ECLI:NL:GHARL:2026:4883

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
5055-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 23 SrArt. 24 SrArt. 24c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor aanwezig hebben van hennepafval na bestuurlijke controle

Op 13 oktober 2022 voerden gemeentelijke toezichthouders en politie een integrale controle uit op een perceel waar verdachte woonde in een recreatiewoning. Tijdens deze controle gaf verdachte toestemming om de woning te betreden, waarna verbalisanten hennepafval aantroffen.

De rechtbank Midden-Nederland sprak verdachte vrij, maar het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat het bewijs wettig en overtuigend was. Het hof verwierp de verweren van onrechtmatig binnentreden, onvolledige informatieverstrekking en onrechtmatige doorzoeking, omdat toestemming was gegeven en de verbalisanten als sterke arm meekwamen.

Het hof achtte bewezen dat verdachte opzettelijk ongeveer 4840 gram hennepafval aanwezig had, wat strafbaar is volgens de Opiumwet. Gelet op de omstandigheden, het strafblad en persoonlijke situatie van verdachte, legde het hof een geldboete van €750,- op, subsidiair 7 dagen hechtenis. Tevens constateerde het hof een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €750,-, subsidiair 7 dagen hechtenis, voor het opzettelijk aanwezig hebben van circa 4840 gram hennepafval.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005055-23
Uitspraakdatum: 28 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 18 oktober 2023 met parketnummer 16-036937-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 juli 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van het vonnis van de rechtbank;
  • veroordeling van verdachte voor het ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.H. Lagerweij, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 18 oktober 2023 verdachte vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde feit.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Midden-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 oktober 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4840 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het primaire standpunt houdt in dat verdachte de toezichthouders toestemming heeft gegeven om de woning te betreden waardoor geen machtiging nodig is. Er wordt voldaan de eisen van artikel 1 Algemene Pro wet op het binnentreden (Awbi). Verbalisant [verbalisant 1] is op grond van artikel 5:15 Algemene Pro wet Bestuursrecht (Awb) met gegronde reden met de toezichthouders mee naar binnen gegaan als sterke arm. Het feit dat verbalisant [verbalisant 1] niet spoedig een proces-verbaal heeft opgemaakt benadrukt dat de bestuursrechtelijke controle niet was gericht op het opsporen van strafbare feiten. Het Aanwijzingsbesluit zegt niets over de bevoegdheden van de toezichthouders tijdens de bestuurlijke controle in de woning van verdachte. Er is geen enkele reden om te twijfelen aan de bevoegdheden van de toezichthouders.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Het binnentreden van zowel de toezichthouder als de verbalisanten is onrechtmatig geweest. Er is geen sprake geweest van een ‘informed consent’. Aan verdachte is niet de volledige en juiste informatie gegeven over het binnentreden, zodat geen sprake was van toestemming. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim, zoals bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv). De bevindingen die zijn gedaan in de woning en de daarover opgestelde processen-verbaal kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt. De bestuursrechtelijke machtiging tot binnentreden is herroepen. Daar komt bovenop dat het doel van het binnentreden door de toezichthouders en de verbalisant onduidelijk en onrechtmatig was. Het Bestuurlijk Interventie Team (BIT) had ten tijde van de controle geen toezichthoudende bevoegdheden en het doel van de controle was onduidelijk. Tot slot is naar voren gebracht dat de toezichthouders en verbalisanten de woning hebben doorzocht, terwijl zij daartoe niet bevoegd waren. Dit is van bepalende invloed geweest op het strafproces. Al het bewijsmateriaal dat verkregen is door deze onrechtmatigheden moet worden uitgesloten van het bewijs.
Oordeel van het hof
Het hof stelt op grond van het strafdossier en het onderzoek ter zitting de navolgende feiten en omstandigheden vast.
Op 13 oktober 2022 hebben ambtenaren van de gemeente [gemeente] en meerdere politiemedewerkers een ‘integrale controle’ uitgevoerd op het perceel [adres] te [plaats] . Verdachte woonde ten tijde van de controle in een recreatiewoning op dit perceel. Het doel van de controle was om de activiteiten die op het perceel plaatsvonden inzichtelijk te maken. Er werd gekeken naar milieuvoorschriften, brandveiligheid, bouwregels en regels inzake verblijfsrecreatie en zomerhuizen.
De verbalisanten gingen mee als sterke arm om de veiligheid te waarborgen. Wanneer een medewerker van de gemeente een strafbaar feit zou constateren, zouden de verbalisanten optreden als opsporingsambtenaar.
Uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] volgt dat hij zag dat de toezichthouders in gesprek waren met een persoon. Hij hoorde deze persoon (
het hof begrijpt: verdachte) zeggen dat hij de bewoner was van de recreatiewoning en dat hij de woning huurde. Daarnaast nam hij waar dat verdachte de toezichthouders toestemming gaf om de woning binnen te komen om toezichthoudende taken te verrichten. Verbalisant [verbalisant 1] is met de toezichthouders mee naar binnen gelopen. Na enkele ogenblikken kreeg hij de vraag om mee te lopen naar de kamer links omdat daar twee grote plastic zakken stonden, die aan de bovenzijde open waren. De zakken zaten ongeveer driekwart vol met kleine plantdelen die verbalisant [verbalisant 1] herkende als hennepplant. Het betrof in totaal 4840 gram aan hennepafval.
In het aanvullende proces-verbaal heeft verbalisant [verbalisant 1] beschreven dat toen hij buiten met de toezichthouders voor de woning stond, verdachte toestemming gaf om de woning te betreden. Hij hoorde dat de toezichthouders uitlegden wat het doel was van het bezoek aan de woning en zag dat ze legitimatiebewijzen toonden. Hij hoorde ook dat werd gezegd dat de politie mee was voor de veiligheid van de toezichthouders. Verbalisant [verbalisant 1] bleef in de hal direct achter de voordeur staan totdat hij een toezichthouder hoorde roepen ‘politie, kom eens hier?’. Hij liep mee naar de meest linker gelegen kamer in de woning, vanuit de voordeur gezien. [verbalisant 1] zag dat er in deze kamer grote plastic zakken stonden die aan de bovenzijde open waren. Zonder dat hij handelingen hoefde te verrichten, kon hij via de bovenzijde in deze zakken kijken. De zakken waren voor ongeveer driekwart gevuld met kleine plantdelen, die [verbalisant 1] herkende als delen van de hennepplant. [verbalisant 1] hoorde dat de bewoner zei dat dit gewoon hennepafval was.
Ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft verbalisant [verbalisant 1] zijn eerdere bevindingen bevestigd.
Verweer onrechtmatig binnentreden door toezichthouders en verbalisanten
Om binnen te treden in de woning dienen de toezichthouders een machtiging óf toestemming te hebben van verdachte, volgens artikel 5:15 Awb Pro juncto artikel 2 Awbi Pro.
Het hof stelt vast dat verdachte de toezichthouders toestemming heeft gegeven om zijn woning binnen te mogen treden. Een machtiging tot binnentreden was daarom niet noodzakelijk. Het hof ziet geen enkele reden om te twijfelen aan de processen-verbaal en de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] , waarin hij beschrijft te hebben gehoord dat verdachte toestemming heeft gegeven. [verbalisant 1] heeft dat in het aanvullende proces-verbaal en in zijn verhoor tegenover de raadsheer-commissaris bevestigd. In het aanvullende proces-verbaal heeft [verbalisant 1] verklaard dat hij bij de toezichthouders stond voor de recreatiewoning en hij hoorde dat verdachte toestemming gaf aan de toezichthouders om zijn woning te betreden. Hij hoorde dat de toezichthouders uitlegden wat het doel
was van het bezoek aan de woning, en zag dat zij hun legitimatiebewijzen toonden. Hij
hoorde dat de toezichthouders tegen verdachte zeiden dat de politie mee was voor
hun veiligheid. Daarmee wordt voldaan de eisen van artikel 1 Awbi Pro. De stelling van de raadsvrouw dat aan verdachte onvolledige en onduidelijke informatie is verstrekt over het binnentreden, wordt gelet op het aanvullende proces-verbaal verworpen. Datzelfde geldt voor de stelling dat de toezichthouders en verbalisant zich niet zouden hebben gelegitimeerd.
Verder stelt het hof vast dat de verbalisanten bij de controle van de gemeente [gemeente] meegingen als ‘sterke arm’, conform artikel 5:15 lid 2 Awb Pro. De rol van de verbalisanten is voorafgaand aan de controle besproken als ‘sterke arm’ om de veiligheid te waarborgen. Pas wanneer een medewerker van de gemeente een strafbaar feit zou constateren, zouden de verbalisanten optreden als opsporingsambtenaar. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] volgt dat de politie de taak had om als ondersteuning mee te gaan, omdat de ingeschreven eigenaar van het recreatiepark voorkwam in het politiesysteem voor meerdere misdrijven en zij de veiligheid van de toezichthouders zouden waarborgen. In het aanvullende proces-verbaal van [verbalisant 1] is beschreven dat het terrein onoverzichtelijk was en niet kon worden uitgesloten dat andere aanwezigen ook een eventuele dreigende houding konden aannemen ten aanzien van de toezichthouder die hun taken moesten vervullen. Het optreden van de verbalisant is derhalve naar het oordeel van het hof in overeenstemming met de wet.
Verweer met betrekking tot het BIT
De raadsvrouw heeft bepleit dat het BIT op 13 oktober 2022 nog geen toezichthoudende bevoegdheden had, aangezien in het Aanwijzingsbesluit wordt benoemd dat het noodzakelijk is dat alle leden van BIT moeten worden aangewezen als toezichthouders in de zin van artikel 5:11 Awb Pro en dat die bevoegdheden er voor 30 maart 2023 nog niet waren.
