ECLI:NL:GHARL:2026:4859

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
21-003038-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over getuigenverzoeken en gedragskundig onderzoek in strafzaak tegen verdachte

Na terugwijzing door de Hoge Raad behandelt het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een hoger beroep in een strafzaak tegen een verdachte. De verdediging verzoekt om het horen van drie getuigen, waarvan twee minderjarigen zijn. Het hof beoordeelt deze verzoeken op basis van het verdedigingsbelang en het noodzakelijkheidscriterium.

De advocaat-generaal stelt voor een gedragsdeskundige te laten onderzoeken of het afleggen van een nadere verklaring schadelijk kan zijn voor de gezondheid of het welzijn van de twee minderjarige getuigen. Voor de derde getuige wordt het verzoek afgewezen omdat zij reeds eerder is gehoord bij de rechter-commissaris, waarbij de verdediging aanwezig was en vragen kon stellen.

Het hof besluit het onderzoek te heropenen, maar houdt de beslissing over het horen van de twee minderjarige getuigen aan totdat het gedragskundig onderzoek is afgerond. De raadsheer-commissaris krijgt de opdracht om op basis van het rapport te beslissen of en onder welke voorwaarden deze getuigen kunnen worden gehoord. Het onderzoek wordt geschorst voor onbepaalde tijd en zal worden hervat op een nader te bepalen zitting.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot het horen van de derde getuige af en houdt de beslissing over de twee minderjarige getuigen aan voor gedragskundig onderzoek.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003038-25
Uitspraakdatum: 24 juli 2026
TEGENSPRAAK

Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 8 juli 2025 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 14 augustus 2018 met parketnummer 05-840799-17, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
wonende [adres] , [woonplaats] ( [land] ).

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.

Onderzoek van de zaak

De Hoge Raad heeft de zaak teruggewezen naar het hof om de zaak opnieuw te berechten en af te doen. Dit tussenarrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 juli 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door haar raadsvrouw,
mr. B.H. van der Zwan, is aangevoerd.

