ECLI:NL:GHARL:2026:481

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
Wahv 200.357.350/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:18 AwbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriftenWet open overheid
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing inzake schending inzagerecht bij verkeersboete

De betrokkene is gesanctioneerd met een boete van €120 wegens het overtreden van een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op 23 maart 2024 in Amsterdam. Hij stelde dat zijn inzagerecht was geschonden omdat de gemeente Amsterdam, als bekeurende instantie, het originele dossier niet ter inzage gaf. De betrokkene vorderde vernietiging van de sanctie op grond van deze vermeende schending.

Het hof oordeelt dat het inzagerecht in de beroepsfase geregeld is in artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De officier van justitie heeft op 13 juni 2024 een afschrift van de relevante stukken aan de betrokkene verstrekt. De enkele suggestie dat het dossier niet volledig zou zijn, is onvoldoende om te concluderen dat het inzagerecht is geschonden.

Daarnaast wijst het hof erop dat de Wet open overheid een bredere mogelijkheid biedt om publieke informatie op te vragen, maar dat de beoordeling van een weigering door de gemeente buiten de reikwijdte van deze procedure valt. Ook is een schending van het inzagerecht geen grond voor vernietiging van de inleidende beschikking. Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en de beslissing van de kantonrechter bevestigd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en verklaart het hoger beroep ongegrond wegens geen schending van het inzagerecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.357.350/01
CJIB-nummer
: 265469165
Uitspraak d.d.
: 28 januari 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. Daarbij is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om daarop te reageren.
De zaak is behandeld op de zitting van 14 januari 2026. De betrokkene is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam].

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 120,- voor: “handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: bord C12”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 maart 2024 om 13:48 uur op de Sloterweg, rijstrook 1 in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken].
2. De betrokkene voert aan dat zijn inzagerecht is geschonden. De gemeente Amsterdam is in dit geval de bekeurende instantie. Die beschikt dus over het originele dossier van deze zaak. Het dossier dat naar de officier van justitie is gestuurd is hiervan afgeleid. Het is maar de vraag of dit dossier alle stukken uit het originele dossier bevat. Daarom wil de betrokkene inzage in het originele dossier. De gemeente Amsterdam heeft hem dit echter geweigerd. Aldus is sprake van een grove schending van het inzagerecht, hetgeen dient te leiden tot vernietiging van de sanctie.
3. Het inzagerecht voor de fase van het administratief beroep is vastgelegd in artikel 7:18 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van het vierde lid van dat artikel is de officier van justitie gehouden om op verzoek aan de indiener van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. In zaken als de onderhavige gaat het daarbij in ieder geval om de stukken die de ambtenaar bij de oplegging van de sanctie heeft gebruikt.
4. De aangewezen weg voor de betrokkene om informatie te verkrijgen ten behoeve van het aanvechten van de sanctie is dus het bij de officier van justitie indienen van een verzoek op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb. De enkele suggestie van de betrokkene dat het dossier waarover de officier van justitie beschikt niet volledig zou zijn, is onvoldoende om hierover anders te oordelen. Het hof stelt vast dat de officier van justitie op 13 juni 2024 een afschrift aan de betrokkene heeft gestuurd van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Van een schending van de informatieplicht door de officier van justitie is dan ook geen sprake.
5. Naast het hierboven genoemde inzagerecht bestaat op grond van de Wet open overheid de mogelijkheid om in meer algemene zin publieke informatie op te vragen bij een bestuursorgaan (vgl. het arrest van het hof van 23 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10797). De beantwoording van de vraag of de gemeente Amsterdam het verzoek van de betrokkene om informatie al dan niet terecht heeft geweigerd gaat de reikwijdte van deze procedure echter te buiten.
6. De opvatting van de betrokkene dat een schending van het inzagerecht dient te leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking vindt overigens geen steun in het recht. Een dergelijke schending betreft immers niet een gebrekkige totstandkoming van de inleidende beschikking.
7. Gelet op het voorgaande treft de klacht van de betrokkene geen doel. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.