ECLI:NL:GHARL:2026:4855

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
21-004963-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 57 SrArt. 420bis.1 SrArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor bezit cocaïne, witwassen en voorbereidingsmiddelen

De verdachte werd door de rechtbank veroordeeld tot 50 maanden gevangenisstraf voor het opzettelijk aanwezig hebben van ruim 10 kilo cocaïne, het voorhanden hebben van €13.630,- waarvan hij wist dat dit afkomstig was uit eigen misdrijf (eenvoudig witwassen), en het bezit van voorwerpen en stoffen bestemd voor het bewerken van cocaïne.

In hoger beroep bevestigt het hof de bewezenverklaring, strafbaarheid en verbeurdverklaringen, maar vernietigt het vonnis voor wat betreft de strafoplegging. Het hof legt een lagere gevangenisstraf van 30 maanden op, rekening houdend met de aard en ernst van het feit, de omstandigheden en de persoon van de verdachte.

Het hof overweegt dat de verdachte een aandeel had in de verkoop van cocaïne en hiervan heeft geprofiteerd. Het gebruik van harddrugs brengt grote gezondheidsrisico’s en maatschappelijke schade met zich mee. De verdachte was niet eerder veroordeeld. Het hof volgt de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en acht 30 maanden passend.

De verdediging verzocht om toevoeging van stukken over een andere doorzoeking, maar het hof oordeelt dat deze niet relevant zijn voor deze zaak. De tijd van voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf. Het vonnis van de rechtbank wordt verder bevestigd.

Uitkomst: Het hof legt een gevangenisstraf van 30 maanden voor bezit cocaïne, witwassen en voorbereidingsmiddelen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004963-25
Uitspraakdatum: 27 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van
14 november 2025 met parketnummer 16-070167-25 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op 11 juli 1981 in [plaats 1] ,
op dit moment gedetineerd in [penitentiaire inrichting (PI)] .

Hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 juli 2026 en het onderzoek op de terechtzitting van de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat is aangevoerd door de verdachte en zijn raadsman, mr. A. Boumanjal.

Vonnis rechtbank

De rechtbank heeft kort gezegd bewezen verklaard dat de verdachte:
opzettelijk 10,02 kilogram cocaïne aanwezig heeft gehad en
een geldbedrag van in totaal € 13.630,- voorhanden heeft gehad, terwijl de verdachte wist dat dit geldbedrag onmiddellijk afkomstig was uit eigen misdrijf, en
een aantal voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad waarvan de verdachte wist dat die bestemd waren tot het opzettelijk bewerken en verwerken van cocaïne.
De rechtbank heeft die feiten als volgt juridisch gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
eenvoudig witwassen;
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
De rechtbank heeft de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 50 maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest.
Daarnaast heeft de rechtbank een aantal voorwerpen verbeurdverklaard, namelijk de voorwerpen die worden genoemd op de beslaglijst van 31 oktober 2025 (geldbedragen, plakband, een mondkap, maskers, handschoenen en een krik) en een blauwe Samsung Galaxy A20e (in beslag genomen onder goednummer [kenmerk] ).
Oordeel hof
Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank met overneming van gronden wat betreft de bewezenverklaring, de strafbaarheid en juridische kwalificatie van het bewezenverklaarde, de strafbaarheid van de verdachte en de verbeurdverklaringen. In zoverre is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste wijze en op goede gronden heeft beslist.
Het hof vernietigt het vonnis wat betreft de opgelegde gevangenisstraf. In zoverre doet het hof opnieuw recht. Het hof legt een kortere gevangenisstraf op dan de rechtbank.

