhavige beroep tegen de verlenging van de terbeschikkingstelling is de vraag aan de orde geweest en van de kant van de raadsman en de advocaat-generaal belicht of het indexdelict is gemaximeerd. Daarmee is er hoor en wederhoor geweest in een rechterlijke procedure en is het aan het hof als verlengingsrechter in beroep om een oordeel te geven over de gemaximeerdheid van het indexdelict.”
Het hof heeft in de tussenbeslissing van 26 maart 2026 uitvoerige overwegingen gewijd aan de vraag of er sprake is van een geweldsdelict in de zin van artikel 38e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht en is tot de conclusie gekomen dat uit de op dat moment beschikbare stukken niet eenduidig worden afgeleid dat er sprake is van een geweldsdelict. Daarop heeft het hof de advocaat-generaal verzocht het onderliggende Belgische strafdossier aan de stukken toe te voegen.
Uit de na de tussenbeslissing overgelegde stukken uit het Belgisch strafdossier, in samenhang met de stukken die al deel uitmaakten van het dossier en hetgeen de terbeschikkinggestelde ter zitting van het hof heeft verklaard – over welke stukken en verklaring de verdediging en het Openbaar Ministerie zich hebben kunnen uitlaten –, leidt het hof af dat het indexdelict (belaging) in dit geval geen delict als bedoeld in artikel 38e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht oplevert.
Uit de beschikbare stukken blijkt dat de terbeschikkinggestelde het slachtoffer gedurende anderhalf jaar via verschillende sociale media heeft belaagd en veelvuldig gebeld. Hoewel dergelijk handelen ernstig inbreuk kan maken op de persoonlijke levenssfeer en gevoelens van angst en onveiligheid kan veroorzaken, brengt dit niet zonder meer mee dat sprake is van een geweldsdelict. De stukken bevatten geen aanwijzingen dat er sprake is geweest van fysiek geweld, een poging daartoe of gedragingen die naar hun aard kunnen worden aangemerkt als een geweldsdelict in de zin van artikel 38e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn geen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het indexdelict was gericht tegen of gevaar veroorzaakte voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het hof is daarom van oordeel dat de maatregel van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege in duur gemaximeerd is tot vier jaar.
Het hof realiseert zich dat dit een andere beslissing is dan volgt uit het oordeel van de bijzondere kamer van dit hof in het kader van de WETS-procedure. In de tussenbeslissing van 26 maart 2026 heeft het hof gemotiveerd dat in deze specifieke omstandigheden van het geval het aan het hof als verlengingsrechter in beroep is om een oordeel te geven over de gemaximeerdheid van het indexdelict.
Stoornis en recidivegevaar
Uit de rapportages van de psychiater, de psycholoog en de kliniek van respectievelijk 19 mei 2025, 25 mei 2025 en 5 juni 2025 blijkt dat er bij de terbeschikkinggestelde sprake is van schizofrenie en van een uitgebreid waansysteem met paranoïde betrekkingswanen. Nader diagnostisch onderzoek zou volgens de psychiater en psycholoog moeten uitwijzen of er ook sprake is van een autismespectrumstoornis.
De rapporteurs schatten het recidiverisico in als hoog. De terbeschikkinggestelde is psychotisch, heeft nog altijd wanen omtrent het slachtoffer en zijn realiteitstoetsing is verstoord. Wanneer het kader van de terbeschikkingstelling zou wegvallen, zal hij - naar verwachting - direct terugvallen in stalkingsgedrag jegens het slachtoffer. Alleen binnen het kader van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is de behandeling van de terbeschikkinggestelde goed vorm te geven. Nader onderzoek naar de diagnostiek is eveneens noodzakelijk zodra de psychotische symptomatologie meer naar de achtergrond is verdwenen. Binnen de maatregel is monitoring van het toestandsbeeld en zijn gedrag mogelijk, naast dat er medicamenteus goed behandeld kan worden. Daarmee wordt het recidiverisico binnen de maatregel als laag ingeschat.
Verlenging
Gelet op de adviezen van de kliniek, de psychiater en de psycholoog, is het hof van oordeel dat bij de terbeschikkinggestelde sprake is van een stoornis en dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen verlenging van de terbeschikkingstelling eist.
Duur van de verlenging
In het oordeel van de bijzondere kamer van dit hof van 8 mei 2024 is onder meer het volgende overwogen:
“de aan de veroordeelde opgelegde vrijheidsbenemende maatregel dient te worden aangepast tot de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, met een termijn van verenging van één jaar”.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of hieruit volgt dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege na afloop van de aanvangstermijn van één jaar derhalve telkens maar met één jaar mag worden verlengd. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. De overweging in het oordeel van de bijzondere kamer ziet uitsluitend op de duur van de eerste termijn waarbinnen de maatregel in Nederland ten uitvoer wordt gelegd. Daaruit volgt niet dat de terbeschikkingstelling vervolgens uitsluitend telkens met één jaar kan worden verlengd. Op grond van artikel 38d Wetboek van Strafrecht beslist de rechter bij iedere verlengingsbeslissing tot verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met een jaar of twee jaren. De rechter kan derhalve, indien de veiligheid van personen dan wel goederen dat eist, na afloop van de aanvangstermijn beslissen tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar.
Het hof heeft als uitgangspunt dat de terbeschikkingstelling verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling en resocialisatie van de terbeschikkinggestelde in het bestaande juridische kader meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar. Het hof ziet in dit geval, gelet op de adviezen van de kliniek, psychiater en psycholoog, geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. De terbeschikkinggestelde staat nog aan de start van zijn behandeling. Er moeten nog onderzoeken plaatsvinden en de terbeschikkinggestelde moet nog nader worden ingesteld op antipsychotica. De risicofactoren zijn nog niet, of onvoldoende bewerkt en er heeft nog geen (duurzame) verandering in de kernproblematiek plaatsgevonden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigtde beslissing van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 november 2025 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde,
[terbeschikkinggestelde] .
Verlengtde terbeschikkingstelling met een termijn van
twee jaar.
Aldus gedaan door
mr. A.B.A.P.M. Ficq, voorzitter,
mr. M.J. Vos en mr. J. Steenbrink, raadsheren,
en dr. W.J. Canton en drs. B. Koudstaal, raden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Lambriks, griffier,
en op 16 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.