ECLI:NL:GHARL:2026:4828

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
200.365.011/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:265g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitbreiding zorgregeling omgang vader en minderjarige onder toezicht

De zaak betreft een geschil over de zorgregeling tussen een vader en zijn minderjarige kind dat onder toezicht is gesteld. De rechtbank had eerder een zorgregeling vastgesteld waarbij de vader om de twee weken een uur onder begeleiding omgang had met het kind. De vader ging in hoger beroep en verzocht om een uitbreiding van de omgangsduur.

Het hof overwoog dat de oorzaak van de ontregeling van het kind niet duidelijk is en dat de gecertificeerde instelling (GI) nog geen nader onderzoek had gedaan naar de overbelasting. De GI erkende dat het gedrag van de vader tijdens de omgang geen zorgen baart. Het hof vond het daarom gepast om de omgangsduur stapsgewijs uit te breiden, te beginnen met anderhalf uur per twee weken, met een mogelijke uitbreiding naar twee uur na drie maanden, afhankelijk van observaties.

Het hof vernietigde de eerdere beschikking voor zover deze de zorgregeling betrof en stelde de nieuwe regeling vast. De regie over de duur, frequentie en invulling van de omgang blijft bij de GI. Het hof benadrukte het belang van het behoud van de gezinsband en verwachtte een actieve rol van de GI bij verdere uitbreiding van de omgang.

Uitkomst: Het hof stelt een nieuwe zorgregeling vast waarbij de omgangsduur tussen vader en minderjarige onder toezicht wordt uitgebreid met monitoring en stapsgewijze uitbreiding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.365.011/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 339522)
beschikking van 23 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. E.E.M. Messink te Wijchen,
en
de gecertificeerde instelling,
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
gevestigd te Zwolle,
verweerster in hoger beroep.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende](de moeder),
die woont in [woonplaats2] ,
en
[gezinshuisouder1]en
[gezinshuisouder2](de gezinshuisouders),
die wonen in [woonplaats3] .
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Overijssel, locatie Zwolle.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 19 november 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 9 februari 2026;
- het verweerschrift met bijlage(n);
- de brief van de raad van 15 april 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
- een journaalbericht namens de vader van 9 juni 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 19 juni 2026 met bijlage(n).
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 7 juli 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn de advocaat van de vader, twee vertegenwoordigers van de GI en de gezinshuismoeder.

