ECLI:NL:GHARL:2026:4774

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
200.361.699/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:33 BWArt. 3:35 BWArt. 7:411 lid 2 BWArt. 6:119a BWArt. 166 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging overeenkomst interim-management en doorbetaling loon na voortijdig einde

Partijen sloten op 12 september 2024 een overeenkomst van opdracht voor interim-management tot 1 juli 2025. De werkzaamheden van geïntimeerde eindigden voortijdig op 2 oktober 2024, waarna appellant stopte met betaling. Appellant stelde dat de overeenkomst op 2 of 3 oktober 2024 met wederzijds goedvinden was beëindigd, wat geïntimeerde betwistte.

De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst rechtsgeldig was opgezegd door appellant op 19 december 2024 met een opzegtermijn van twee maanden, waardoor de overeenkomst eindigde op 14 februari 2025. Het hof bevestigde dit oordeel en stelde vast dat appellant niet had bewezen dat de overeenkomst eerder met wederzijds goedvinden was beëindigd.

Geïntimeerde had recht op doorbetaling van loon tot 14 februari 2025, maar appellant mocht de bespaarde reiskosten vanaf 3 oktober 2024 in mindering brengen. Het hof veroordeelde appellant tot betaling van € 55.478,50 plus wettelijke rente en proceskosten. Het bewijsaanbod van appellant om getuigen te horen werd afgewezen wegens onvoldoende specificiteit.

Uitkomst: De overeenkomst eindigde op 14 februari 2025 en appellant moet geïntimeerde € 55.478,50 plus rente en proceskosten betalen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.699/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 323877
arrest van 21 juli 2026
in de zaak van
[appellant] B.V. ( [appellant] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
advocaat: mr. T.T.P. van Tilburg
en
[geïntimeerde] , h.o.d.n. [bedrijf] ( [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. W.J. de Vries

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de rechtbank Overijssel, zittingslocatie Zwolle, (hierna: de rechtbank) op 21 mei 2025 en 13 augustus 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord
1.2
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
Aan de werkzaamheden van [geïntimeerde] als interim-manager bij [appellant] is voortijdig een einde gekomen. In deze zaak liggen de vragen voor wanneer de overeenkomst van opdracht tussen partijen is geëindigd en tot wanneer [geïntimeerde] recht heeft op doorbetaling van zijn loon.
2.2
[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank gevorderd dat de rechtbank [appellant] veroordeelt om aan hem te betalen:
  • € 129.627,30 inclusief btw aan loon, te vermeerderen met rente
  • € 2.071,27 aan buitengerechtelijke incassokosten
met voordeling van [appellant] in de kosten te vermeerderen met rente.
2.3
De rechtbank heeft aan loon € 61.800,75 toegewezen (loon van 12 september 2024 tot en met 13 februari 2025) en € 2.071,27 aan buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank heeft verder beslist dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De rechtbank heeft ook geoordeeld dat [appellant] de overeenkomst op 19 december 2024 rechtsgeldig heeft opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van twee kalendermaanden en dat dus de overeenkomst van opdracht is geëindigd op 14 februari 2025.
2.4
De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat het toegewezen deel van de vordering van [geïntimeerde] alsnog wordt afgewezen en dat [geïntimeerde] in beide instanties wordt veroordeeld in de proceskosten en in de nakosten, beide te vermeerderen met wettelijke rente. Volgens [appellant] hebben partijen de overeenkomst van opdracht op 2 of 3 oktober 2024 met wederzijds goedvinden beëindigd, althans heeft [appellant] de overeenkomst van opdracht op 2 of 3 oktober 2024 opgezegd of ontbonden.
2.5
Het hof zal, net als de rechtbank, beslissen dat de overeenkomst van opdracht is geëindigd op 14 februari 2025 en dat [geïntimeerde] nog € 55.478,50 aan loon toekomt. Het hof licht dat hierna toe. Het hof laat de vonnissen van de rechtbank dus grotendeels in stand.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten
3.1
[appellant] en [geïntimeerde] hebben op 12 september 2024 schriftelijk een overeenkomst van opdracht gesloten op grond waarvan [geïntimeerde] als interim-manager voor [appellant] werkzaamheden zou verrichten van 12 september 2024 tot 1 juli 2025. [geïntimeerde] heeft van 12 september 2024 tot en met 2 oktober 2024 werkzaamheden voor [appellant] verricht en daarna niet meer. Na 2 oktober 2024 heeft [appellant] [geïntimeerde] niet meer betaald.