Verzoek verdediging tot voeging stukken

De verdediging heeft verzocht om toevoeging aan het dossier van de vordering en de machtiging tot doorzoeking van de woning door de rechter-commissaris ten behoeve van het onderzoek door de Nederlandse Arbeidsinspectie, alsmede het bijhorende proces-verbaal aanvraag doorzoeking. De verdediging wil kunnen controleren of deze doorzoeking rechtmatig heeft plaatsgevonden.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het processtukken in een ander onderzoek betreft en dat de noodzaak tot het toevoegen ontbreekt.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het procesdossier volledig is en of mogelijk sprake is geweest van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en zo ja, of dat vormverzuim er toe moet leiden dat de resultaten van dat onderzoek, die door het verzuim zijn verkregen, ingevolge het bepaalde in artikel 359a, eerste lid, aanhef en onder b Wetboek van Strafvordering, niet mogen bijdragen aan het bewijs van de tenlastegelegde feiten.
In het proces-verbaal van doorzoeking door de Districtsrecherche Stad-Utrecht, politie Midden-Nederland d.d. 6 maart 2025 is door brigadier [verbalisant] het volgende gerelateerd (p. 12-31):
Op woensdag 5 maart 2025 vond er in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen, in de gemeente Utrecht in de woning gelegen aan de [adres] een doorzoeking plaats. Deze doorzoeking van de woning, onder leiding van rechter-commissaris [naam 1] , werd verricht door medewerkers van de arbeidsinspectie, de FIOD en de douane. (…)
Tijdens de doorzoeking van de woning werd een grote hoeveelheid zakken met wit poeder aangetroffen, waarvan vermoed werd dat dit verdovende middelen betroffen. (…)
Hierop is contact gelegd met de politie Midden-Nederland. (…)
Hierop volgend ben ik samen met collega's van de districtsrecherche Stad-Utrecht naar de woning te gaan, om onderzoek te doen naar de aangetroffen verdovende middelen. (…)
Hierop hebben wij in overleg met rechter-commissaris [naam 1] besloten om de doorzoeking van de arbeidsinspectie, FIOD en douane te sluiten. Dit is gebeurd om 11:36 uur.
Vervolgens zijn wij in de woning gebleven en hebben de situatie bevroren, waarop er telefonisch overleg heeft plaats gevonden met Officier van Justitie [naam 2] over de aangetroffen situatie. De Officier van Justitie heeft contact gelegd met rechter-commissaris [naam 3] . [naam 3] heeft toestemming gegeven om de woning te doorzoeken ter inbeslagname. Zij opende de doorzoeking telefonisch op woensdag 5 maart 2025 om 13:00 uur.
Uit het vorenstaande leidt het hof af dat er twee verschillende opsporingsonderzoeken zijn, te weten het witwasonderzoek door de Nederlandse Arbeidsinspectie (naar een andere persoon, niet zijnde verdachte) en het onderzoek naar de verdovende middelen door de Politie Midden-Nederland, welke tweede onderzoek als het ware
spontaanmoest worden opgestart, toen tijdens het eerste onderzoek onverwacht onder meer verdovende middelen en een onbekende/onverwachte persoon (naar later bleek verdachte; een illegaal in Nederland verblijvende persoon) in het pand werden aangetroffen.
In het eerstgenoemde onderzoek heeft een doorzoeking van de woning plaatsgevonden door de arbeidsinspectie, FIOD en douane onder leiding van de rechter-commissaris te Rotterdam. Deze doorzoeking is om 11.36 uur gesloten.
In het kader van het tweede onderzoek heeft een doorzoeking van de woning plaatsgevonden door de districtsrecherche Stad-Utrecht (politie Midden-Nederland) onder leiding van de rechter-commissaris te Midden-Nederland. Deze doorzoeking is om 13.00 uur geopend.
Op basis van dit tweede onderzoek vindt de vervolging van verdachte plaats.
Met betrekking tot het ontbreken van de vordering en machtiging tot doorzoeking van de woning (en het bijbehorende proces-verbaal aanvraag doorzoeking) in het eerstgenoemde onderzoek overweegt het hof als volgt.
Nu er sprake is van twee verschillende en van elkaar te onderscheiden strafrechtelijke onderzoeken, behoren verzochte stukken in het eerstgenoemde onderzoek niet tot de processtukken in de strafzaak tegen verdachte.
Gelet op de inhoud van het proces-verbaal van doorzoeking door de Districtsrecherche Stad-Utrecht, politie Midden-Nederland d.d. 6 maart 2025 wordt als vaststaand aangenomen dat de rechter-commissaris (te Rotterdam) in het eerste onderzoek op juiste gronden een machtiging tot doorzoeking heeft verleend.
In het onderzoek tegen verdachte (het tweede onderzoek) heeft de rechter-commissaris (te Midden-Nederland) toestemming gegeven om de woning te doorzoeken en kennelijk geen omstandigheden aanwezig geacht die tot afwijzing van de vordering tot doorzoeking zouden moeten leiden.
Overigens kan niet gezegd worden dat – voor zover er al sprake zou zijn van een vormverzuim in het eerstgenoemde onderzoek – dit enig nadeel voor verdachte heeft veroorzaakt. Dan zou er weliswaar een voorschrift zijn geschonden, maar dat strekte er niet toe het belang van verdachte te beschermen, maar slechts dat van de heer [naam 4] , de bewoner van de woning waar zonder rechtsgeldige machtiging zou zijn binnengetreden.
Gelet op hetgeen hiervoor overwogen is, is het hof van oordeel dat de vordering en machtiging, alsmede het bijbehorende proces-verbaal aanvraag doorzoeking, in het eerstgenoemde onderzoek redelijkerwijs niet van belang zijn voor enige door het hof te nemen beslissing in de onderhavige strafzaak. Om die reden wijst het hof het verzoek tot toevoeging van deze stukken aan het procesdossier af.

