ECLI:NL:GHARL:2026:4824

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
200.359.642 en 200.359.772
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:157 lid 6 BWArt. 1:165 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep echtscheiding: verdeling woning en vaststelling partneralimentatie

Partijen zijn in 2016 gehuwd in gemeenschap van goederen. De vrouw diende in september 2023 een verzoek tot echtscheiding in, welke op 27 juni 2025 werd uitgesproken. De rechtbank bepaalde onder meer dat de echtelijke woning verkocht moet worden en stelde voorlopige partneralimentatie vast.

In hoger beroep zijn geschilpunten de termijn van het gebruik van de woning door de vrouw en de hoogte van de partneralimentatie. De vrouw verzocht om verlenging van het gebruik van de woning tot zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en herziening van de alimentatie. De man verzocht om verlaging van de alimentatie tot nihil en dwangsom bij weigering medewerking verkoop woning.

Het hof oordeelt dat de woning verkocht moet worden zonder verlenging van het gebruik door de vrouw, die onvoldoende aannemelijk maakte dat zij de woning kan overnemen. De vrouw wordt verplicht medewerking te verlenen aan de verkoop, met een dwangsom van €500 per dag bij niet-naleving. De partneralimentatie wordt vastgesteld op €680 bruto per maand tot levering woning en €1.550 bruto per maand daarna, lager dan rechtbank. De echtscheiding wordt opnieuw uitgesproken met correctie van een kennelijke fout in de plaats van huwelijk.

Uitkomst: Het hof spreekt de echtscheiding opnieuw uit, bepaalt de verkoop van de woning met medewerking van de vrouw onder dwangsom en stelt partneralimentatie vast op €680 bruto per maand tot levering woning en €1.550 bruto daarna.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.359.642 en 200.359.772
(zaaknummers rechtbank Overijssel 302738 en 407468)
beschikking van 23 juli 2026
inzake
[verzoekster](de vrouw),
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. P.T. Pel te Hattem,
en
[verweerder](de man),
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
ten behoeve van wie ten aanzien van de financiële geschilpunten de zaak is overgenomen door de bij beschikking van 25 oktober 2025 ingestelde bewindvoerder:
ZEKER Financiële Zorgverlening B.V.,
gevestigd te Almere,
advocaat: mr. C. Niens te Zwolle

