ECLI:NL:GHARL:2026:4866

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
21-000562-26
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37a SrArt. 37b SrArt. 38v SrArt. 38w SrArt. 38z Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep belaging dochter met oplegging gemaximeerde TBS met dwangverpleging

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in hoger beroep het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging die het hof aanpast tot 232 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Verdachte werd schuldig bevonden aan belaging van zijn dochter, ondanks eerdere veroordelingen en contactverboden.

De Pro Justitia-rapportages en reclasseringsadviezen wijzen op een stoornis in alcoholgebruik en persoonlijkheidsproblematiek die het gedrag van verdachte beïnvloeden. Verdachte vertoont een hoog recidivegevaar, vooral bij hervatting van alcoholgebruik. Klinische behandeling is noodzakelijk, maar verdachte heeft eerdere behandelingen voortijdig afgebroken.

Het hof legt daarom de gemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op voor vier jaar, aangevuld met gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelen (artikelen 38z en 38v Sr) waaronder een contact- en locatieverbod voor drie jaar. Vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen worden afgewezen om de tbs-behandeling niet te belemmeren.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 232 dagen gevangenisstraf en gemaximeerde TBS met dwangverpleging voor vier jaar met aanvullende gedrags- en vrijheidsbeperkende maatregelen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000562-26
Uitspraakdatum: 24 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 10 februari 2026, met parketnummer 18-191099-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging, parketnummers 18-162000-23, 96-032404-24 en 96-069719-24, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in P.I. [locatie] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 10 juli 2026 en op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van de hem tenlastegelegde belaging tot een gevangenisstraf voor de duur van 232 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert de advocaat-generaal oplegging van de gemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), en de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38v Sr, inhoudende een locatie- en contactverbod. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. van Nimwegen, hebben aangevoerd.

Het vonnis

In het vonnis is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging. De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 232 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd. Verder heeft de rechtbank aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z Sr, en een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr, inhoudende een gebieds- en contactverbod opgelegd.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist. Het hof bevestigt het vonnis, met uitzondering van de strafoplegging. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een (deels) andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor het overige op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist.

