ECLI:NL:GHARL:2026:4775

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
200.359.948/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:86 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen schadevergoeding wegens verkoop landbouwmachine zonder toestemming

Eiser vordert schadevergoeding omdat een landbouwmachine van hem zonder zijn toestemming door een door de bestuurders indirect bestuurde vennootschap is verkocht en de opbrengst is gehouden. De machine was in consignatie gegeven aan Prinsen, waarvan een groot deel van de activa werd verkocht aan Agrar Systems B.V., bestuurd door de appellanten.

De kantonrechter veroordeelde Agrar en de bestuurders hoofdelijk tot betaling van schadevergoeding, maar zij gingen in hoger beroep. Het hof oordeelt dat Agrar te goeder trouw was bij de aankoop van de activa, waaronder de transportband, en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat de bestuurders wisten of hadden moeten weten dat de machine eigendom van eiser was.

Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter, wijst de vordering af, en veroordeelt eiser tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen en tot betaling van proceskosten van de bestuurders. De proceskostenveroordeling van de kantonrechter blijft in stand. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en op 21 juli 2026 uitgesproken.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering af en veroordeelt eiser tot terugbetaling en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.948/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11610015
arrest van 21 juli 2026
in de zaak van

1.Kemble B.V.

die is gevestigd in [woonplaats1]

2. [appellant2] ( [appellant2] )

3. [appellant3] ( [appellant3] )

die beiden wonen in [woonplaats1]
samen te noemen:
de bestuurders
advocaat: mr. M. Kampman
en
[geintimeerde1] , handelend onder de naam [geintimeerde1] Landwirtschaftliches Unternehmen
die woont in [woonplaats2] , [Land1]
advocaat: mr. E.H. [naam1]

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
De bestuurders hebben bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op
7 mei 2025 tussen partijen is uitgesproken door de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord
• het verslag van de mondelinge behandeling op 9 juni 2026 (het proces-verbaal)
1.2
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak, de vordering en de te nemen beslissing

2.1
In deze zaak maakt [geintimeerde1] de bestuurders het verwijt dat een door hen (indirect) bestuurde vennootschap een landbouwmachine van hem zonder zijn toestemming en zijn medeweten heeft verkocht en de verkoopopbrengst in eigen zak heeft gestoken. Dat geschil heeft de volgende feitelijke achtergrond.
2.2
[geintimeerde1] heeft in 2010 een zogenoemde Duo Band Visser TS 6+7 gekocht van Prinsen Handling Solutions B.V. (Prinsen).V Dat is een agrarische transportband waarvan hieronder een afbeelding wordt weergegeven. Deze machine, die een nieuwwaarde had van € 11.100, heeft [geintimeerde1] in de lente van 2021 aan Prinsen in consignatie gegeven. Hij stond sindsdien bij Prinsen in [woonplaats3] gestald.
2.3
Met het oog op door Prinsen geleden verliezen, is eind juli 2021 voor in totaal € 109.110 exclusief btw een groot deel van de activa van Prinsen aan Agrar Systems B.V. (Agrar) verkocht. [1] Het taxatierapport dat daartoe is opgemaakt, maakt melding van ‘transportbanden’ als onderdeel van de bedrijfsvoorraad. Het was de bedoeling dat Agrar de onderneming van Prinsen zou voortzetten en dat de verkoopopbrengst door Prinsen zou worden gebruikt voor betalingen aan haar schuldeisers. De door Agrar gekochte activa zijn in augustus 2021 aan haar overgedragen.
2.4
De heer en mevrouw [appellanten] waren via Kemble de bestuurders van Agrar. Daarom worden deze appellanten samen als de bestuurders aangeduid.
2.5
Voor het geval dat Prinsen niet in staat zou zijn alle crediteuren uit de totale koopsom te voldoen, heeft Agrar zich verplicht tot een aanvullende verhoging van de koopsom tot maximaal € 100.000. Dat bedrag is ook betaald. Op 2 november 2021 is Prinsen desondanks failliet verklaard.
2.6
Agrar heeft de Duoband van [geintimeerde1] in 2022 aan een derde verkocht. [geintimeerde1] is van mening dat de bestuurders hem daarmee onrechtmatig schade hebben toegebracht. Op zijn vordering heeft de kantonrechter zowel Agrar als de bestuurders – die door een fout van hun advocaat geen verweer hadden gevoerd – hoofdelijk veroordeeld om aan hem € 12.010 schadevergoeding te betalen, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.
2.7
Tegen deze beslissing komen de bestuurders in hoger beroep op. Het hof zal hen daarin gelijk geven en beslissen dat de toegewezen vorderingen alsnog moeten worden afgewezen. Ook zal hun vordering worden gehonoreerd tot terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geintimeerde1] hebben betaald. In hoger beroep valt de proceskostenveroordeling desondanks aan de kant van de bestuurders. Dat wordt hierna toegelicht.
De transportband, die bij de verkoop door Agrar was voorzien van haar eigen logo (linksboven op de foto). Bij de bronaanduiding boven de foto staat de naam van [geintimeerde1] ( [geintimeerde1] -77000mm.jpg).

