ECLI:NL:GHARL:2026:4924

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
200.370.061
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 349a lid 2 FwArt. 354 lid 1 FwArt. 354 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging wettelijke schuldsaneringsregeling wegens toerekenbare tekortkomingen

De rechtbank Gelderland had de wettelijke schuldsaneringsregeling van appellant beëindigd zonder haar de schone lei te verlenen, omdat zij toerekenbaar tekort was geschoten in haar sollicitatie-, informatie- en afdrachtplicht. Appellant ging in hoger beroep met het verzoek alsnog de schone lei te verlenen of subsidiair de regeling te verlengen.

Het hof stelde vast dat appellant onvoldoende had gesolliciteerd, niet alle relevante informatie had verstrekt en een boedelachterstand had opgebouwd. De beschermingsbewindvoerder was ook tekortgeschoten in haar rol door niet tijdig financiële stukken aan de schuldsaneringsbewindvoerder te verstrekken. Hoewel deze tekortkomingen op zichzelf reden waren om de schone lei te weigeren, gaf het hof appellant een laatste kans.

De regeling wordt daarom met één jaar verlengd, waarbij appellant zich strikt moet houden aan haar verplichtingen, waaronder een aanvullende sollicitatieplicht van 36 uur per week tenzij zij medische ontheffing verkrijgt. Tevens moet zij alle ontbrekende financiële stukken aanleveren zodat de bewindvoerder de boedel kan beoordelen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.

Uitkomst: Het hof verlengt de wettelijke schuldsaneringsregeling met één jaar wegens toerekenbare tekortkomingen van appellant.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.370.061
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 05/25/116
arrest van 28 juli 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in Nunspeet
advocaat: mr. J.M. van der Linden

1.De procedure bij de rechtbank

1.1.
De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank), heeft bij vonnis van 27 maart 2025 de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van [appellant] , met als ingangsdatum 27 december 2024. Daarbij is [de schuldsaneringsbewindvoerder] tot bewindvoerder benoemd (hierna: de schuldsaneringsbewindvoerder).
1.2.
Bij vonnis van 4 juni 2026 heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] beëindigd zonder dat aan haar de zogenoemde schone lei is verleend.