Oplegging van straf en maatregelen

Bij het bepalen van de straf en maatregel(en) houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Het hof is het eens met onderstaande (cursief opgenomen) overwegingen van de rechtbank en neemt deze over.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster, zijn dochter. Verdachte was een gewaarschuwd man. Hij was al eerder veroordeeld voor belaging van zijn ex-partner en dochter. Ook had hij destijds een contact- en locatieverbod gekregen. Hij wist dat zijn dochter geen contact wenste. Dit heeft hem er niet van weerhouden om toch weer contact met zijn dochter op te nemen en haar meermaals lastig te vallen door zich op verschillende manieren aan haar op te dringen. Verdachte heeft geen gehoor gegeven aan de wens van zijn dochter en heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen belangen en emoties, zonder daarbij rekening te houden met de gevolgen van zijn handelen. Belaging is een ernstig feit omdat het ingrijpt in de persoonlijke vrijheid en privacy van het slachtoffer. Verdachte heeft door zijn gedragingen stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Stelselmatige inbreuk hierop raakt direct aan de persoonlijkheid en het welbevinden van aangeefster en kan tot ernstige psychische schade leiden. De impact van het gedrag van verdachte is enorm geweest voor aangeefster, zoals ook duidelijk blijkt uit haar aangiftes. Ze voelt zich onveilig, ervaart psychische spanningen en veel stress en leeft elke dag in angst.
Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal aangegeven contact met aangeefster te hebben gehad, waarbij is gebleken dat zij nog altijd veel last heeft van de belaging door haar vader.
Pro Justitia-rapportages van 16 en 20 januari 2026
Het hof heeft, evenals de rechtbank, acht geslagen op de Pro Justitia-rapportages van 16 en 20 januari 2026. Het hof is het eens met onderstaande overwegingen van de rechtbank hieromtrent en neemt deze over, ook inhoudende de conclusie dat het feit verminderd aan verdachte kan worden toegerekend.
Er is sprake van een stoornis in alcoholgebruik en persoonlijkheidsproblematiek. De
psychische stoornis beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste
gelegde. Ten tijde van het ten laste gelegde was verdachte onder invloed van alcohol, maar
hij werd ook op de momenten dat hij niet onder invloed was sterk beïnvloed door de stoornis
in alcoholgebruik in de zin dat hij bleef verlangen naar alcohol en uiteindelijk toch weer naar de alcohol grijpt. Alleen in periodes dat hij werkt, lukt het hem om van de alcohol af te
blijven. Hoewel verdachte zich ervan bewust is dat de alcohol hem steeds in problemen
brengt, lukt het hem niet langdurend de alcohol te laten staan. Alcohol heeft een
ontremmende werking en onder invloed komt verdachte tot stalkingsgedrag (iets wat hij in
nuchtere staat beter weet te onderdrukken). De stoornis in alcoholgebruik zorgt ervoor dat
verdachte niet in staat is zijn (gedrags)keuzes in volledige vrijheid te maken. De deskundigen adviseren om het ten laste gelegde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Feitelijk is de enige beschermende factor dat
verdachte in korte periodes werk heeft als baggeraar. In die periode gebruikt hij geen
alcohol. In de periodes dat hij niet werkt (en dan ook geen huisvesting heeft) valt hij terug in
oud gedrag en wordt hij getriggerd door negatieve emoties, die hem naar de alcohol doen
grijpen. Al met al is het recidiverisico op belagingsgedrag alleen hoog als verdachte weer
gaat drinken. Onder invloed is hij ontremd en heeft hij weinig controle over zijn emoties en
gedrag. Verdachte heeft een behandeling nodig die klinisch zal moeten aanvangen. Er zal
aandacht moeten zijn voor forse verslavingsproblematiek en tevens voor de inadequate
coping en persoonlijkheidstrekken die hem doen terugvallen naar alcoholgebruik. Alle keren heeft verdachte voortijdig de behandeling verlaten met als genoemde reden dat hij werk had gevonden of zich onveilig voelde op de afdeling. Gezien deze overtuiging dat hij zonder hulp kan stoppen met de klinische behandeling en naast dat hij meermalen heeft aangegeven dat hij niet naar een kliniek wil, maar naar een beschermde woonvorm, maakt een straf met voorwaarden vrijwel onmogelijk. Dat geldt ook voor een (deels) voorwaardelijke vrijheidsstraf met behandeling in een kliniek als voorwaarde, maar ook voor tbs met voorwaarden. De verwachting is dat verdachte zich niet aan de voorwaarden zal houden, zoals in het verleden meermaals is gebleken. Omdat een klinische behandeling als noodzakelijk wordt gezien wordt gemaximeerde tbs met dwangverpleging (in de wet opgenomen als de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege)
geadviseerd.
Omdat het om gemaximeerde tbs zal gaan wordt geadviseerd een gedragsbeïnvloedende en
vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr te overwegen naast de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, die contact met potentieel toekomstige slachtoffers verbiedt.
Rapportage van Reclassering Nederland van 23 januari 2026
In het rapport van de reclassering van 23 januari 2026 heeft de reclassering zich aangesloten bij de bevindingen van de gedragsdeskundigen en daarbij positief geadviseerd over tbs met dwangverpleging. Ook sluit de reclassering aan bij het advies om daarnaast een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z Sr) aan verdachte op te leggen, zodat hij indien nodig ook na afloop van de (gemaximeerde) tbs-behandeling kan worden behandeld en er op risicobeheersing kan worden ingezet.
Aanvullende rapportage van Reclassering Nederland van 18 juni 2026
De verdediging heeft in hoger beroep verzocht om een aanvullende rapportage te laten opmaken door de reclassering, waarin wordt onderzocht of verdachte de zorg en behandeling die hij nodig heeft kan krijgen bij de beschermde woonlocatie ‘ [naam] ’ van [organisatie] , en zo ja onder welke (bijzondere) voorwaarden dit kan om dezelfde doelen te bereiken die eventueel via een tbs-maatregel met dwangverpleging te behalen zijn.
Het dossier bevat een aanvullende rapportage van Reclassering Nederland van 18 juni 2026. De reclassering heeft daartoe gesprekken gevoerd met verdachte in de P.I. [locatie] , en heeft contact opgenomen met één van de behandelaren van [organisatie] , met wie verdachte gesprekken heeft gehad in de PI.
Uit voornoemde rapportage volgt dat de gesprekken die verdachte heeft gehad met behandelaren van [organisatie] als doel hebben om tijdens detentie een proces van herstel ten aanzien van alcoholgebruik in gang te zetten, en de overgang na detentie beter te laten verlopen. Het zijn geen contacten geweest die zijn gericht op inhoudelijke behandeling van de verslavings- en/of persoonlijkheidsproblematiek van verdachte. Deze gesprekken zijn op gang gekomen nadat verdachte aangaf met een (voormalig) collega van [organisatie] te hebben gesproken over de mogelijkheden van het uitstromen naar een beschermde woonvorm, namelijk ‘ [naam] ’. De door de reclassering gesproken behandelaar van [organisatie] gaf echter aan dat deze gesprekken niet verifieerbaar zijn, alsook dat er geen dossier is bij hen met betrekking tot verdachte, en de door verdachte genoemde gesprekken dus niet vastgelegd zijn. De medewerker waarmee verdachte over eventuele uitstroom heeft gesproken, werkt niet meer bij [organisatie] . De door de reclassering gesproken behandelaar kon geen toezeggingen doen over eventuele uitstroommogelijkheden bij de beschermde woonvorm in [plaats 1] .