Getuigenverzoeken

Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van 10 juli 2026, evenals bij e-mailbericht van
8 juli 2026, namens de verdachte verzocht om de volgende personen als getuige te horen:
[getuige 1] ;
[getuige 2] ;
[getuige 3] .
Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw de getuigenverzoeken nader onderbouwd.
De verdediging wil [getuige 1] bevragen over de wijze waarop hij binnen het gezin werd opgevoed, de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de ten laste gelegde handelingen en de rol van de verdachte daarbij. Verder wil de verdediging vragen stellen over de betrokkenheid van de verdachte bij alle drie de ten laste gelegde feiten. Ook wenst de verdediging [getuige 1] te bevragen over zijn eigen gedrag in de betreffende periode en de reacties daarop van zijn ouders, voor zover die van belang zijn voor de beoordeling van de feiten. Tot slot wil de verdediging vragen stellen over de contacten met hulpverleners en medici gedurende de periode waarin [getuige 1] nog onder de zorg van zijn ouders viel.
De verdediging wil [getuige 2] bevragen over de gebeurtenissen die aan de tenlastelegging ten grondslag liggen. Zij heeft waargenomen hoe haar broer door zijn ouders werd behandeld en zou kunnen verklaren over de omstandigheden waaronder de ten laste gelegde feiten zich zouden hebben voorgedaan. Daarnaast wenst de verdediging [getuige 2] vragen te stellen over het gedrag van haar broer en de reacties van de ouders daarop en over hoe de verstandhouding tussen haar ouders was. Tot slot wenst de verdediging [getuige 2] te bevragen over de rol van de verdachte bij de ten laste gelegde handelingen.
Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte [getuige 1] een schop heeft gegeven. De verdediging wenst de getuige vragen te stellen over deze door haar waargenomen gedraging, de omstandigheden waaronder deze zou hebben plaatsgevonden en de context waarin deze volgens de getuige moet worden bezien. Ook wenst de verdediging haar te bevragen over de reactie van [getuige 1] op de schop. Daarnaast kan de getuige uit eigen waarneming verklaren over de situatie op de camping in de periode waarin zij gelijktijdig met het gezin van de verdachte daar verbleef en over wat zij in die tijd heeft gezien van het gezin en de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat, voordat het hof op het verzoek van de verdediging om [getuige 1] als getuige te horen een beslissing neemt, een gedragsdeskundige onderzoek doet. De deskundige dient te rapporteren over de vraag of en in hoeverre de gezondheid en/of het welzijn van [getuige 1] in gevaar wordt gebracht door het als getuige afleggen van een verklaring.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om [getuige 2] als getuige te horen kan worden toegewezen. De jeugdbeschermer van [getuige 2] heeft desgevraagd aan het openbaar ministerie laten weten dat het goed gaat met haar en dat zij heeft aangegeven wel in gesprek te willen. De advocaat-generaal interpreteert die reactie zo, dat [getuige 2] zichzelf in staat acht om bij de raadsheer-commissaris een getuigenverklaring af te leggen en acht daarom nader deskundigenonderzoek in haar geval niet nodig.
De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen het horen als getuige van [getuige 3] , omdat zij al bij de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging is gehoord. Daarmee heeft de verdediging al een effectieve ondervragingsmogelijkheid gehad.
Het oordeel van het hof
Het hof stelt vast dat de verzoeken tot het horen als getuige van [getuige 1] en [getuige 2] beoordeeld moeten worden aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang. Ten aanzien van het verzoek tot het horen van [getuige 3] als getuige geldt het noodzakelijkheidscriterium.
Verzoek tot het horen van [getuige 1] en [getuige 2]
Het hof dient te beoordelen of de verdachte door afwijzing van de getuigenverzoeken in zijn verdediging zou worden geschaad. Ten aanzien van beide verzoeken is het hof van oordeel dat dit het geval is, aangezien beide getuigen in een eerder stadium van het strafrechtelijk onderzoek een verklaring met een voor de verdachte belastende strekking hebben afgelegd.
Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering vloeit voort dat de rechter een getuigenverzoek kan afwijzen als het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang van de verdediging om de getuige te kunnen ondervragen.
In oktober 2019 heeft drs. A.J.M. Laurijssen-Timmers, kinder- en jeugdpsycholoog, onderzoek verricht naar zowel [getuige 1] als [getuige 2] . In haar rapportages van 14 oktober 2019 heeft zij geconcludeerd dat het welzijn van beiden ernstig kan worden geschaad als zij in de strafzaak tegen de verdachte en de medeverdachte, hun biologische ouders, als getuige een nadere verklaring moeten afleggen.
Inmiddels is er veel tijd verstreken. De getuigen wonen in gezinshuizen en staan onder begeleiding van de jeugdbescherming. [getuige 1] is zeventien en [getuige 2] zestien jaar. De advocaat-generaal heeft navraag gedaan bij de jeugdbescherming naar [getuige 1] en [getuige 2] . De jeugdbescherming kan geen uitspraken doen over de consequenties van het afleggen van een verklaring als getuige. Daarnaar gevraagd door de jeugdbescherming, heeft [getuige 2] echter aangegeven wel in gesprek te willen.
Naar het oordeel van het hof is op dit moment onvoldoende duidelijk of en, zo ja, in hoeverre het nader horen als getuige de gezondheid of het welzijn van [getuige 1] en [getuige 2] in gevaar brengt. Op basis van de mededeling van de jeugdbeschermer dat [getuige 2] wel in gesprek wil, kan nog niet worden geconcludeerd dat er voor haar geen belemmeringen meer zijn om als getuige te worden gehoord.
Het hof houdt de beslissing op de verzoeken aan en verwijst de zaak naar de raadsheercommissaris om een gedragsdeskundige te benoemen en deze te laten rapporteren ter beantwoording van de vraag of en, zo ja, in hoeverre de gezondheid of het welzijn van [getuige 1] en [getuige 2] door het afleggen van een nadere getuigenverklaring in de strafzaak tegen de verdachte in gevaar wordt gebracht. Daarbij dient de deskundige – voor ieder van de kinderen afzonderlijk – gemotiveerd aan te geven waarom een verhoor wel of niet mogelijk is en als een verhoor mogelijk is of daarvoor beperkende voorwaarden moeten gelden, uitgaande van een verhoor in een verhoorstudio of bij de raadsheercommissaris. Daarnaast dient de deskundige gemotiveerd aan te geven in hoeverre de gezondheid of het welzijn van [getuige 1] en [getuige 2] in gevaar wordt gebracht als zij worden bevraagd over de onderwerpen die de verdediging heeft opgegeven.
De raadsheer-commissaris zal op basis van de bevindingen van de deskundige beslissen of [getuige 1] en [getuige 2] als getuige kunnen worden gehoord en, zo ja, welke maatregelen daarbij eventueel moeten worden genomen ter bescherming van hun gezondheid of welzijn.
Verzoek tot het horen van [getuige 3]
Het hof wijst het verzoek tot het horen als getuige van [getuige 3] af. Deze getuige is op 22 januari 2018 al gehoord bij de rechter-commissaris in het bijzijn van mr. S.G.H. van de Kamp, die waarnam voor de toenmalige raadsman van de verdachte. De verdediging heeft de gelegenheid gehad tot het stellen van vragen en heeft deze mogelijkheid ook benut. Mede gelet op wat de verdediging ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, wordt naar het oordeel van het hof de verdachte door afwijzing van het verzoek niet in haar verdediging geschaad. Het hof ziet daarnaast zelf niet de noodzaak met het oog op de volledigheid van het onderzoek tot het opnieuw horen van [getuige 3] als getuige.