2.De procedure bij het hof

2.1.
Bij op 11 juni 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 4 juni 2026. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is primair dat aan haar alsnog de schone lei wordt verleend en subsidiair dat haar schuldsaneringsregeling wordt verlengd.
2.2.
Het hof heeft naast het beroepschrift met bijlage kennisgenomen van:
- het V-formulier van 2 juli 2026 met bijlagen van mr. Van der Linden;
- de brief van 3 juli 2026 van de schuldsaneringsbewindvoerder met bijlagen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 juli 2026. Daarbij is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Van der Linden. Namens de schuldsaneringsbewindvoerder is [vertegenwoordiger schuldsaneringsbewindvoerder] verschenen. Verder zijn namens de beschermingsbewindvoerder van [appellant] , De Regt Bewind B.V., [beschermingsbewindvoerder1] en [beschermingsbewindvoerder2] aanwezig geweest.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
De rechtbank heeft de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] beëindigd zonder verstrekking van de zogenoemde schone lei. Naar het oordeel van de rechtbank is [appellant] tijdens de schuldsaneringsregeling toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de sollicitatieplicht, de inlichtingenplicht en de afdrachtplicht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een verlenging van de schuldsaneringsregeling.
3.2.
Op grond van artikel 354 lid 1 Faillissementswet Pro (Fw) moet bij het einde van de schuldsaneringstermijn worden beoordeeld of de schuldenaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de regeling voortvloeiende verplichtingen en, als dat zo is, of de tekortkoming aan hem kan worden toegerekend. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of de tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar heeft ontbroken aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. [1] Als er sprake is van een toerekenbare tekortkoming kan de rechter bepalen dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, buiten beschouwing blijft (artikel 354 lid 2 Fw Pro).
Schending sollicitatieplicht
3.3.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. In de schuldsaneringsregeling geldt voor de schuldenaar een inspanningsverplichting om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Deze verplichting houdt onder meer in dat van [appellant] mag worden verlangd dat zij gedurende de periode van de schuldsaneringsregeling waarin zij geen of onvoldoende betaalde werkzaamheden verricht gemiddeld vier keer per maand schriftelijk solliciteert. Ten tijde van de toelating tot de regeling werkte [appellant] 10 uur per week en ontving zij met haar partner een aanvullende bijstandsuitkering. In november 2025 heeft [appellant] naast die baan een tweede baan gekregen van 23 uur per week. In de maanden november en december 2025 heeft [appellant] in totaal 32 uur per week gewerkt. Op de zitting heeft [appellant] verklaard dat haar contract voor bepaalde tijd voor 10 uur per week in januari 2026 is afgelopen en zij heeft zich in januari 2026 ziekgemeld bij haar tweede baan. Deze werkgever heeft het salaris van [appellant] na haar ziekmelding niet doorbetaald. Uiteindelijk is dat dienstverband per 27 mei 2026 beëindigd en heeft die werkgever nog een betaling van € 3.000,- aan [appellant] gedaan. Sinds 15 mei 2026 werkt [appellant] bij een ander schoonmaakbedrijf voor 22 uur per week.
3.4.
Omdat [appellant] tijdens haar gehele schuldsaneringsregeling niet de vereiste 36 uur per week heeft gewerkt, rustte op haar sinds het begin van de regeling een aanvullende sollicitatieplicht. [appellant] heeft tijdens de regeling onvoldoende aan haar sollicitatieplicht voldaan. Zij heeft alleen in de maanden september 2025 en oktober 2025 op correcte wijze gesolliciteerd. [appellant] heeft haar betoog dat er bij het versturen van 42 sollicitaties aan de schuldsaneringsbewindvoerder iets is misgegaan met haar e-mail, niet met documenten onderbouwd. Na het instellen van het hoger beroep heeft [appellant] alsnog de sollicitaties aan de schuldsaneringsbewindvoerder gestuurd. Op de zitting heeft [vertegenwoordiger schuldsaneringsbewindvoerder] namens de schuldsaneringsbewindvoerder verklaard dat zij een e-mail met bijlagen van [appellant] heeft ontvangen. In de bijlagen zitten alleen berichten waarin [appellant] wordt bedankt voor