Het hof stelt vast dat de gemeentelijke toezichthouders die op 13 oktober 2022 de controle uitoefenden nog geen onderdeel waren van het BIT, maar kennelijk samenwerkten op een andere basis. Het BIT betreft een latere samenwerking tussen gemeenten en basiseenheden van de politie. Het enkele feit dat in het later in werking getreden Aanwijzingsbesluit van 30 maart 2023 anders is besloten omtrent de bevoegdheden van de toezichthouders, laat onverlet dat de medewerkers van de gemeente in de periode voor het Aanwijzingsbesluit eigen toezichthoudende bevoegdheden hadden. Verder leidt het hof uit het dossier af dat het doel van de controle voldoende duidelijk was, namelijk om de activiteiten die op het perceel plaatsvonden inzichtelijk te maken. Daarbij werd gekeken naar milieuvoorschriften, brandveiligheid, bouwregels en regels inzake verblijfsrecreatie en zomerhuizen.
Verweer inzake verbaliseringsplicht
Gelet op het voorgaande was sprake van een bestuurlijke controle door toezichthouders van de gemeente, waarbij de verbalisanten mee gingen ter beveiliging. De raadsvrouw heeft bepleit dat de verbaliseringsplicht is geschonden nu niet ten spoedigste een proces-verbaal is opgemaakt door de politie. Het hof verwerpt dit verweer en leidt uit het dossier af dat is voldaan aan de verbaliseringsplicht door verbalisant [verbalisant 1] , middels de door hem opgemaakte (aanvullende) processen-verbaal. De verbaliseringsplicht gold niet voor de gemeentelijke toezichthouders, nu zij onder het bereik van de bestuursrechtelijke bepalingen bevoegdheden uitoefenden. In de omstandigheid dat het aanvullende proces-verbaal van [verbalisant 1] later is opgemaakt, ziet het hof bevestiging dat de bestuurlijke controle gericht was op het uitoefenen van bestuursrechtelijke bevoegdheden en niet op de strafrechtelijke opsporing. Pas wanneer de toezichthouders op strafbare feiten zouden stuiten, kwamen de verbalisanten in beeld.
Verweer doorzoeking woning
Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] volgt dat toen hij de slaapkamer binnenkwam waar de plastic zakken stonden met hennepafval, hij zag dat deze zakken aan bovenkant open waren. Zonder nadere inspanning kon [verbalisant 1] via de geopende bovenkant in de zakken kijken. Het hof is gelet daarop van oordeel dat het via de bovenkant kijken in de geopende zakken niet verder gaat dan zoekend rondkijken en daardoor niet is aan te merken als een doorzoekingshandeling.
Het hof verwerpt de verweren van de verdediging. Aldus is geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 13 oktober 2022 te [plaats] , in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4840 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn komt de advocaat-generaal tot een andere strafeis dan de officier van justitie in eerste aanleg. Hij ziet er daarom van af tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf te vorderen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft in het geval het hof toch zou komen tot een veroordeling verzocht om verdachte schuldig te verklaren zonder strafoplegging, dan wel de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf, met een proeftijd van één jaar. Verder is verzocht om rekening te houden met overschrijding van de redelijke termijn.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van vuilniszakken met daarin 4840 gram hennepafval. Door zijn handelen heeft verdachte meegewerkt aan de bevordering en instandhouding van het illegale circuit van de productie, handel en het gebruik van softdrugs, door welk circuit ook andere vormen van criminaliteit in de hand worden gewerkt. Wel houdt het hof er rekening mee dat het hier hennepafval betreft van een geringe hoeveelheid planten.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 12 juni 2026, waaruit blijkt dat hij sinds het bewezenverklaarde feit niet meer in aanraking met politie en justitie is gekomen.
Verder neemt het hof in aanmerking de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting door verdachte en zijn raadsvrouw naar voren zijn gebracht. Daaruit is naar voren gekomen dat hij werkt als glazenwasser en samenwoont met zijn vriendin.
Het hof ziet in hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, danwel voor de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf.
Verder heeft het hof geconstateerd dat de redelijke termijn waarbinnen de berechting had moeten plaatsvinden in hoger beroep is overschreden. De redelijke termijn in hoger beroep is gestart op 31 oktober 2023, de dag waarop de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld. Dit arrest wordt uitgesproken op 28 juli 2026, en daarmee niet binnen twee jaar na het begin van de redelijke termijn. Het hof constateert dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna 9 maanden. Nu het hof aan verdachte een geldboete zal opleggen waarvan het onvoorwaardelijke deel minder bedraagt dan € 1.000,00, zal het hof volstaan met de constatering dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting in hoger beroep.
Alles afwegende, acht het hof de oplegging van een geldboete € 750,00, subsidiair 7 dagen hechtenis, passend en geboden.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
7 (zeven) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. A. Meester, mr. M.B. de Wit en mr. M.C. van Linde, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 28 juli 2026.