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 27 juni 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 26 september 2025;
- een brief namens de vrouw met producties, ingekomen op 27 oktober 2025;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen op 24 november 2025;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 17 januari 2026;
- twee journaalberichten namens de man met een productie(s), ingekomen op 18 mei 2026;
- een journaalbericht namens de vrouw met producties, ingekomen op 18 mei 2026;
- een journaalbericht namens de vrouw met producties, ingekomen op 21 mei 2026.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 28 mei 2026 plaatsgevonden. De vrouw is verschenen, bijgestaan door mr. Pel. Namens de bewindvoerder en de man is mr. Niens verschenen.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn [in] 2016 gehuwd in gemeenschap van goederen.
3.2.
De vrouw heeft op 20 september 2023 een verzoek tot echtscheiding ingediend. De echtscheiding is op 27 juni 2025 uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.3.
De rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft bij beschikking van 27 juni 2025 (voor zover in hoger beroep van belang) als volgt geoordeeld:
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, [in] 2016 te Zwolle gehuwd;
bepaalt dat de man met ingaan van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot aan verkoop en levering van de echtelijke woning aan een derde een bedrag van € 849,- per maand aan de vrouw voldoet als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van
de vrouw na verkoop en levering van de echtelijke woning aan een derde op € 1.618,-
per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de man de helft van de hypotheekrente en -aflossing van de op de
echtelijke woning rustende hypothecaire geldlening ten behoeve van de vrouw voldoet in het kader van een op de man rustende onderhoudsverplichting jegens de vrouw;
gelast de wijze van verdeling van de echtelijke woning aan [adres1]
en de daaraan verbonden hypothecaire lening als volgt:
- bepaalt dat de woning in de verkoop moet worden gezet door [naam1] , waarvoor beide partijen binnen vier weken na heden de opdracht moeten geven;
- bepaalt dat deze beschikking in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en de wilsverklaring van beide partijen voor het in de verkoop geven van de woning;
- bepaalt dat de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt als partijen er niet binnen twee weken na het geven van de opdracht in slagen gezamenlijk de vraagprijs te bepalen;
- bepaalt dat beide partijen zich moeten houden aan de voorwaarden voor de verkoop van de woning;
- bepaalt dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst moeten aangaan met degene die de hoogste prijs biedt voor zover die prijs, gezien de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is;
- bepaalt dat in het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, de makelaar dit naar beste weten voor partijen bindend vaststelt;
- bepaalt dat de beschikking in de plaats zal treden van de door de partijen te verrichten benodigde rechtshandelingen voor de levering van de woning aan de koper;
- bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;
- bepaalt dat de op de woning rustende hypothecaire geldlening bij gelegenheid van de
eigendomsoverdracht zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;
- bepaalt dat de netto verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen moet worden verdeeld;
(…)
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behoudens voor zover het de echtscheiding betreft;
wijst af al het meer of anders verzochte.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Tussen partijen is in hoger beroep in geschil de verkoop van de echtelijke woning en de hoogte van de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (partneralimentatie).
4.2.
De vrouw is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 27 juni 2025. De eerste grief bevat meerdere grieven en ziet op de aantasting van het persoonlijke leven van de vrouw door (a) de echtscheiding uit te spreken, (b) door het voortgezet gebruik van de echtelijke woning af te wijzen, (c) door de vrouw te gebieden tot het verlenen van haar medewerking aan verkoop van de woning en (d) door de nevenvoorziening uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De tweede grief ziet op het rekening houden met bepaalde schulden van de man bij de draagkrachtberekening. De vrouw verzoekt om de echtscheiding opnieuw uit te spreken, te bepalen dat de vrouw gedurende zes maanden na inschrijving van deze beschikking in de echtelijke woning mag verblijven en de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw opnieuw vast te stellen, zowel voor wat betreft de periode vóór als vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot aan het moment van de verkoop en levering van de echtelijke woning.
4.3.
De man is op zijn beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De eerste grief ziet op de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. De man verzoekt om de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vast te stellen op nihil en om de vrouw te veroordelen de reeds teveel betaalde partneralimentatie terug te betalen aan de man. De tweede grief ziet op het verplichten van de vrouw om alle medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning op straffe van een dwangsom. Hij heeft in dat kader tevens zijn verzoek vermeerderd en verzocht aanvullend te bepalen dat de vrouw alle medewerking dient te verlenen aan handelingen die voor de verkoop van de woning wenselijk zijn, waaronder het binnen 14 dagen na afgifte van de beschikking aan de makelaar verlenen van toegang tot de woning voor het maken van foto’s, het op eerste verzoek afgeven van een sleutel aan een medewerker van de makelaar voor de bezichtiging en het leeg en schoon opleveren van de woning met aanhorigheden bij levering van de woning, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag.
4.4.
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk per onderwerp bespreken.

