ECLI:NL:GHARL:2026:4878

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
W.200.369.999
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 258 lid 2 SvArt. 415 lid 3 SvArt. 350 SvArt. 8 WVW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing wrakingsverzoek wegens objectief gerechtvaardigde vrees vooringenomenheid raadsheren

In deze strafzaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen drie raadsheren van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Verzoeker stelde dat de raadsheren zich al een oordeel hadden gevormd over de geldigheid van het bloedonderzoek, nog voordat het onderzoek ter terechtzitting was gesloten, wat de schijn van vooringenomenheid wekte.

De wrakingskamer heeft het verzoek ontvankelijk verklaard en de gronden van verzoeker onderzocht. Verzoeker wees op het ontbreken van zekerheid over de identiteit van de verpleegkundige die het bloedonderzoek verrichtte, het verbroken bloedblok en de late toevoeging van een ijktabel aan het dossier. De raadsheren hadden de getuigenverzoeken afgewezen en verklaard dat het onderzoek volgens de regelen der kunst was verlopen.

De wrakingskamer oordeelde dat de raadsheren door hun opmerkingen en het afwijzen van getuigenverzoeken een zwaarwegende aanwijzing hebben gegeven dat zij jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren. De vrees van verzoeker is daarmee objectief gerechtvaardigd. Het wrakingsverzoek is daarom toegewezen en de betrokken raadsheren zijn gewraakt.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt toegewezen wegens objectief gerechtvaardigde vrees vooringenomenheid van de raadsheren.

Uitspraak

Wrakingskamer

Parketnummer: 21-004840-25
Wrakingsnummer: W.200.369.999
Uitspraakdatum: 29 juli 2026
Beslissinggewezen op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), gedaan door