3.2
De overeenkomst van opdracht luidt (in respectievelijk de artikelen 5.1, 6.1 en 6.11), voor zover hier van belang:

Betaling zal plaatsvinden binnen 14 dagen na ontvangst van de factuur bij Opdrachtgever.
3.3
[geïntimeerde] heeft voor de volledige weken die hij heeft gewerkt nota’s verzonden aan [appellant] waarin steeds staat loon € 2.500 en reiskosten € 275,-.
3.4
In de middag van 2 oktober 2024 heeft op het kantoor van [appellant] een gesprek plaatsgevonden tussen een bedrijfsleider van [appellant] , de heer [naam1] , en [geïntimeerde] , waarin de bedrijfsleider aan [geïntimeerde] heeft laten weten dat [appellant] de samenwerking niet langer wil voortzetten. Die middag heeft [geïntimeerde] zijn laptop en werktelefoon ingeleverd bij [appellant] .
3.5
Op 3 oktober 2024 heeft nogmaals op het kantoor van [appellant] een gesprek plaatsgevonden tussen de bedrijfsleider en [geïntimeerde] . In dat gesprek heeft de bedrijfsleider aan [geïntimeerde] een document voorgelegd met de volgende inhoud:

Hierbij bevestigen wij onze afspraken met betrekking tot de beëindiging van onze samenwerking. Na ons gesprek op 2 oktober jongstleden hebben wij gezamenlijk in goed overleg besloten de samenwerking te beëindigen, waarbij het voorstel was dat je deze week (week 40) nog zou uitwerken. Wij begrijpen echter dat je ervoor hebt gekozen om het werk per direct neer te leggen en het bedrijf te verlaten. Zoals besproken, lever je nu op donderdag 3 oktober alle goederen die eigendom zijn van [appellant] in.
Ondanks het feit dat je direct bent gestopt met je werkzaamheden, willen wij je tegemoetkomen door week 40 volledig uit te betalen. (…)
Voor akkoord:
[appellant] [naam1]
[geïntimeerde]
3.6
[geïntimeerde] heeft dit document niet ondertekend. Op 3 oktober 2024 heeft [geïntimeerde] alle eigendommen van [appellant] ingeleverd die hij nog in zijn bezit had.
3.7
Op 4 oktober 2024 heeft [geïntimeerde] aan de bedrijfsleider een e-mailbericht gestuurd waarin hij onder meer schrijft dat hij in het gesprek van 2 oktober 2024 aan de bedrijfsleider heeft laten weten door te willen gaan met de opdracht en dat hij zich beschikbaar houdt om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten. In dat e-mailbericht heeft [geïntimeerde] verder laten weten zijn werkzaamheden op maandag 7 oktober 2024 te zullen hervatten.
3.8
Op maandag 7 oktober 2024 heeft opnieuw op het kantoor van [appellant] een gesprek plaatsgevonden tussen de bedrijfsleider en [geïntimeerde] . Die dag heeft de advocaat van [geïntimeerde] [appellant] gewezen op de contractuele bepaling voor tussentijdse opzegging van de overeenkomst van opdracht.
3.9
Op 4 november 2024 heeft [geïntimeerde] [appellant] doen dagvaarden.
3.1
In een brief van 19 december 2024 heeft [appellant] de overeenkomst zekerheidshalve opgezegd met inachtneming van de contractuele opzegtermijn.