3.De feiten

3.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2024. De ouders oefenen samen het gezag over [de minderjarige] uit. De ouders hebben samen nog drie kinderen.
3.2.
[de minderjarige] is een week na zijn geboorte, [in] 2024, onder toezicht gesteld. Na zijn geboorte is hij twee weken in het ziekenhuis gebleven en daarna in het huidige gezinshuis geplaatst.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de rechtbank hebben zowel de vader als de GI gevraagd een zorgregeling vast te stellen tussen de vader en [de minderjarige] . De vader deed dit op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW), de GI op grond van artikel 1:265g BW. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 19 november 2025 het verzoek van de vader afgewezen, en het verzoek van de GI toegewezen door een zorgregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] de vader een keer per twee weken onder begeleiding ziet. De regie ten aanzien van de duur, frequentie en invulling van het contact met betrekking tot uitbreiding dan wel beperking ligt bij de GI.
4.2.
De vader is met acht grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en zijn verzoeken uit eerste aanleg alsnog toe te wijzen en, zo begrijpt het hof, de verzoeken van de GI af te wijzen. Hij heeft tevens zijn verzoek vermeerderd door te verzoeken dat er een opbouwregeling wordt vastgesteld waarbij binnen een tijdsbestek van 6 maanden wordt toegewerkt naar een omgang tussen [de minderjarige] en de vader van 1 weekend per 14 dagen, van vrijdag tot en met zondag.
4.3.
De GI voert verweer en verzoekt het hof het hoger beroep van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
Tijdens de ondertoezichtstelling kan de kinderrechter op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van het kind noodzakelijk is. [1]
5.2.
Op verzoek van de GI is een zorgregeling vastgesteld waarbij de vader niet meer elke week, maar om de week een uur (begeleid) omgang heeft met [de minderjarige] . De GI heeft deze wijziging onderbouwd door aan te geven dat [de minderjarige] na de omgang ernstige ontregeling liet zien toen de ouders nog allebei elke week omgang hadden. De signalen die door de gezinshuisouders werden gemeld, duiden volgens de GI op overbelasting en trauma-gerelateerde ontregeling, passend bij [de minderjarige] ’s leeftijd, voorgeschiedenis en prikkelgevoeligheid.
5.3.
De GI heeft in de stukken en bij de mondelinge behandeling bij het hof echter ook steeds expliciet aangegeven dat de vader (ouders) niets te verwijten valt en zijn (hun) gedrag tijdens de omgang geen zorgen baart. Dit wordt ondersteund door de vier omgangsverslagen van februari tot en met maart 2026, waaruit niet blijkt dat sprake is van een belaste omgangssituatie. Nader onderzoek naar de aard van de vermeende overbelasting en/of ontregeling is door de GI nog niet uitgevoerd. Het hof is van oordeel dat dit gepast zou zijn geweest, vóórdat de omgang met de vader (ouders) in deze mate beperkt werd. Dat de ontregeling sinds die beperking minder aanwezig zou zijn, betekent niet noodzakelijkerwijs dat er een causaal verband is met het beperken van de omgang. Er zijn namelijk andere factoren in het leven van [de minderjarige] (geweest) die prikkels konden opleveren. [de minderjarige] gaat sinds enige tijd naar het kinderdagverblijf (binnenkort zelfs 4 dagdelen in plaats van 2) en heeft naast de omgang met zijn beide ouders contactmomenten met zijn broertjes en tante. In het gezinshuis is een nieuwe baby komen wonen, de gezinsvader is enige tijd ziek geweest en het gezinshuis is verhuisd. Elk van deze factoren en/of de opeenstapeling daarvan kan een rol hebben gespeeld in de ontregeling van [de minderjarige] . Voor het hof is niet duidelijk dat het beperken van de duur of frequentie van de omgang met de vader (ouders) de (enige) juiste remedie is om aan de ontregeling van [de minderjarige] het hoofd te bieden.
5.4.
Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is niet duidelijk geworden wat de gevolgen zouden (kunnen) zijn van een uitbreiding van de omgang in duur. In de door de GI verstrekte brief van de gedragswetenschapper van 3 april 2026 wordt beschreven dat ‘het aannemelijk’ is dat verdere uitbreiding zal leiden tot verdere ontregeling en stress en dat uitbreiding van het contact stapsgewijs zal moeten verlopen, waarbij gemonitord wordt dat het aansluit bij het tempo en de signalen van [de minderjarige] . Deze brief is echter geschreven naar aanleiding van de vraag of uitbreiding van de omgang, in het bijzonder in de vorm van een overnachting bij de vader, passend is voor [de minderjarige] . Het advies uit de brief van de gedragswetenschapper om de omgang niet uit te breiden naar overnachtingen sluit daar op aan. Uit de brief volgt niet dat een beperkte en stapsgewijze uitbreiding van de omgang in duur niet in het belang van [de minderjarige] is.
5.5.
Een kind heeft recht op omgang en contact met zijn ouders, ongeacht zijn uiteindelijke opvoedperspectief. Het behouden van de gezinsband tussen ouder en kind is een belangrijk onderdeel van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, mede met het oog op de mogelijkheid van een terugplaatsing. Als er redenen zijn om het contact in frequentie te beperken, ligt het voor de hand om te onderzoeken of uitbreiding in duur van het contact in het belang van het kind is, onder meer met het oog op zijn draagkracht. De GI geeft aan dat het terugschroeven van de frequentie al meer rust heeft gebracht bij [de minderjarige] . Het hof acht het daarom gepast om de eerste stap te zetten naar een uitbreiding in duur van de omgang tussen [de minderjarige] en de vader, eerst met een half uur. De omgangsbegeleiding en de gezinshuisouders kunnen respectievelijk tijdens en na de omgang observeren of deze uitbreiding noemenswaardig effect heeft op [de minderjarige] . Na drie maanden kan dan besproken worden of een verdere uitbreiding van de omgang naar twee uur in het belang van [de minderjarige] is, waarbij die verdere uitbreiding plaatsvindt tenzij blijkt dat dit niet in het belang is van [de minderjarige] . Het hof verwacht dat de GI een actieve houding aanneemt in de verdere uitbreiding van de omgang.
5.6.
Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarin een zorgregeling voor de vader is vastgesteld en in plaats daarvan een nieuwe regeling vaststellen.
5.7.
Tenslotte overweegt het hof nog het volgende. Hoewel deze beschikking uitsluitend ziet op de zorgregeling die is vastgesteld tussen [de minderjarige] en de vader, kan het hof zich voorstellen dat de GI ten aanzien van de omgang tussen [de minderjarige] en de moeder een soortgelijke uitbreiding overneemt en uitvoert.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 19 november 2025, voor zover het de daarin vastgestelde zorgregeling betreft (onderdeel 4.2 van die beschikking), en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat met ingang van vandaag de volgende zorgregeling zal gelden:
[de minderjarige] heeft een keer per twee weken onder begeleiding omgang met zijn vader, voor de duur van anderhalf uur. Na drie maanden wordt dit uitgebreid naar twee uur, zolang uit observaties door omgangsbegeleiding en gezinshuis niet is gebleken dat een verdere uitbreiding niet in het belang van [de minderjarige] is. Voor het overige ligt de regie ten aanzien van de duur, frequentie en invulling van de omgang bij de GI;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Knot, mr. L. van Dijk en mr. E.F. Groot, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 23 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:265g lid 1 BW.