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
wonende te [woonadres] .
De procedure
Ter terechtzitting van de strafkamer van dit hof op 5 juni 2026 is door de raadsman van verzoeker, mr. T.J.N. Hameleers, advocaat te Roermond, de wraking verzocht van de raadsheren [raadsheer 1] , [raadsheer 2] en [raadsheer 3] . De raadsheren hebben te kennen gegeven niet in de wraking te berusten en geen gebruik te willen maken van de gelegenheid op de mondelinge behandeling van het verzoek te worden gehoord. De raadsheren hebben in het wrakingsverzoek wel aanleiding gezien tot een inhoudelijke reactie.
Het wrakingsverzoek is ter zitting van 15 juli 2026 behandeld door de wrakingskamer. Verzoeker en zijn raadsman zijn bij deze behandeling verschenen en hebben het wrakingsverzoek nader toegelicht.
Ontvankelijkheid
Het hof acht het verzoek tijdig gedaan en ook overigens ontvankelijk.
De gronden van het verzoek tot wraking
Ter onderbouwing van het wrakingsverzoek is het volgende aangevoerd.
De raadsman heeft op de zitting van 5 juni 2026 verzocht om een aantal getuigen te horen om vast te kunnen stellen of de waarborgen zijn nageleefd waarmee het onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) is omringd.
Daarbij heeft de raadsman gewezen op de omstandigheden dat het bloedblok is verbroken, de naam van de verpleegkundige niet met zekerheid kan worden vastgesteld en niet vaststaat dat er voldoende bloed is afgenomen. Op 5 juni 2026 is de raadsman en verzoeker gebleken dat de ijktabel die enige dagen voor de zitting aan hen werd toegezonden op verzoek van de voorzitter en niet op instigatie van de advocaat-generaal door de advocaat-generaal aan het dossier is toegevoegd. Bij de procedure in eerste aanleg ontbrak de ijktabel.
Het hof heeft volgens de raadsman al uitlatingen gedaan over de geldigheid van het onderzoek in de zin van artikel 8 WVW Pro, nu op de zitting is gezegd dat het onderzoek volgens de regelen der kunst is verlopen.
Daarmee is vooruitgelopen op het pleidooi dat nog gehouden moet worden en een eventuele beslissing bij arrest en dat wekt de schijn van vooringenomenheid bij verzoeker.
Het standpunt van verweerders
De raadsheren hebben geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de voorzitter op grond van artikel 258 lid 2 Sv Pro jo. artikel 415 lid 3 Sv Pro de advocaat-generaal in aanloop naar de inhoudelijke behandeling heeft verzocht om de ijktabel van de boordmeter aan het dossier toe te voegen nu deze stukken relevant kunnen zijn voor de in het kader van artikel 350 Sv Pro te beantwoorden vragen en dat daaruit geen schijn van vooringenomenheid kan worden afgeleid.
Voor wat betreft het afwijzen van de verzoeken tot het horen van getuigen was volgens de raadsheren de noodzaak daartoe onvoldoende onderbouwd en ontbrak die noodzaak omdat de te stellen vragen op basis van de voorliggende dossierstukken al konden worden beantwoord. De raadsheren wijzen er daarbij op dat een onwelgevallige (tussen)beslissing op onderzoekswensen geen grond kan zijn voor wraking, een motivering van een dergelijke beslissing evenmin, zelfs als deze onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of zelfs helemaal niet is gemotiveerd, tenzij de motivering in het licht van alle omstandigheden en naar objectieve maatstaven blijk geeft van vooringenomenheid. Daarvan is naar het oordeel van de raadsheren in onderhavige zaak geen sprake.
Voor zover in de motivering van de gegeven beslissing vooringenomenheid zou volgen uit de opmerking ‘dat het hof geen reden heeft om te twijfelen dat een en ander volgens de regelen der kunst heeft plaatsgevonden’, hebben de raadsheren er op gewezen dat het van belang is dat daarmee niet is gezegd – anders dan dat mr. Hameleers ter motivering van het wrakingsverzoek ter zitting van de strafkamer van het hof leek te betogen – dat daarmee naar het oordeel van het hof een onderzoek in de zin van artikel 8 lid 5 WVW Pro heeft plaatsgevonden. Volgens de raadsheren heeft het hof met die opmerking énkel aangegeven op basis van het dossier geen aanwijzing te hebben dat het
vervoervan monsters door de koerier (en daarmee slechts een van de onderdelen van een onderzoek ex artikel 8 lid 5 WVW Pro) niet volgens de regelen der kunst heeft plaatsgevonden.
De inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot wraking
Op grond van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder – voor zover hier van belang – recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv Pro hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn.
Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
De wrakingskamer stelt voorts voorop dat in deze wrakingszaak niet ter beoordeling staat of de raadsheren de getuigenverzoeken al dan niet terecht hebben afgewezen. Het middel van wraking kan immers niet een verkapt rechtsmiddel zijn om – de verzoeker onwelgevallige – (processuele) beslissingen van de zittingsrechter ongedaan te maken. Ook eventuele juridische fouten, zoals het toepassen van een onjuist beoordelingscriterium, worden door de wrakingskamer niet door honorering van een wrakingsverzoek rechtgezet.
Het behoort tot de normale taak van de zittingsrechter om, gaande de procedure, (tussen)beslissingen te nemen over (onder meer) het al dan niet horen van getuigen. Grond voor wraking bestaat alleen als uit de beslissing, waaronder begrepen de motivering, zwaarwegende aanwijzingen als hiervoor omschreven kunnen worden afgeleid.
De wrakingskamer dient zich aldus uit te laten over de vraag of de raadsheren, door afwijzend te beslissen op de getuigenverzoeken dan wel in de motivering van hun beslissing tot afwijzing, onmiskenbaar blijk hebben gegeven van een vooringenomenheid jegens verzoeker, althans dat de bij de verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