Partijen hebben de overeenkomst van opdracht niet met wederzijds goedvinden beëindigd
3.11
De rechtbank heeft [appellant] opgedragen te bewijzen dat partijen op of omstreeks 2 oktober 2024 de overeenkomst van opdracht met wederzijds goedvinden hebben beëindigd. Om haar stelling te bewijzen heeft [appellant] twee schriftelijke verklaringen in het geding gebracht van twee werknemers, die hebben verklaard over het handelen van [geïntimeerde] na een gesprek met de bedrijfsleider van [appellant] op 2 of 3 oktober 2024. [appellant] komt in hoger beroep (terecht) niet op tegen de aan haar gegeven bewijsopdracht, maar wel tegen het oordeel van de rechtbank dat zij niet in dat bewijs is geslaagd.
3.12
In hoger beroep voert [appellant] aan dat zij verklaringen en gedragingen van [geïntimeerde] op woensdag 2 en donderdag 3 oktober 2024 in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs zo heeft mogen opvatten dat ook [geïntimeerde] de overeenkomst van opdracht wilde beëindigen. [appellant] wijst op de verklaringen en gedragingen van [geïntimeerde] zoals die blijken uit drie van de door haar in de procedure bij de rechtbank overgelegde schriftelijke verklaringen: één verklaring van de bedrijfsleider die op 2 oktober 2024 het gesprek met [geïntimeerde] heeft gevoerd en de twee verklaringen van de twee werknemers die zijn overgelegd als schriftelijke bewijslevering. Verder stelt [appellant] dat [geïntimeerde] op eigen initiatief de zaken heeft geretourneerd die [appellant] aan [geïntimeerde] had verstrekt voor de uitvoering van de opdracht.
3.13
De schriftelijke verklaringen luiden als volgt.
De bedrijfsleider: “
Woensdag 13.00 gesprek gevoerd conclusie: dat we niet bij elkaar passen, hierna heeft[ [geïntimeerde] ]
een pauze gehad om de info te laten bezinken.(…)
Na een uur bezinktijd, om ongeveer 14.30 uur opnieuw om tafel gegaan met de conclusie dat we niet verder met elkaar gaan. Hij vroeg wat wij in gedachten hadden, aangegeven dat het idee was om de week 40 uit te werken.[ [geïntimeerde] ]
was direct van overtuigd dat 2 weken tot een maand doorbetaald zou willen hebben, en hij heeft zelf besloten per direct te stoppen, en heeft zijn laptop dicht gedaan en is naar huis gegaan.
Werknemer 1: “
[geïntimeerde] komt na het tweede gesprek met[de bedrijfsleider]
op de afdeling, begint zijn spullen in te pakken. Hij geeft aan vanwege het gebrek aan vertrouwen bij[ [appellant] ]
te stoppen bij[ [appellant] ]
.[ [geïntimeerde] ]
geeft iedereen een hand met bedankt voor de samenwerking (heb nog spullen thuis liggen kom ik morgen brengen).
Werknemer 2: “
Na het gesprek met[de bedrijfsleider]
kwam[ [geïntimeerde] ]
ons kantoor binnen en gaf ons vrijwel snel een hand, deelde mee dat hij dan per direct zou stoppen.(…) [ [geïntimeerde] ]
pakte zijn spullen en is vertrokken.
3.14
Het hof verenigt zich met de door de rechtbank gegeven bewijswaardering. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat [appellant] met deze verklaringen niet het door haar te leveren bewijs heeft geleverd. Uit de overgelegde schriftelijke verklaringen volgt niet, ook niet in onderling verband bezien, dat [geïntimeerde] met een beëindiging met wederzijds goedvinden heeft ingestemd en evenmin dat [appellant] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [geïntimeerde] daarmee instemde. Daarvoor is het volgende redengevend.
3.15
Tegenover de schriftelijke verklaring van de bedrijfsleider dat [geïntimeerde] het in het gesprek van 2 oktober 2024 met hem eens was om de samenwerking te beëindigen, staat de ontkenning daarvan van [geïntimeerde] . De volgende feiten en omstandigheden ondersteunen die ontkenning.