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Het faillissement van Agrar
3.1
Agrar was medegedaagde in deze procedure. De hoofdelijke veroordeling is ook tegen haar uitgesproken. Agrar is vervolgens tezamen met haar bestuurders in hoger beroep gekomen, maar is op 30 september 2025 gefailleerd. De curator in dat faillissement heeft besloten zich aan deze procedure te onttrekken.
De bevoegdheid van de Nederlandse rechter en het toepasselijke recht
3.2
Omdat [geintimeerde1] in [Land1] woont en zijn vordering om die reden een internationaal karakter draagt, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van die vordering kennis te nemen. De kantonrechter heeft op goede gronden aangenomen dat dat het geval is, en ook dat Nederlands recht van toepassing is.
De vraag of de bestuurders onrechtmatig hebben gehandeld
3.3
Voor de beoordeling van de vordering is van doorslaggevend belang of Agrar er bij de verkoop van de transportband van [geintimeerde1] te goeder trouw van is uitgegaan dat die machine eigendom van Prinsen was (dat Prinsen beschikkingsbevoegd was). Als dat zo is, dan heeft die goede trouw ertoe geleid dat Agrar eigenaar van de machine is geworden, ondanks de (mogelijke) beschikkingsonbevoegdheid van deze verkoper (artikel 3:86 lid 1 BW Pro). Haar bestuurders treft dan niet – zoals hier is vereist - een persoonlijk ernstig verwijt van de benadeling van [geintimeerde1] die is gebaseerd op het ontbreken van deze goede trouw.
3.4
Het ligt op de weg van [geintimeerde1] om te bewijzen dat de goede trouw bij Agrar ontbrak. Hij heeft daartoe in eerste instantie aangevoerd dat Agrar de activa uit de boedel van het gefailleerde Prinsen heeft overgenomen en wist of had moeten weten (lees: dat haar bestuurders wisten of hadden moeten weten) dat de transportband daarvan geen onderdeel uitmaakte. De curator in het faillissement van Agrar heeft dat laatste later inderdaad bevestigd.
3.5
Dit standpunt is inmiddels echter verlaten, omdat in de loop van de procedure is komen vast te staan dat Agrar de activa van Prinsen al voorafgaand aan het faillissement van Prinsen heeft gekocht en geleverd gekregen en dat die activa dus helemaal geen onderdeel van de failliete boedel konden uitmaken. De bestuurders hebben bovendien toegelicht en onderbouwd dat de voorraad aan bedrijfsmiddelen die Agrar heeft gekocht voordien is geïnventariseerd en getaxeerd, en dat daarbij ook melding is gemaakt van transportbanden. Zij wijst er verder op dat de koopovereenkomst de garantie bevat dat alle activa vrij van rechten van derden zouden worden geleverd. Onbestreden is dat Agrar dat niet zelf aan de hand van de administratie van Prinsen kon controleren. Zij had naar haar zeggen ook verder geen reden te vermoeden dat zich onder de gekochte bedrijfsmiddelen eigendommen van derden bevonden.
3.6
Gelet op dit verweer had [geintimeerde1] zijn vordering nader moeten onderbouwen. Dat heeft hij echter onvoldoende gedaan. Het hof licht dat hierna kort toe.
3.7
[geintimeerde1] heeft erop gewezen dat bij de verkoop van de transportband gebruik is gemaakt van een jpg-afbeeldingen met een bestandsnaam waarin zijn naam is vermeld. Het was volgens [geintimeerde1] dus bekend dat de Duoband van hem was.
3.8