5.De motivering van de beslissing

Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
5.1.
De vrouw gaat onder grief I in op de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking, maar zij heeft in het petitum op dit punt geen verzoek geformuleerd. Daarnaast doet het hof in deze beschikking een einduitspraak. De vrouw heeft daarom geen belang bij het slagen van deze grief, waardoor het hof deze grief niet zal behandelen.
Echtscheiding
5.2.
De vrouw verzoekt dat de echtscheiding opnieuw wordt uitgesproken. Zij stelt dat zij belang erbij heeft dat de echtscheiding en de nevenvoorzieningen gelijktijdig worden uitgesproken. De bijzondere omstandigheden zijn erin gelegen dat de vrouw moet herstellen van een ernstige huwelijkscrisis en in een wooncrisis komt wanneer er geen passende woonvoorziening voor haar wordt geboden.
5.3.
De man voert verweer en stelt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Het rechtsmiddel van hoger beroep is niet gegeven om een partij wier verzoek door de rechter in eerste aanleg is toegewezen, de gelegenheid te geven die beslissing ongedaan te maken omdat die partij bij nader inzien de voorkeur eraan geeft van dat verzoek af te zien. De vrouw woont ook al twee jaren in de echtelijke woning, waardoor het enkele argument dat de vrouw dan nog langer in de woning kan verblijven geen bijzondere omstandigheid oplevert.
5.4.
Het hof heeft ambtshalve geconstateerd dat in het dictum van de beschikking een kennelijke fout staat vermeld, namelijk dat partijen getrouwd zijn in [plaats1] terwijl dit in [plaats2] is geweest. Er is geen verzoek gedaan bij de rechtbank om deze kennelijke fout te rectificeren. Het hof zal daarom deze fout herstellen door opnieuw de echtscheiding uit te spreken zoals hierna in het dictum te bepalen. De vraag naar de ontvankelijkheid van de vrouw in haar verzoek behoeft om die reden geen verdere bespreking.
De termijn waarin de echtelijke woning moet worden verkocht
5.5.
In hoger beroep komt de vrouw niet op tegen het oordeel van de rechtbank dat de echtelijke woning moet worden verkocht. Haar bezwaar ziet op de termijn waarin zij nog in de echtelijke woning mag verblijven totdat de woning moet worden verkocht. De vrouw stelt dat zij in het licht van de omstandigheden die speelden ten tijde van het huwelijk meer tijd nodig heeft om te herstellen en in dat kader gebaat is bij een langer gebruik van de woning. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is geen sprake van een gezamenlijk belang van partijen om de woning spoedig te verkopen en daarom moet de vrouw niet gedwongen worden om de woning te verkopen aldus de vrouw. Zij verzoekt dat de termijn waarin zij in de woning mag verblijven wordt gesteld op zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking conform hetgeen is bepaald in artikel 1:165 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.6.
De man voert verweer. Hij stelt dat de vrouw de zaak onnodig aan het vertragen is. Het verzoekschrift in eerste aanleg dateert van 20 september 2023 en tot op heden is de woning niet verkocht. De vrouw heeft al ruim twee jaren gebruik gemaakt van de woning, zodat de overbruggingstermijn van artikel 1:165 BW Pro in deze situatie allang is overschreden. Omdat de vrouw weigert mee te werken aan verkoop van de woning, verzoekt de man te bepalen dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan alle handelingen die in het kader van de verkoop van de woning wenselijk zijn, waarbij hij een aantal specifieke handelingen heeft benoemd, en om daarbij een dwangsom van € 500,- per dag op te leggen.
5.7.
Het hof volgt het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de belangenafweging. Het belang van de vrouw om in de woning te verblijven om te herstellen van mentale problemen die het gevolg zijn van de echtscheiding weegt niet op tegen het belang van de man om de woning spoedig te verkopen. Het hof weegt daarbij mee dat er bijna drie jaren zijn verstreken sinds het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de vrouw nog de mogelijkheid benoemd dat zij de woning kan overnemen, maar los van de omstandigheid dat de rechtbank de wijze van verdeling heeft gelast en de samenhangende vraag of een eiswijziging van de vrouw in dit stadium van de procedure nog is toegestaan, heeft de vrouw onvoldoende aangevoerd op welke manier zij de overname van de woning zou kunnen financieren. Hierdoor is het hof van oordeel dat de woning moet worden verkocht zoals de rechtbank dit heeft bepaald.
5.8.
Het hof ziet in de opstelling van de vrouw aanleiding om te bepalen dat de vrouw dient mee te werken aan alle handelingen die nodig zijn in het kader van de verkoop op straffe van een dwangsom, een en ander zoals hierna in het dictum nader zal worden bepaald, omdat het hof de overtuiging heeft dat anders niet vrijwillig zal worden overgegaan tot verkoop van de woning.
Partneralimentatie
5.9.
Het hof neemt voor de berekening van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud (hierna ook: ‘partneralimentatie’) de aanbevelingen van het rapport van de Expertgroep Alimentatie tot uitgangspunt.
5.10.
Namens de man is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep een verzoek gedaan tot limitering van de alimentatieplicht. De vrouw heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het hof zal dit verzoek passeren omdat het verzoek na de indiening van het verweerschrift in hoger beroep is gedaan en daarmee in strijd is met de tweeconclusieregel. Dat een uitzondering moet worden gemaakt op deze in beginsel strakke regel is door de man niet gesteld. Op dit verzoek zal het hof dus niet beslissen.
5.11.
De man heeft daarnaast verzocht om terugbetaling van teveel betaalde partneralimentatie. Aangezien de man op dit moment nog geen partneralimentatie heeft betaald aan de vrouw op basis van de beschikking van 27 juni 2025 waarvan de man in hoger beroep is gekomen, bestaat er geen grond in deze procedure om dit verzoek toe te wijzen.
Ingangsdatum
5.12.
Volgens artikel 1:157 lid 6 BW Pro vangt de termijn voor het verstrekken van levensonderhoud aan op de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Omdat de echtscheiding nog niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zal het hof de hoogte van de te betalen partneralimentatie berekenen naar de tarieven van 2026. Het hof zal de toekomstige bijdragen berekenen over twee periodes, te weten de periode waarin de echtelijke woning nog niet is geleverd aan derden (I) en de periode vanaf het moment dat de echtelijke woning is geleverd aan derden (II). De gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht.