3.16
Op 3 oktober 2024 is [geïntimeerde] weer op het werk verschenen. Hij heeft die dag op kantoor van [appellant] gesproken met de bedrijfsleider van [appellant] . Die dag heeft de bedrijfsleider [geïntimeerde] ter ondertekening een document voorgehouden waarin staat dat partijen op 2 oktober 2024 hebben besloten de samenwerking met wederzijds goedvinden te beëindigen. [geïntimeerde] heeft geweigerd dat te ondertekenen. Anders dan [appellant] , kent het hof aan de omstandigheid dat [geïntimeerde] het document van 3 oktober 2024 heeft meegenomen niet de betekenis toe dat [geïntimeerde] met de inhoud daarvan akkoord was. De bedrijfsleider heeft [geïntimeerde] dat document verstrekt en [geïntimeerde] het vervolgens slechts meegenomen. Daaruit blijkt nog niet van instemming. Integendeel: de dag erna (4 oktober 2024) heeft [geïntimeerde] via de mail aan [appellant] laten weten dat hij in het gesprek van 2 oktober 2024 aan de bedrijfsleider heeft laten weten door te willen gaan met de opdracht, dat hij zich beschikbaar houdt om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten en dat hij zijn werkzaamheden op maandag 7 oktober 2024 zal hervatten. [geïntimeerde] is ook verschenen, maar is naar zijn zeggen niet meer toegelaten tot het verrichten van zijn werk. Hij heeft vervolgens een advocaat ingeschakeld en is deze procedure tegen [appellant] begonnen.
3.17
Dat naast [appellant] ook [geïntimeerde] op 2 en/of 3 oktober 2024 de samenwerking wilde beëindigen of dat [appellant] daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen, volgt naar het oordeel van het hof evenmin uit de verklaringen van de werknemers, ook niet in onderling verband bezien. Volgens die werknemers heeft [geïntimeerde] aan het einde van het gesprek dat hij had met de bedrijfsleider van [appellant] zijn spullen gepakt, de twee collega’s een hand geschud en tegen hen gezegd dat hij (al dan niet vanwege het gebrek aan vertrouwen bij [appellant] ) per direct zou stoppen. Hij heeft hen bedankt voor de samenwerking en is vervolgens vertrokken. Deze beweerdelijke gedragingen van [geïntimeerde] passen net zo goed bij een situatie waarin [appellant] de overeenkomst van opdracht eenzijdig wilde beëindigen.
3.18
[geïntimeerde] betwist de stelling van [appellant] dat hij op 2 oktober 2024 eigenhandig is overgegaan tot het inleveren van de voor de uitvoering van de opdracht benodigde bedrijfseigendommen van [appellant] . [geïntimeerde] voert aan dat de bedrijfsleider hem heeft gesommeerd de werklaptop en telefoon in te leveren. Deze door [geïntimeerde] voor zijn betwisting aangevoerde stelling wordt ondersteund door het document van 3 oktober 2024. Dat is opgesteld door de bedrijfsleider, die daarin onder andere heeft opgenomen dat [geïntimeerde] alle goederen die van [appellant] zijn moet inleveren. Verder wordt de stelling van [geïntimeerde] ondersteund door zijn e-mail van 4 oktober 2024 aan de bedrijfsleider. Daarin schrijft [geïntimeerde] dat de bedrijfsleider hem heeft verzocht de aan hem ter beschikking gestelde spullen (telefoon, laptop etc.) meteen in te leveren en dat hij dat totaal verbouwereerd heeft gedaan. Gelet op deze twee stukken lag het op de weg van [appellant] om haar stelling dat [geïntimeerde] de spullen uit zichzelf heeft ingeleverd nader te onderbouwen. [appellant] heeft dat nagelaten. De stelling is daarom niet komen vast te staan.
-
Bewijsaanbod [appellant] in hoger beroep
3.19
[appellant] heeft aangeboden bewijs te leveren van al haar stellingen door alle middelen rechtens waaronder het horen van getuigen, meer specifiek door werknemers 1 en 2.
3.2
Op grond van vaste rechtspraak [1] met betrekking tot een bewijsaanbod in hoger beroep geldt het volgende. Uitgangspunt is dat, op grond van artikel 166 lid 1 Rv Pro in verbinding met artikel 353 lid 1 Rv Pro, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten als zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet vermeldt op welke van haar stellingen dit aanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, maar zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt vermeld wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. In het geval schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.