Inmiddels is komen vastte staan dat deze foto door een werknemer van Agrar is gemaakt in het kader van de verkoop. Van de zijde van de bestuurders is ter zitting aangevoerd dat na de verkoop en overdracht aan Agrar bleek dat deze machine, die oorspronkelijk door Prinsen aan [geintimeerde1] was verkocht, zonder nadere gegevens in de administratie van Prinsen was opgenomen met de vermelding ´inruil [geintimeerde1] ´ of woorden van die strekking. Het is in dat geval te verklaren dat de foto als jpg-bestand is opgeslagen met de vermelding van de naam van [geintimeerde1] . De door de bestuurders beschreven ontdekking van de registratie van de transportband in het systeem van Prinsen rechtvaardigt in elk geval niet (zonder meer) de conclusie dat bij Agrar al ten tijde van verkoop en overdracht, bekend was dat de transportband (nog) [geintimeerde1] eigendom was. De Aanduiding ‘inruil’ kan bovendien ook zien op eigendomsverkrijging van Prinsen.
3.9
De bestuurders wordt daarnaast verweten dat zij achteraf tegenstrijdige uitlatingen over de gang van zaken hebben gedaan. [geintimeerde1] moet worden toegegeven dat zij in hun uitlatingen niet steeds transparant zijn geweest en dat hun reacties op vragen van [geintimeerde1] vaak van weinig medewerking getuigen. Er kan echter niet uit worden opgemaakt dat zij er bij de verkoop van op de hoogte waren dat [geintimeerde1] nog enig recht op de transportband kon doen gelden. Dat geldt meer in het bijzonder voor de uitlatingen van [appellant3] waarop door [geintimeerde1] wordt ingezoomd. Op 11 april 2023 schreef zij aan mr. [naam1] dat de Duoband indertijd (inderdaad) door [geintimeerde1] onder voorbehoud van eigendomsrecht aan Prinsen is afgegeven. Maar daarmee suggereert zij niet dat zij daar ten tijde van de verkoop door Agrar al van op de hoogte was.
3.1
Ten slotte: volgens [geintimeerde1] wisten medewerkers van Prinsen/Agrar dat de transportband van hem was. Dat impliceert op zichzelf evenmin - een nadere toelichting ontbreekt - dat ook de bestuurders van Agrar hiervan ten tijde van de verkoop op de hoogte waren of hadden moeten zijn.
3.11
Voor het overige heeft [geintimeerde1] niet, alsnog, omstandigheden aangevoerd die zijn vordering kunnen dragen. Voor bewijsvoering ziet het hof dan ook geen grond.
De conclusie
3.12
Het hoger beroep slaagt. De vordering van [geintimeerde1] zal worden afgewezen en hij zal worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de bestuurders in beide procedures.

4.De beslissing

Het hof:
4.1
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 7 mei 2025 en wijst de vordering van [geintimeerde1] af;
4.2
veroordeelt [geintimeerde1] tot terugbetaling aan [appellanten] van alles wat zij op grond van het vonnis van de kantonrechter aan [geintimeerde1] hebben betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling tot aan de dag van terugbetaling;
4.3
veroordeelt [geintimeerde1] tot betaling van de proceskosten bij de kantonrechter van [appellanten] en bepaalt die kosten op nihil;
4.4
veroordeelt [geintimeerde1] tot betaling van de volgende proceskosten van de bestuurders in hoger beroep:
€ 946,40 aan procedurele kosten
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van de bestuurders (2 procespunten x het toepasselijke tarief II)
4.5
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.6
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.7
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, B.J. Engberts en M.A.L.M. Willems, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.

Voetnoten

1.Daarnaast zijn ook de orderportefeuille, IE-rechten, goodwill en het bedrijfspand aan Agrar verkocht. De totale koopsom beliep € 999.110. Inderdaad nvb voor de zaak.