haar sollicitatie of wordt uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. De bijlagen bevatten volgens [vertegenwoordiger schuldsaneringsbewindvoerder] echter geen data, waardoor niet kan worden vastgesteld of minimaal vier keer per maand is gesolliciteerd of dat de sollicitaties in korte tijd achter elkaar zijn gedaan. [appellant] had dat immers al eerder zo gedaan, binnen enkele minuten onvolledige sollicitaties doen, zoals blijkt uit het derde voortgangsverslag van 28 oktober 2025. [appellant] was ook toen er nogmaals op gewezen dat de sollicitatieplicht een serieuze inzet gericht op resultaat vereist. Ook zitten bij de doorgestuurde bijlagen van de 42 sollicitaties geen sollicitatiebrieven met CV. Daardoor zijn de sollicitaties onvoldoende verifieerbaar voor de schuldsaneringsbewindvoerder, zodat niet is voldaan aan de sollicitatieplicht. De stelling van [appellant] dat haar onvoldoende is uitgelegd op welke wijze zij moet solliciteren is onjuist. De schuldsaneringsbewindvoerder heeft bij e-mail van 16 april 2025 aan [appellant] onder meer het volgende bericht:
“De sollicitatieplicht houdt in dat er tenminste vier keer per maand wordt gesolliciteerd op concrete
vacatures via een sollicitatiebrief. Online-sollicitaties en sollicitaties per formulier zijn in principe reële sollicitaties zolang het gaat om functies waarop u een reële kans maakt om te worden aangenomen. Daarnaast dient u ingeschreven te staan bij minimaal vier uitzendbureaus. Van u wordt verlangd dat u van sollicitaties per formulier een kopie van dat formulier inlevert alsmede naam en adres van het bedrijf waar is gesolliciteerd en een naam van een persoon die (ter controle) gebeld kan worden. Van online-sollicitaties kan een uitdraai (eventueel een screenprint) en/of een ontvangstbevestiging worden overgelegd alsmede eveneens naam- en adresgegevens en de naam van een persoon die gebeld kan worden. Indien er de mogelijkheid heeft bestaan om een motivatie mee te sturen, dient ook een uitdraai daarvan te worden overgelegd. (…)”
Bovendien blijkt uit het feit dat [appellant] in de maanden september 2025 en oktober 2025 wel op correcte wijze heeft gesolliciteerd dat zij wist wat de vereisten waren.
Schending afdrachtplicht
3.5.
Naast de sollicitatieplicht is de schuldenaar verplicht om te voldoen aan de afdrachtplicht, zodat geen boedelachterstand ontstaat. De stand van de boedel is berekend tot 26 januari 2026. Op dat moment was sprake van een boedelachterstand van € 799,26. Deze boedelachterstand ziet op de afdracht over de maanden december 2025 en januari 2026. Op de zitting heeft [vertegenwoordiger schuldsaneringsbewindvoerder] namens de schuldsaneringsbewindvoerder verklaard dat deze boedelachterstand op 15 juli 2026 is afgelost. De schuldsaneringsbewindvoerder kan de stand van de boedel na 26 januari 2026 echter niet bepalen, omdat zij daarvoor niet de benodigde financiële stukken van de beschermingsbewindvoerder en/of [appellant] heeft ontvangen. Doordat de schuldsaneringsbewindvoerder niet op de hoogte is van de inkomensgegevens van [appellant] en haar partner, kan zij geen VTLB-berekening maken. Het is dus mogelijk dat er na 26 januari 2026 nieuwe boedelachterstanden zijn ontstaan. Doordat onduidelijk is of er (weer) een boedelachterstand is, kan het hof niet beoordelen of [appellant] met de genoemde aflossing volledig heeft voldaan aan haar afdrachtplicht.
Schending informatieplicht
3.6.
Verder geldt in de schuldsaneringsregeling de verplichting om de schuldsaneringsbewindvoerder gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van die regeling. Ook daaraan heeft [appellant] vrijwel gedurende de gehele looptijd van de regeling onvoldoende voldaan. [appellant] heeft erkend dat zij niet aan de schuldsaneringsbewindvoerder heeft doorgegeven dat zij zich in januari 2026 heeft ziekgemeld. Ook heeft zij erkend dat zij niet aan de schuldsaneringsbewindvoerder heeft gemeld dat haar loon niet werd doorbetaald tijdens haar ziekte. Verder heeft [appellant] niet aan de schuldsaneringsbewindvoerder doorgegeven dat zij sinds 15 mei 2026 bij een ander schoonmaakbedrijf werkt. Ten tijde van de brief van de schuldsaneringsbewindvoerder aan het hof van 3 juli 2026 was zij daarvan nog niet op de hoogte. Op de zitting bij het hof had de schuldsaneringsbewindvoerder inmiddels de arbeidsovereenkomst van [appellant] ontvangen. De loonstroken heeft de schuldsaneringsbewindvoerder echter nog niet ontvangen. Ook de beschermingsbewindvoerder heeft de loonstroken niet ontvangen van [appellant] . [appellant] heeft toegelicht dat zij niet over de loonstroken kan beschikken, omdat zij daarvoor een bepaalde app op haar telefoon nodig heeft die niet werkt op haar telefoon. Dit is niet onderbouwd met documenten, nog daargelaten dat zij ook om papieren afschriften had kunnen verzoeken bij haar werkgever. Ook heeft de schuldsaneringsbewindvoerder geen bankafschriften ontvangen van de beschermingsbewindvoerder.