Namens verzoeker is op de zitting van 5 juni 2026 verzocht om een aantal getuigen te horen met het oog op het antwoord op de vraag of in de strafzaak van verzoeker sprake is geweest van een onderzoek in zin van artikel 8 WVW Pro en of de strikte waarborgen die daarbij gelden zijn nageleefd.
Daarbij heeft de verdediging aangevoerd dat de hoeveelheid bloed die is afgenomen niet is vermeld, dat de naam van de verpleegkundige die het bloedonderzoek heeft verricht niet bekend is en ook niet of er überhaupt wel een verpleegkundige bij dat onderzoek betrokken is geweest. Tot slot heeft de verdediging gewezen op de omstandigheid dat het bloedblok is verbroken.
Als reactie op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de al dan niet verpleegkundige, heeft de voorzitter medegedeeld dat “de jongste raadsheer zojuist een zoekslag op internet heeft verricht en dat zij in het BIG-register een verpleegkundige heeft gevonden met de naam [naam] en dat het formulier op pagina 41 is ondertekend door een verpleegkundige [naam] en dat weleens de verpleegkundige zou kunnen zijn.”
Vervolgens is het onderzoek ter terechtzitting onderbroken voor beraad.
Na beraad heeft de voorzitter als beslissing van het hof het volgende medegedeeld:
“De voorzitter deelt als beslissing van het hof mee dat het verzoek tot het horen van [naam medewerker NFI] van het NFI wordt afgewezen, omdat de noodzaak daartoe niet is gebleken.
[naam medewerker NFI] is geen Keskin-getuige en haar rapport is een algemene voorlichtingsbrief
die niet specifiek in deze zaak is opgemaakt. Het verzoek en de noodzaak tot het horen zijn
is daarmee onvoldoende onderbouwd.
Het verzoek tot het horen van verbalisant [naam verbalisant] wordt ook afgewezen, omdat het hof
daartoe ook geen noodzaak ziet, nu uit het dossier al blijkt wie de verpleegkundige is die
bloed heeft afgenomen.
Het verzoek tot het horen van de verpleegkundige wordt ook afgewezen. Zowel uit het
proces-verbaal ‘Rijden onder invloed’ als uit het formulier (p. 40 en 41) blijkt dat de
bloedafname heeft plaatsgevonden door een verpleegkundige. Nu dit is gerelateerd in een
ambtsedig opgemaakt proces-verbaal heeft het hof zonder nadere onderbouwing geen reden
om daaraan te twijfelen. Daarom ziet het hof geen noodzaak hem te horen.
Ook het verzoek tot het horen van de koerier wordt afgewezen, omdat het verzoek
onvoldoende is onderbouwd en de noodzaak om hem vragen te stellen over hoe het
bloedblok/de bloedmonsters zijn afgeleverd bij het laboratorium in het licht van de door het
hof te beantwoorden vragen niet is gebleken. Het hof heeft geen reden om te twijfelen dat
het onderzoek op dit punt niet volgens de regelen der kunst is gegaan. Daarmee bestaat geen
noodzaak tot het horen van de koerier.”
De wrakingskamer overweegt dat het tot de taak van de rechter behoort om eerst na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting met het oog op de alsdan te nemen beslissingen
het beschikbare bewijsmateriaal mede uit een oogpunt van rechtmatigheid en betrouwbaarheid te waarderen (vgl. HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9920).
Naar het oordeel van de wrakingskamer lijkt de hiervoor gegeven motivering van het hof voor het afwijzen van de verzoeken tot het horen van de getuigen er op te duiden dat het hof zich met betrekking tot de vraag of het bewijsmateriaal tot het bewijs van het tenlastegelegde toegelaten kan worden al een oordeel had gevormd voordat het onderzoek ter terechtzitting was gesloten.
De wrakingskamer wijst daarbij op de omstandigheid dat het hof met de zoekslag op internet naar de naam van de verpleegkundige eerst heeft overwogen dat het de verpleegkundige ‘weleens zou kunnen zijn’ om vervolgens bij het afwijzen van de verzoeken tot het horen van verbalisant [naam verbalisant] en de verpleegkundige te overwegen dat ‘uit het dossier al blijkt wie de verpleegkundige is die bloed heeft afgenomen’ en ‘blijkt dat de bloedafname heeft plaatsgevonden door een verpleegkundige’.
Bovendien heeft het hof bij het afwijzen van het verzoek tot het horen van de koerier overwogen dat het hof ‘geen reden heeft om te twijfelen dat het onderzoek op dit punt niet volgens de regelen der kunst is gegaan’.
Dit levert naar het oordeel van de wrakingskamer een zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de bestaande vrees bij verzoeker dat de raadsheren met betrekking tot dit punt jegens hem een vooringenomenheid koesteren, objectief gerechtvaardigd is.
De omstandigheid dat de raadsheren in hun reactie op het wrakingsverzoek schrijven dat het hof met die opmerking enkel heeft gedoeld op het vervoer van monsters door de koerier en zich daarmee over slechts een van de onderdelen van een onderzoek in de zin van artikel 8 lid 5 WVW Pro heeft uitgelaten, maakt dit oordeel niet anders.
Het voorgaande betekent dat het wrakingsverzoek gegrond is en het zal daarom worden toegewezen.
BESLISSING
Het hof:
Wijst toehet verzoek tot wraking van de raadsheren [raadsheer 1] , [raadsheer 2] en [raadsheer 3] .
Aldus gewezen door
mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,
mr. R. den Ouden en mr. M.H.F. van Vugt, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier,
en op 29 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 29 juli 2026.
Tegenwoordig:
mr. C.H. Zuur, voorzitter,
mr. A. Hermelink, advocaat-generaal,
A.C. Wiersma, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
Verzoeker is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt de beslissing uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.