Hoogte van de behoefte
5.13.
De door de vrouw gestelde huwelijksgerelateerde behoefte van € 3.686 netto per maand in 2024 is door de man niet betwist. De behoefte van de vrouw bedraagt geïndexeerd in 2026 afgerond € 4.106 netto per maand.
Behoeftigheid
5.14.
Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven, om volledig in haar eigen behoefte te kunnen voorzien. De man heeft in hoger beroep geen grief gewijd aan de behoeftigheid van de vrouw, zodat het hof ervan uitgaat dat de vrouw behoeftig is. Er rust een loonbeslag op het inkomen van de man waarmee de hypotheeklasten worden betaald. Het hof zal, net als de rechtbank, de behoeftigheid van de vrouw over periode I corrigeren op basis van het woonbudget.
5.15.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vrouw in 2026 een WIA-uitkering ontvangt van € 2.837 per maand en daarmee € 34.044 per jaar. Daarnaast ontvangt zij een jaarlijkse tegemoetkoming arbeidsongeschiktheid die over 2026 landelijk is vastgesteld op € 226. Rekening houdend met de belastingtarieven over 2026 en de algemene heffingskorting komt het hof tot een NBI van de vrouw van € 2.078. Daardoor wordt de behoeftigheid van de vrouw voor periode I vastgesteld op (€ 4.106 - € 2.078) – (30% van € 2.078) = € 1.405. Voor periode II betreft de behoeftigheid ( € 4.106 - € 2.078) = € 2.028.
Draagkracht van de man
5.16.
De grieven in hoger beroep ten aanzien van de partneralimentatie hebben betrekking op de draagkracht van de man. Ter beoordeling ligt voor de draagkracht van de man vanaf 2026, omdat de man de partneralimentatie voor de vrouw moet voldoen vanaf de datum dat de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en deze nog niet is ingeschreven. De draagkracht van de man in de vóór deze beschikking gelegen periode behoeft daarom geen bespreking meer.
(Netto besteedbaar) inkomen
5.17.
Het hof zal voor het bepalen van het inkomen van de man uitgaan van de meest recente loonstroken van de man over de periode februari tot en met april 2026. Daaruit volgt weliswaar dat de man een aanvullend bedrag krijgt van zijn werkgever ten gevolge van ziekte, maar de man heeft in deze procedure onvoldoende aangevoerd dat hij na twee jaar ziekte, waarna het recht op loondoorbetaling komt te vervallen, niet in staat is om bij de huidige of bij een andere werkgever weer aan het werk te gaan. Het hof kan daarom niet de aard en de duur van ziekte beoordelen en gaat er daarom van uit dat de loonstroken over februari – april 2026 representatief zijn voor het inkomen van de man.
5.18.
Op basis van die loonstroken ontvangt de man, rekening houdend met het aanvullend ontvangen van ORT op basis van ziekte en het afdragen van diverse premies, een besteedbaar jaarinkomen van € 74.554,-. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de belastingtarieven over 2026 resteert een netto besteedbaar inkomen per maand van € 4.253,- voor periode I en € 4.255 voor periode II.
Woonlasten
5.19.
Als onbetwist staat vast dat de man alle woonlasten van de echtelijke woning betaalt waarin de vrouw verblijft. Daarnaast huurt hij sinds februari 2024 een woning waarvan de kale huur € 1.301,44 per maand bedraagt. Het hof zal bij periode I uitgaan van de werkelijke woonlasten van de man en in periode II uitgaan van het woonbudget.
5.20.
Net zoals de rechtbank heeft beslist kan de man wegens het verstrijken van twee jaren sinds hij de echtelijke woning heeft verlaten geen beroep meer doen op de hypotheekrenteaftrek. Dat betekent dat onder post 104 de helft van de WOZ-waarde van
€ 347.000,- zal worden opgenomen alsmede de helft van de huidige hypotheekschuld van
€ 227.145,-. Verder wordt onder post 123 de helft van de rente opgenomen en onder post 138 de betaalde rente voor de vrouw als partneralimentatie. Ook de door de man betaalde lokale belastingen en onroerendezaakbelasting worden hierbij meegenomen. Anders dan de vrouw stelt heeft de man voldoende aangetoond dat deze bedragen zijn betaald. Daarmee komen de werkelijke woonlasten neer op een bedrag van € 1.616,- per maand.
5.21.
Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man in periode I daarnaast rekening houden met de lopende schulden bij de advocaat van de man en bij [naam2] . Uitgangspunt is dat niet vermijdbare en verwijtbare schulden bij het bepalen van de draagkracht een rol spelen, ook als (tijdelijk) niet op de schulden wordt afgelost. De vrouw heeft geen omstandigheden gesteld op grond waarvan deze schulden niet vermijdbaar of niet verwijtbaar zouden zijn, althans dat de schulden buiten beschouwing zouden moeten blijven. Daarbij blijkt de ernst van de schuldenlast uit het feit dat de man inmiddels onder bewind is gesteld en er loonbeslag is gelegd. Voor periode I wordt daarom uitgegaan van een schuldenlast van € 100,- aan advocaatkosten + € 213,79 voor [naam2] =
€ 313,79 per maand. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat de man na verkoop van de woning met de overwaarde alle (hypotheek-)schulden kan voldoen, zodat in periode II geen rekening zal worden gehouden met deze schulden en zal worden uitgegaan van het woonbudget.
5.22.
Blijkens bijgaande berekening is over periode I de draagkracht van de man € 680 bruto per maand en over periode II betreft de draagkracht van de man € 1.550 bruto per maand.
5.23.
Uit de inkomensvergelijking over beide periodes blijkt niet dat de vrouw na betaling van de partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de man.
Conclusie
5.24.
Omdat de bedragen lager zijn dan door de rechtbank is vastgesteld, slaagt het hoger beroep van de man. Gelet op al het voorgaande zal het hof oordelen dat de draagkracht van de man met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand tot aan levering van de woning aan een derde toereikend is voor het betalen van een bijdrage van € 680,- bruto per maand. Met ingang van de datum waarop de echtelijke woning is geleverd aan een derde is de draagkracht van de man toereikend om een bijdrage van € 1.550,- bruto per maand aan de vrouw te betalen. Het hof zal de beschikking van de rechtbank op dit punt vernietigen en zal de man betaling van die bijdragen opleggen.