3.21
Het bewijsaanbod van [appellant] is niet voldoende specifiek. [appellant] laat na concreet aan te geven op welke van haar stellingen en op welke feiten haar algemene bewijsaanbod betrekking heeft en in hoeverre het aangeboden bewijs kan leiden tot een andere beslissing in de zaak. Het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat wat de betrokken werknemers op schrift hebben verklaard, onvoldoende is voor honorering van het verweer van [appellant] . [appellant] voert niet aan dat werknemers 1 en 2 meer of anders kunnen verklaren dan zij schriftelijk hebben gedaan. Dat had van [appellant] in deze zaak wel verlangd mogen worden. Het hof honoreert het bewijsaanbod van [appellant] dan ook niet.
-
Tussenconclusie
3.22
Het hof komt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] op 2 en/of 3 oktober 2024 instemde met het beëindigen van de overeenkomst van opdracht en evenmin dat [appellant] daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen. Grief 1 slaagt niet.
Eenzijdige verklaring van [appellant] op 2 en 3 oktober 2024: geen opzeggings- en geen ontbindingsverklaring
3.23
Het hof stelt vast dat de bedrijfsleider van [appellant] op 2 (mondeling) en 3 oktober 2024 (ook schriftelijk) aan [geïntimeerde] voldoende duidelijk heeft gemaakt dat [appellant] geen verdere samenwerking met hem wilde. De bedrijfsleider van [appellant] heeft het beëindigen van de samenwerking bij die gelegenheden aan de orde gesteld en [geïntimeerde] voelde zich daardoor naar eigen zeggen overdonderd.
3.24
Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of dit kwalificeert als een opzeggingsverklaring dan wel een ontbindingsverklaring. Dat moet worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in de artikelen 3:33 en 3:35 BW.
3.25
Dat is naar het oordeel van het hof niet het geval. Voor [geïntimeerde] mocht op 2 en 3 oktober 2024 dan wel duidelijk zijn dat [appellant] van hem af wilde, maar [appellant] gaat er ten onrechte aan voorbij dat de bedrijfsleider zowel op 2 als op 3 oktober 2024 in niet mis te verstane bewoordingen aan [geïntimeerde] duidelijk heeft gemaakt dat [appellant] de overeenkomst van opdracht wilde beëindigen met wederzijds goedvinden. Het document van 3 oktober 2024 is volgens de eigen bewoordingen immers een verslag van wat op 2 oktober 2024 tussen partijen is besproken. Het document vangt aan met de woorden “
Hierbij bevestigen wij onze afspraken met betrekking tot de beëindiging van onze samenwerking.” In het document van 3 oktober 2024 staat vervolgens “
Na ons gesprek op 2 oktober jongstleden hebben wij gezamenlijk in goed overleg besloten de samenwerking te beëindigen.” [appellant] wilde dat [geïntimeerde] dat document voor akkoord ondertekende. De gebruikte bewoordingen in het document van 3 oktober 2024 duiden niet op een wens van [appellant] om over te gaan tot een formele beëindiging – in de vorm van opzegging of ontbinding – van de overeenkomst, maar alleen op de wens van [appellant] om de overeenkomst van opdracht gezamenlijk te beëindigen.
3.26
Dit is van belang omdat het uitmaakt op welke wijze de overeenkomst van opdracht eindigt. Bij een beëindiging met wederzijds goedvinden en bij ontbinding zou [geïntimeerde] gelijk geen recht meer hebben op loon, terwijl [geïntimeerde] bij een eenzijdige schriftelijke opzegging met inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn van twee maanden recht zou hebben op nog twee maanden loon. Omdat [appellant] duidelijk heeft aangedrongen op beëindiging met wederzijds goedvinden, kunnen noch het gesprek op 2 oktober 2024 noch het document van 3 oktober 2024 worden aangemerkt als een opzegging (overeenkomstig de overeenkomst) en/of als een (gedeeltelijke) ontbinding.