3.7. [appellant] heeft met een verwijzing naar oudere rechtspraak aangevoerd dat haar tussentijds in een verhoor door de rechter-commissaris duidelijk had moeten worden gemaakt wat de consequenties zijn van het niet nakomen van de schuldsaneringsverplichtingen. Het hof stelt voorop dat deze rechtspraak is gewezen ten tijde van de wettelijke schuldsaneringsregeling zoals die gold vóór 1 juli 2023. Anders dan onder de huidige regeling, gold onder de oude regeling in principe een looptijd van drie jaar en werd een schuldenaar niet opnieuw toegelaten tot de regeling indien hij of zij in de tien jaar voor het verzoek al eens in de regeling had gezeten. Zeker in het geval dat er korting op de looptijd is verleend in verband met het minnelijk traject (zoals ook bij [appellant] ) en er in vergelijking met die jurisprudentie betrekkelijk korte tijd toezicht wordt gehouden door de bewindvoerder, kan deze jurisprudentie niet één op één worden toegepast op de schuldsaneringen met een veel kortere looptijd dan destijds gebruikelijk. Dit hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. In dit geval heeft de schuldsaneringsbewindvoerder [appellant] tijdens het huisbezoek aan het begin van de regeling, in de verslagen van de schuldsaneringsregeling en in de begeleide e-mailberichten telkens gewezen op haar verplichtingen. Uit de e-mailberichten van [appellant] aan de schuldsaneringsbewindvoerder blijkt ook dat zij wist wat er van haar verwacht werd. Ook is [appellant] door de schuldsaneringsbewindvoerder gewezen op de omstandigheid dat het niet nakomen van de verplichtingen grote gevolgen kan hebben voor de afwikkeling van haar regeling. [appellant] was dus voldoende gewaarschuwd, waardoor het niet nakomen van de verplichtingen haar kan worden toegerekend.
Verlenging van de duur van de schuldsaneringsregeling
3.8.
De looptijd van de schuldsaneringsregeling kan worden verlengd als de schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen (artikel 349a lid 2 Fw). Doel van de verlenging is de schuldenaar de mogelijkheid te bieden de tekortkomingen in de nakoming van zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling te herstellen. De schuldenaar wordt door de verlenging in de gelegenheid gesteld om alsnog gedurende een zekere periode goed gedrag te tonen om ervan blijk te geven dat een schone lei gerechtvaardigd is. [2]
3.9.
Uit hetgeen hiervoor onder 3.3 tot en met 3.7 is overwogen volgt dat [appellant] gedurende een aanzienlijk deel van de looptijd toerekenbaar is tekortgeschoten in alle verplichtingen die gedurende de schuldsaneringsregeling op haar rusten. Hoewel deze tekortkomingen op zichzelf beschouwd voldoende aanleiding kunnen zijn om aan [appellant] de schone lei te onthouden, zal het hof [appellant] een allerlaatste kans geven om haar tekortkomingen alsnog te herstellen. Daarbij betrekt het hof in zijn overwegingen dat de bankrekening van [appellant] wordt beheerd door haar beschermingsbewindvoerder en het gezien de gemaakte afspraken zoals die blijken uit het aanvangsverslag tot de verantwoordelijkheid van de beschermingsbewindvoerder behoort om tijdens de regeling van [appellant] één keer per maand kopieën van bankafschriften, loonspecificaties en dergelijke aan de schuldsaneringsbewindvoerder te versturen. Dit is ook schriftelijk opgenomen in een e-mailbericht van de schuldsaneringsbewindvoerder aan [appellant] en de beschermingsbewindvoerder van 16 april 2025. In die verantwoordelijkheid is de beschermingsbewindvoerder tekortgeschoten. De schuldsaneringsbewindvoerder heeft deze financiële stukken immers niet van de beschermingsbewindvoerder gekregen. Ook kon van de beschermingsbewindvoerder worden verlangd dat zij tijdig had opgemerkt dat [appellant] sinds januari 2026 geen salaris meer ontving van haar toenmalige werkgever. Op de zitting is namens de beschermingsbewindvoerder verklaard dat [appellant] pas eind april 2026 bij haar heeft gemeld dat zij ziek was geworden en geen salaris meer ontving en dat de beschermingsbewindvoerder ook niet eerder heeft opgemerkt dat er geen salaris meer binnenkwam op de bankrekening van [appellant] . Weliswaar had [appellant] dit zelf moeten melden, maar zij heeft niet voor niets een beschermingsbewindvoerder. Die moet alert zijn en moet actief navraag doen bij [appellant] als er financiële wijzigingen zijn die zij niet kan verklaren.