6.De slotsom

In het principaal en incidenteel hoger beroep
6.1.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven van de vrouw in het principaal hoger beroep. De grieven van de man in het incidenteel hoger beroep slagen gedeeltelijk. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen, behoudens de beslissingen onder 7.1 tot en met 7.3, die hierbij worden vernietigd, en beslissen als volgt.
6.2.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap betreft.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
7.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel van 27 juni 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, behoudens de beslissingen onder 7.1 tot en met 7.3, die hierbij worden vernietigd, en in zoverre opnieuw beschikkende:
7.2.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, [in] 2016 te [plaats2] gehuwd;
7.3.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot aan levering van de echtelijke woning aan een derde € 680 per maand verschuldigd is aan de vrouw als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
7.4.
bepaalt dat de man na levering van de echtelijke woning aan een derde een bedrag van € 1.550 per maand verschuldigd is aan de vrouw als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
7.5.
bepaalt dat de vrouw, in aanvulling op het in de beschikking van de rechtbank Overijssel van 27 juni 2025 onder 7.5 bepaalde, haar medewerking dient te verlenen aan alle handelingen die in het kader van de verkoop van de woning wenselijk zijn, waaronder onder meer dient te worden begrepen:
  • het binnen 14 dagen na afgifte van de beschikking aan de makelaar verlenen van toegang tot de woning voor het maken van foto’s voor het in de verkoop zetten van de woning;
  • het op eerste verzoek afgeven van een sleutel aan een medewerker van [naam1] voor de bezichtiging door potentiële kopers;
  • het leeg en schoon opleveren van de woning met aanhorigheden bij levering van de woning;
7.6.
als de vrouw niet voldoet aan hetgeen hiervoor onder 7.5 is bepaald, verbeurt zij aan de man een dwangsom van € 500 voor iedere dag dat zij in gebreke blijft om aan die verplichtingen te voldoen, met een maximum van € 50.000.
7.7.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.8.
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
7.9.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Veenstra, L. van Dijk en M.J. van Lingen, bijgestaan door mr. G.J. Rauw als griffier, en is op 23 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Bijlage 1: berekening na inschrijving echtscheidingsbeschikking en voor levering woning
Bijlage 2: berekening na levering woning