3.27
Het is het hof onduidelijk op grond waarvan [geïntimeerde] de gesprekken op 2 en 3 oktober en/of het document van 3 oktober 2024 had moeten begrijpen als een tussentijdse opzegging of als een ontbinding. [appellant] rept niet over de contractuele opzegtermijn van twee maanden en het is niet zo dat [appellant] [geïntimeerde] daarna nog twee maanden loon heeft betaald. Dit duidt er niet op dat [appellant] de overeenkomst van opdracht op 3 oktober 2024 tussentijds heeft opgezegd, zoals het contact dat toestaat. [appellant] stelt wel dat zij in het gesprek van 2 oktober 2024 het disfunctioneren van [geïntimeerde] aan de orde heeft gesteld, maar dat is onvoldoende om vast te stellen dat sprake was van een ontbinding van de overeenkomst op grond van een tekortkoming van [geïntimeerde] in de uitvoering van de overeenkomst van opdracht. Zo betwist [geïntimeerde] onder meer dat hij in verzuim is geraakt. [appellant] heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat aan de voor ontbinding benodigde verzuimeis is voldaan. Zonder toelichting, die ontbreekt, is onduidelijk hoe voor [geïntimeerde] duidelijk moest zijn dat [appellant] op 3 oktober 2024 de overeenkomst wilde ontbinden.
3.28
[appellant] voert tot haar verweer nog aan dat het beroep van [geïntimeerde] op het schriftelijkheidsvereiste en op de inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [appellant] stelt dat zowel haar financiële positie als haar reputatie ernstig en mogelijk onherstelbaar zouden zijn geschaad als [geïntimeerde] nog twee maanden voor haar zou zijn blijven doorwerken, wat [geïntimeerde] betwist. Gelet op die betwisting lag het op de weg van [appellant] om haar stelling nader te onderbouwen. [appellant] heeft dat nagelaten. [appellant] onderbouwt haar stelling niet meer of anders dan met de opmerking dat zij ontevreden was over de werkzaamheden van [geïntimeerde] . Dat is onvoldoende, te meer omdat [geïntimeerde] op 2 oktober 2024 nog geen drie weken bij [appellant] aan de slag was.
De overeenkomst van opdracht is geëindigd op 14 februari 2025
3.29
Net als de rechtbank stelt het hof vast dat de eerste en enige formeel geldige opzegging is gedaan door [appellant] met de brief van 19 december 2024. Grieven 2 en 3 slagen niet.
[geïntimeerde] heeft recht op doorbetaling na 2 oktober 2024
3.3
De rechtbank heeft geoordeeld dat het overeengekomen weektarief aan loon van € 2.775,00 exclusief btw is gebaseerd op een 40-urige werkweek en dat een lager aantal uren – wanneer dit voor rekening en risico van [geïntimeerde] komt – leidt tot een lager loon. Tegen deze overweging heeft [appellant] geen grief gericht, zodat ook het hof ervan uitgaat dat partijen dit zo zijn overeengekomen. Omdat [geïntimeerde] na 2 oktober 2024 geen werkzaamheden meer heeft verricht voor [appellant] vindt [appellant] dat [geïntimeerde] na 2 oktober 2024 geen loon meer toekomt.
3.31
[appellant] maakt bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat het niet aan [geïntimeerde] is te wijten dat hij na 2 oktober 2024 geen werkzaamheden meer voor [appellant] heeft verricht, omdat [appellant] wilde dat [geïntimeerde] de bedrijfseigendommen van [appellant] weer inleverde.
3.32
Vast staat dat [geïntimeerde] op 2 of 3 oktober 2023 de bedrijfseigendommen van [appellant] heeft ingeleverd. [geïntimeerde] stelt dat hij door [appellant] niet meer in staat is gesteld om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten. [appellant] betwist niet dat [geïntimeerde] zijn werk niet meer kon doen nadat hij alle daarvoor aan hem ter beschikking gestelde goederen bij [appellant] had ingeleverd, maar wel dat dit haar valt te verwijten. [appellant] voert aan dat [geïntimeerde] dat zelf heeft besloten; dat hij die bedrijfseigendommen vrijwillig bij [appellant] heeft ingeleverd. Zoals hiervoor (in rechtsoverweging 3.18) al is overwogen, wordt de stelling van [geïntimeerde] dat hij de spullen onder druk heeft ingeleverd ondersteund door het document van 3 oktober 2024 en door de e-mail van 4 oktober 2024 van [geïntimeerde] aan de bedrijfsleider.