3.10.
[appellant] stelt dat zij in de veronderstelling verkeerde dat haar bewindvoerder wel zou opmerken dat zij geen salaris meer ontving. Weliswaar had [appellant] daar niet vanuit mogen gaan, maar de beschermingsbewindvoerder heeft aan [appellant] wel leefgeld uitgekeerd. Dit werd betaald uit een door de beschermingsbewindvoerder voor [appellant] gespaarde voorziening en zij heeft dit niet bij [appellant] gemeld. De schuldsaneringsbewindvoerder heeft zelf niet tijdig kunnen constateren dat [appellant] geen loon meer kreeg, doordat zij geen financiële stukken ontving van de beschermingsbewindvoerder. Bovendien kan doordat de beschermingsbewindvoerder geen financiële stukken heeft verstrekt aan de schuldsaneringsbewindvoerder niet worden vastgesteld of na 26 januari 2026 nog nieuwe boedelachterstanden zijn ontstaan. Ook weegt het hof mee dat [appellant] de wel vastgestelde boedelachterstand heeft betaald en zij vanaf 15 mei jl. een nieuwe arbeidsovereenkomst heeft voor in ieder geval 20 uur per week.
3.11.
De looptijd van de schuldsaneringsregeling zal ter compensatie van de hiervoor genoemde tekortkomingen worden verlengd met de duur van één jaar vanaf heden. Tijdens die verlenging blijven alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling gelden. [appellant] moet zich realiseren dat zij met deze beslissing een laatste kans krijgt om haar schuldsaneringsregeling succesvol tot een einde te brengen. Van [appellant] wordt dan ook verlangd dat zij zich gedurende de resterende looptijd van haar regeling stipt zal houden aan
alleuit de regeling voortvloeiende verplichtingen. Op [appellant] rust een aanvullende sollicitatieplicht. Als zij van mening is dat zij vanwege gezondheidsredenen niet meer kan werken dan de 22 uur die zij nu werkt, zal zij medische documenten moeten overleggen aan de schuldsaneringsbewindvoerder en de rechter-commissaris waaruit haar (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid blijkt en bij de rechter-commissaris om een (gedeeltelijke) ontheffing van de sollicitatieplicht moeten verzoeken. Totdat aan haar een (gedeeltelijke) ontheffing is gegeven, geldt voor haar onverkort de sollicitatieplicht tot een totaal van 36 uur. Daarnaast moet [appellant] de schuldsaneringsbewindvoerder tijdig, gevraagd en ongevraagd, alle voor de schuldsaneringsregeling relevante informatie verstrekken. Verder wijst het hof er met nadruk op dat [appellant] (eventueel via haar beschermingsbewindvoerder) zo snel mogelijk alle ontbrekende financiële stukken aan de schuldsaneringsbewindvoerder moet verstrekken, zodat de bewindvoerder een VTLB berekening kan maken en de stand van de boedel vanaf 26 januari 2026 kan worden vastgesteld. Indien na 26 januari 2026 een nieuwe boedelachterstand is ontstaan, moet deze tijdens de verlengde looptijd worden ingelopen vanuit het vrij te laten bedrag. De afdrachtplicht blijft immers onverkort bestaan. Ook moet [appellant] haar uiterste best doen om geen nieuwe boedelachterstanden te laten ontstaan.
De conclusie
3.12.
Het hoger beroep slaagt. Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen en bepalen dat de termijn van de schuldsaneringsregeling wordt verlengd met één jaar vanaf heden (dat wil zeggen tot en met 28 juli 2027).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 4 juni 2026 en beslist als volgt:
4.2.
bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling wordt verlengd met één jaar vanaf heden tot en met 28 juli 2027.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, D.M.I. De Waele en H. Wammes, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. D.M.I. De Waele en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.

Voetnoten

1.HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0455.
2.HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:20241072.