ECLI:NL:GHARL:2026:4923

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
21-001396-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21b MeststoffenwetArt. 36e Wetboek van StrafrechtArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering fosfaatrechten overschrijding melkveebedrijf

Betrokkene, een melkveebedrijf met Jersey-koeien, werd door de economische politierechter veroordeeld wegens het produceren van meer dierlijke meststoffen uitgedrukt in fosfaat dan het fosfaatrecht voor 2020 toestond. Het hof vernietigde het vonnis en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €19.334,85, gebaseerd op de bespaarde kosten door het niet leasen van extra fosfaatrechten.

De verdediging voerde aan dat de forfaitaire berekeningswijze onrechtvaardig was voor biologische melkveehouders met Jersey-koeien en dat betrokkene feitelijk geen fosfaat teveel had uitgestoten. Het hof oordeelde echter dat de wetgever bij de invoering van het fosfaatrechtenstelsel geen uitzonderingen meer maakte voor dit ras of biologische bedrijfsvoering, en dat betrokkene op de hoogte had moeten zijn van de berekeningswijze.

Hoewel het hof erkende dat betrokkene mogelijk feitelijk geen overschrijding had, vond het geen bijzondere omstandigheden om van de wettelijke regeling af te wijken. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg werd de betalingsverplichting aan de Staat verminderd tot €17.500. Het hof legde betrokkene deze betalingsverplichting op en vernietigde het eerdere vonnis.

Uitkomst: Het hof legt betrokkene een betalingsverplichting van €17.500 op wegens ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel door overschrijding fosfaatrechten in 2020.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001396-25
Uitspraakdatum: 21 juli 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissingvan de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gegeven op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de economische politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 14 maart 2025 met parketnummer 82-333341-23 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen

[betrokkene] ,

gevestigd te [adres] ,
hierna: betrokkene.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de economische politierechter in de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 juli 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens betrokkene door de vertegenwoordiger, [betrokkene] , en de raadsman, mr. P.J.G. Goumans, is aangevoerd.