3.33
Met die stukken is de onderbouwing van de stelling van [geïntimeerde] sterker dan de onderbouwing van de betwisting door [appellant] . Een nadere onderbouwing van de betwisting door [appellant] vormt niet de verklaring die [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft afgelegd dat hij de bedrijfseigendommen zo snel mogelijk heeft teruggegeven omdat hij vreesde te worden beschuldigd van diefstal. Uit die verklaring volgt namelijk niet dat [geïntimeerde] uit zichzelf is overgegaan tot het inleveren van de bedrijfseigendommen van [appellant] . De verklaring van [geïntimeerde] past namelijk beter bij een situatie waarin [appellant] wilde dat [geïntimeerde] haar bedrijfseigendommen inleverde.
3.34
Het hof komt gelet op het voorgaande tot de vaststelling dat [appellant] wilde dat [geïntimeerde] haar bedrijfseigendommen inleverde en [geïntimeerde] daarom zijn werk niet meer kon doen. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat [geïntimeerde] na 2 oktober 2024 niet meer gewerkt heeft daarom niet aan [geïntimeerde] is te wijten en geen omstandigheid is die voor zijn rekening en risico dient te komen, en dat een redelijke uitleg van de overeenkomst niet met zich brengt dat [geïntimeerde] geen of een lager loon toekomt.
[appellant] moet [geïntimeerde] nog € 55.478,50 betalen
3.35
De rechtbank heeft het nog aan [geïntimeerde] toekomende loon tot en met 13 februari 2025 berekend op € 61.800,75. [appellant] is het daar niet mee eens omdat in het overeengekomen weekloon een onkostenvergoeding voor onder meer reiskosten is begrepen en [geïntimeerde] vanaf 3 oktober 2024 geen reiskosten meer heeft gehad.
3.36
Deze grief (grief 4) van [appellant] slaagt. Artikel 7:411 lid 2 BW Pro bepaalt dat op het loon in mindering worden gebracht de besparingen die voor de opdrachtnemer uit de voortijdige beëindiging voortvloeien. Onder besparingen vallen bespaarde kosten, zoals reiskosten die [geïntimeerde] anders had moeten maken. Vanaf 3 oktober 2024 heeft [geïntimeerde] die reiskosten niet meer gehad. Bij het bepalen van de hoogte van deze besparing gaat het hof uit van reiskosten zoals [geïntimeerde] die in zijn facturen heeft opgenomen, te weten € 275 exclusief btw per week. Omdat de periode tussen 3 oktober 2024 en 14 februari 2025 (afgerond) 19 weken bevat, stelt het hof de besparingen die voor [geïntimeerde] uit de voortijdige beëindiging van de opdracht voortvloeien, vast op € 5.225 excl. btw (19 weken keer € 275), is € 6.322,25 incl. btw.
3.37
Het hof komt tot de slotsom dat [appellant] aan [geïntimeerde] nog € 55.478,50 moet betalen (€ 61.800,75 - € 6.322,25). In zoverre slaagt grief 5 van [appellant] .
De conclusie
3.38
Het hoger beroep slaagt voor een beperkt deel. Omdat [appellant] in hoger beroep hoofdzakelijk in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [2]
3.39
De proceskostenveroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 21 mei 2025 en 13 augustus 2025, behalve de in het vonnis van 13 augustus 2025 in het dictum onder 4.2. opgenomen beslissing:

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 61.800,75, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 maart 2025, tot de dag van volledige betaling,
die hierbij wordt vernietigd en beslist:
veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 55.478,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 maart 2025, tot aan de dag van volledige betaling;
4.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 827,00 aan griffierecht
€ 2.352,00 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 procespunt x het toepasselijke tarief IV)
4.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, J.H. Kuiper en O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.

Voetnoten

1.Vgl. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ2005/270
2.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.