De reclassering merkt in de rapportage voorts op dat volgens de reclassering binnen een voorwaardelijke veroordeling met een plaatsing bij een beschermde woonvorm niet dezelfde doelen kunnen worden bereikt als via een tbs-maatregel met dwangverpleging, mede gelet op het lage beveiligingsniveau en een behandeling met een veel lagere intensiteit dan een klinische behandeling. Dit kader wordt door de reclassering niet toereikend geacht, omdat verdachte al meermaals tijdens een toezicht zijn bijzondere en algemene voorwaarden heeft overtreden. Daarbij komt nog dat ‘ [naam] ’ zich in [plaats 1] bevindt, hetgeen ligt in dezelfde gemeente als [plaats 2] , waarvoor verdachte een gebiedsverbod opgelegd heeft gekregen (te weten de gemeente [gemeente] ). De reclassering heeft aangegeven geen reden te zien om af te wijken van het eerdere reclasseringsadvies van 23 januari 2026.
Conclusie van het hof met betrekking tot de rapportages
Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven beslist geen TBS met dwangverpleging opgelegd te willen krijgen. Dan heeft het leven voor hem geen zin meer. Hij wil aan het werk kunnen blijven als baggeraar. Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat eerdere trauma’s inmiddels niet meer spelen en dat hij daar overheen is. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij zijn dochter niet meer mist. Verdachte heeft aangegeven dat hij ervan baalt dat de gesprekken met een oud-medewerker van [organisatie] niet te verifiëren zijn, maar dat er meer plekken in Nederland zijn waar hij begeleid/beschermd zou kunnen wonen, eventueel inclusief de inname van medicatie.
Het hof overweegt dat de rapportages die zich in het dossier bevinden, inclusief de meest recente reclasseringsrapportage van 18 juni 2026, helder zijn: allen concluderen dat oplegging van de maatregel van tbs met dwangverpleging de enige optie is om de door verdachte benodigde behandeling te laten slagen en het recidiverisico te verminderen. Verdachte heeft eerdere (klinische) behandelingen zelf afgebroken en heeft in het verleden opgelegde contactverboden overtreden. Het gegeven dat verdachte nu zegt zijn dochter niet meer te missen en niet zomaar contact met haar op te nemen, acht het hof gelet op de inhoud van de rapportages, de korte tijd die is verstreken sinds de bewezenverklaarde handelingen en het feit dat verdachte in een gesloten, gestructureerde setting van de P.I. [locatie] verblijft, onvoldoende om de conclusies uit de rapportages niet langer te kunnen volgen.
Gevangenisstraf
De aard en ernst van het bewezenverklaarde feit rechtvaardigt naar het oordeel van het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de duur daarvan heeft het hof rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zoals blijkt uit voornoemde rapportages. Het hof acht het van belang dat verdachte zo snel mogelijk begint aan de voor hem noodzakelijke behandeling, zoals hieronder uiteengezet. Het hof acht daarom oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 232 dagen, met aftrek van voorarrest, passend en noodzakelijk.
Maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege
Het hof verenigt zich met de conclusies van de zich in het dossier bevindende rapportages en neemt deze over. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat aan verdachte de gemaximeerde maatregel van tbs met dwangverpleging moet worden opgelegd.
Het hof stelt vast dat is voldaan aan de formele vereisten voor oplegging van de gemaximeerde tbs-maatregel (artikel 37a Sr). Uit de Pro Justitia-rapportages volgt dat bij
verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit sprake was van
stoornissen van de geestvermogens en het bewezenverklaarde feit betreft een misdrijf zoals
genoemd in het tweede lid van artikel 37a Sr. Daarnaast moet de veiligheid van anderen of
de algemene veiligheid van personen of goederen zodanig in gevaar zijn dat het opleggen
van de maatregel is vereist. Als het hiervoor bedoelde gevaar dit vereist, kan ook worden
bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b lid 1 Sr).
Met betrekking tot voornoemd gevaarscriterium overweegt het hof dat hieronder ook het gevaar voor de psychische veiligheid moet worden begrepen. De impact die de bewezenverklaarde belaging op aangeefster heeft (gehad) is, mede gezien in het licht van het feit dat verdachte al eerder voor hetzelfde feit ten aanzien van aangeefster is veroordeeld, naar het oordeel van het hof volstrekt navolgbaar. Naar het oordeel van het hof is er sprake van aanzienlijk gevaar voor de psychische gezondheid van aangeefster. Daarbij is mede van belang dat de belaging al een lange periode voortduurt, en ondanks de eerdere veroordeling niet stopte. Ook een contactverbod weerhield verdachte er niet van om door te gaan met het zoeken van contact met aangeefster, hetgeen voor psychische spanningen en angsten heeft gezorgd.
Gelet op het hiervoor overwogene kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere straf of maatregel waarbij (strikte) bijzondere voorwaarden in de vorm van behandeling worden opgelegd. Het hof acht de kans groot dat verdachte zich, bij een behandeling met een lagere intensiteit en een lager beveiligingsniveau, niet aan voorwaarden houdt. Het hof ziet in het geval van verdachte in een minder dwingend kader onvoldoende mogelijkheden om verdachte te behandelen, de maatschappij te beveiligen en het recidivegevaar zoveel als mogelijk in te perken. Gezien het voorgaande legt het hof aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (tbs met dwangverpleging) op.
De duur van de tbs wordt in dit geval gemaximeerd tot 4 jaren, in de zin van artikel 38e Sr, omdat het bewezenverklaarde geen misdrijf betreft dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.
Maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking (artikel 38z Sr)
Het hof ziet, evenals de rechtbank, aanleiding om aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Het hof is het eens met de hieronder (cursief) opgenomen overwegingen van de rechtbank hierover en neemt deze over.
Deze maatregel maakt het mogelijk dat verdachte zich ook na de tbs-maatregel aan gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelen dient te houden en zich moet conformeren aan langdurig toezicht van de reclassering, indien dit dan noodzakelijk blijkt in verband met het risico op herhaling. Uit de rapportages van de deskundigen blijkt dat sprake is van recidivegevaar en dat de verdachte langdurig onder toezicht dient te staan om de veiligheid van anderen te beschermen. Ook aan de overige wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan. De verdachte zal namelijk ter beschikking worden gesteld.
Vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr)
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten ziet het hof aanleiding om aan verdachte ook de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen. Daarbij acht het hof het aangewezen dat het locatieverbod ziet op de (hele) gemeente [gemeente] , en niet uitsluitend op de plaats [plaats 2] zoals door de rechtbank is bepaald. Deze maatregel houdt aldus in dat verdachte zich gedurende drie jaren niet zal ophouden in de gemeente [gemeente] , en op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 1997. Het hof bepaalt daarbij dat voor iedere keer dat verdachte voornoemde maatregel overtreedt, 2 weken vervangende hechtenis zal worden toegepast, met een maximum van 6 maanden.