Oplegging van straf

Vordering advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van vijftig (50) maanden.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft bepleit dat het hof voor het bepalen van de op te leggen straf aansluiting zal zoeken bij de oriëntatiepunten voor het aanwezig hebben van harddrugs. Volgens de raadsman heeft de rechtbank ten onrechte aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor het bewerken en verwerken van harddrugs in een georganiseerd verband.
Oordeel hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van ruim tien kilo cocaïne (bestaande uit tien blokken) en aan het voorhanden hebben van voorwerpen en stoffen (versnijdingsmiddelen) die bestemd waren om pure cocaïne te bewerken tot grotere hoeveelheden verkoopbare versneden cocaïne en het witwassen van € 13.630,-. Zodoende heeft de verdachte een aandeel gehad in een proces dat gericht is op de verkoop van cocaïne en heeft hij ook daadwerkelijk hiervan geprofiteerd. Het gebruik van harddrugs, wat de verdachte gefaciliteerd heeft, gaat gepaard met grote gezondheidsrisico’s en regelmatig ook met maatschappelijke teloorgang. Verder komt het veel voor dat (verslaafde) harddrugsgebruikers het geld voor die verdovende middelen proberen te verwerven door middel van diefstal of andere vermogensdelicten, waardoor de samenleving schade wordt toegebracht.
Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Binnen de Rechtspraak zijn oriëntatiepunten ontwikkeld voor de straftoemeting, met als doel het bevorderen van een consistent landelijk straftoemetingsbeleid. Die oriëntatiepunten kunnen dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de op te leggen straf. Het oriëntatiepunt voor het aanwezig hebben van 10 tot 20 kilo harddrugs is een gevangenisstraf van 30 maanden. Naar het oordeel van het hof is dat een passende straf. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de hoeveelheid aangetroffen cocaïne aan de ondergrens zit van die categorie, maar dat de verdachte daarnaast ook nog voorwerpen en versnijdingsmiddelen voorhanden heeft gehad die bestemd waren om pure cocaïne te bewerken tot blokken versneden cocaïne.
Alles overziende veroordeelt het hof de verdachte tot een gevangenisstraf van dertig (30) maanden. De duur van het voorarrest wordt daarop in mindering gebracht.
De tenuitvoerlegging van die gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot de voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte (als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering).

Wetsartikelen

De straffen die het hof oplegt zijn gebaseerd op:
‒ de artikelen 33, 33a, 57 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht en
‒ de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf. In zoverre doet het hof opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis van de rechtbank voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. C.T. Tjauw-Foe, mr. S. Bek en mr. M.J. Ouweneel, in aanwezigheid van de griffier mr. D. van der Geld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 juli 2026.