BESLISSING

Het hof:
Heropent het onderzoek.
Houdt de beslissing ten aanzien van het verzoek tot het horen als getuige van [getuige 1] en [getuige 2] aan.
Verwijst de zaak naar de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken
in dit hof, om een deskundige te benoemen en de deskundige te laten rapporteren
ter beantwoording van de vraag of en, zo ja, in hoeverre de gezondheid of het welzijn van [getuige 1] en [getuige 2] door het nader afleggen van een verklaring als getuige in de strafzaak tegen de verdachte in gevaar wordt gebracht.
Daarbij dient de deskundige voor ieder van hen afzonderlijk gemotiveerd aan te geven waarom een verhoor wel of niet mogelijk is en als een verhoor mogelijk is of daarvoor beperkende voorwaarden moeten gelden, uitgaande van een verhoor in een verhoorstudio of een verhoor bij de raadsheer-commissaris. Daarnaast dient de deskundige gemotiveerd aan te geven of en, zo ja, in hoeverre de gezondheid of het welzijn van [getuige 1] en [getuige 2] in gevaar wordt gebracht door aan hen vragen te stellen over de door de verdediging opgegeven onderwerpen.
Geeft de raadsheer-commissaris opdracht om op basis van het gedragskundig onderzoek te beslissen – gehoord de advocaat-generaal en de verdediging – of [getuige 1] en [getuige 2] als getuige worden gehoord en te bepalen welke maatregelen daarbij eventueel moeten worden genomen ter bescherming van hun gezondheid of welzijn.
Stelt daartoe de stukken in handen van de raadsheer-commissaris.
Wijst afhet verzoek tot het nader horen als getuige van [getuige 3] .

Schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd.

Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting.
Beveelt de oproeping van de verdachte en
een tolk in de Duitse taaltegen het nog nader te
bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsvrouw van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door mr. N.C. van Lookeren Campagne, mr. N.I.S. Boers en
mr. D. Stikkelbroeck, in aanwezigheid van de griffier mr. E. van der Zandt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 juli 2026.