De beslissing

Het hof verenigt zich niet met de (mondelinge) beslissing van de economische politierechter. Daarom vernietigt het hof de beslissing en doet het hof opnieuw recht.
Vordering
De advocaat-generaal heeft gevorderd het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op een bedrag van € 19.334,85 en aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Daartoe heeft zij aangevoerd dat over het jaar 2020 sprake is van een forfaitaire overschrijding van 573,49 kg fosfaat en dat betrokkene kosten heeft bespaard doordat betrokkene geen extra fosfaatrechten heeft gekocht/geleased. De wetgever heeft bij invoering van het fosfaatrechtenstelsel op 1 januari 2018 nadrukkelijk gekozen voor een forfaitair stelsel. Om die reden is voor de berekening alleen het aantal melkvee relevant en niet ook het specifieke ras, aldus de advocaat-generaal.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de ontnemingsvordering af te wijzen dan wel de eventuele betalingsverplichting aan de Staat vast te stellen op nihil. De wettelijke forfaitaire berekeningswijze leidt tot een fosfaatproductie die aanmerkelijk hoger is dan de werkelijke fosfaatproductie van de Jersey-melkkoeien die in de vennootschap worden gehouden. De vennootschap is ook niet gericht op maximalisatie van de melkproductie, maar op biologische bedrijfsvoering met Jersey-koeien die maatschappelijk en milieutechnisch verantwoord is. Betrokkene heeft ook nooit gebruikgemaakt van de derogatie. Vanwege veranderende regelgeving en meerdere inconsistenties in de meststoffenregelgeving was het betrokkene ook niet duidelijk hoe de berekening van de fosfaatproductie precies moest plaatsvinden. Ontneming is onder de gegeven omstandigheden niet rechtvaardig, niet zinvol en disproportioneel. Tot slot dient bij eventuele oplegging van een betalingsverplichting rekening te worden gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Betrokkene is bij vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Gelderland van 14 maart 2025 veroordeeld voor medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 21b, eerste lid van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.
Uit het strafdossier [1] en de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep blijkt dat betrokkene uit dat bewezenverklaarde feit financieel voordeel heeft behaald, bestaande uit besparing van kosten, doordat betrokkene over het jaar 2020 heeft nagelaten extra fosfaatrechten te leasen om het tekort aan te vullen. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in het dossier is door de verdediging niet betwist.
In bijlage 11 van het proces-verbaal is vastgesteld dat over het kalenderjaar 2020
5.326,25 kg aan fosfaatrechten benodigd was op grond van de volgende berekening:
Aantal in diercategorie 100 x fosfaatrecht: 100,4 x 32,4 = 3.648,20 kg
Aantal in diercategorie 101 x fosfaatrecht: 47,9 x 9,6 = 611,52 kg
Aantal in diercategorie 102 x fosfaatrecht: 36,4 x 21,9 = 1066,53 kg (+
-----------------
5.326,25 kg
Het aantal geregistreerde fosfaatrechten over het kalenderjaar 2020 bedroeg 4.752,76 kg. Hiermee is sprake van een overschrijding van 573,49 kg aan fosfaatrechten. [2]
Het wederrechtelijk verkregen voordeel in de vorm van de besparing van kosten door het niet leasen van de voor deze productie van dierlijke meststoffen benodigde fosfaatrechten is [3] :
Overschrijding: 573,49 kg fosfaat x
(Gemiddelde) leaseprijs per kg fosfaat voor 2020: € 33,54 =
---------------------
Totale leasekosten: € 19.234,85
Leges € 100,00 (+
---------------------
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 19.334,85
Op grond van wettige bewijsmiddelen schat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel op (afgerond)
€ 19.334. Het hof ziet in wat de verdediging naar voren heeft gebracht, mede gelet op de (onherroepelijke) veroordeling van betrokkene in de hoofdzaak voor het in het kalenderjaar 2020 produceren met melkvee van meer dierlijke meststoffen dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht, geen reden de ontnemingsvordering af te wijzen.
Verplichting tot betaling aan de Staat
De verdediging heeft diverse omstandigheden aangevoerd die volgens haar aanleiding zouden moeten geven het bedrag van de betalingsverplichting aan de Staat op nihil te stellen dan wel de betalingsverplichting op een lager bedrag vast te stellen dan het geschatte voordeel.
Het hof stelt in dit verband voorop dat de regelgever alleen bij de Regeling fosfaatreductieplan 2017 een uitzondering heeft gemaakt voor Jerseykoeien in de zin dat op grond van de rasfactor één grootveeeenheid (GVE) geteld mocht worden als 0,7 GVE als aan bepaalde voorwaarden was voldaan. Nadien is bij invoering van het fosfaatrechtenstelsel geen uitzondering meer gemaakt voor biologische melkveehouders of Jersey-koeien, ondanks pogingen de wetgever op andere gedachten te brengen. Dat heeft enige tijd geleid tot onzekerheid over de manier van berekenen maar in 2020 moet ook voor betrokkene kenbaar zijn geweest hoe de forfaitaire fosfaatproductie moest worden berekend. Daarom kon betrokkene weten dat zij over onvoldoende fosfaatrechten beschikte. De omstandigheden die door de verdediging zijn aangevoerd zien verder vooral op toepassing van dit wettelijke stelsel op de bedrijfsvoering van betrokkene en de volgens haar onrechtvaardige uitkomsten daarvan, maar dat raakt aan de strafbaarheid en strafwaardigheid van het handelen van betrokkene en daar heeft de economische politierechter in de rechtbank Gelderland inmiddels (onherroepelijk) over geoordeeld.
Het hof ziet wel in dat betrokkene wellicht feitelijk geen fosfaat teveel heeft uitgestoten maar acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die aanleiding geven om een uitzondering toe te passen waar de wetgever dat uitdrukkelijk niet meer heeft gewenst. Daarom zal het hof het bedrag van de betalingsverplichting aan de Staat niet op nihil stellen en geen lager bedrag vaststellen dan het geschat wederrechtelijk verkregen voordeel, behoudens het toepassen van een korting vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden in eerste aanleg. De vertegenwoordiger van betrokkene is op 10 februari 2022 gehoord en de economische politierechter in de rechtbank Gelderland heeft op 14 maart 2025, drie jaar en circa één maand later, uitspraak gedaan. Hiermee is de redelijke termijn in eerste aanleg overschreden met ongeveer dertien maanden.
Het hof zal om die reden een korting toepassen en de verplichting tot betaling aan de Staat vaststellen op
€ 17.500.

Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast zoals dat gold op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 19.334 (negentienduizend driehonderdvierendertig euro).
Legt betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 17.500 (zeventienduizend vijfhonderd euro).
Deze beslissing is gewezen door mr. Th.C.M. Willemse, voorzitter, mr. N.C. van Lookeren Campagne en mr. O.F. Essens, raadsheren, in aanwezigheid van de griffier
mr. Y.A. Hoekstra en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 21 juli 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 21 juli 2026.
Tegenwoordig:
mr. M. Keppels, voorzitter,
mr. N.M. van Collenburg, advocaat-generaal,
mr. G.J.H. van Vliet, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De betrokkene is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt de beslissing uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de NVWA met nummer 170321/133595/6064333/0.
2.Bijlage 11 Berekening fosfaatrecht 2020, pagina 28.
3.(Relaas)proces-verbaal, pagina 8 en 9 in combinatie met berekende gemiddelde leaseprijs na aftrek van onderhandelingskorting, pagina 36.