Vorderingen tenuitvoerlegging

Parketnummer 18-162000-23
Bij onherroepelijk vonnis van 19 maart 2024 van de meervoudige strafkamer van in de
rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een
gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 98 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3
jaren. De proeftijd is ingegaan op 4 april 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld
dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 4 september 2025 de tenuitvoerlegging
gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Parketnummer 96-032404-24
Bij onherroepelijk vonnis van 27 augustus 2024 van de politierechter van in de rechtbank
Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een
gevangenisstraf van 10 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is
ingegaan op 11 september 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat
veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 4 september 2025 de tenuitvoerlegging
gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Parketnummer 96-069719-24
Bij onherroepelijk vonnis van 20 september 2024 van de politierechter van in de rechtbank
Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf
van 6 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 4
oktober 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde
van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 4 september 2025 de tenuitvoerlegging
gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Oordeel van het hof
De vorderingen kunnen in beginsel worden toegewezen, omdat verdachte het bewezenverklaarde feit voor het einde van voornoemde proeftijden heeft begaan. Gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gekomen en de tbs-maatregel die het hof aan verdachte oplegt, ziet het hof evenals de rechtbank en de advocaat-generaal aanleiding om de vorderingen af te wijzen. Verdachte kan dan zo snel mogelijk aan de tbs-behandeling beginnen.

Wetsartikelen

De straf en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 37a, 37b, 38v, 38w, 38z en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
232 (tweehonderdtweeëndertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende
  • dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren zich niet zal ophouden in de gemeente [gemeente] .
  • dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
[aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 1997.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 4 september 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 18 oktober 2024, parketnummer 18-162000-23, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 98 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht en een proeftijd van 3 jaren.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 4 september 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 27 augustus 2024, parketnummer 96-032404-24, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 10 weken met een proeftijd van 3 jaren.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 4 september 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 20 september 2024, parketnummer 96-069719-24, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met een proeftijd van 3 jaren.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. G.A. Versteeg, mr. T.H. Bosma en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes-de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 juli 2026.