ECLI:NL:GHARL:2026:493

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
200.358.255
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 BWArt. 1:251a BWArt. 1:404 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstel gezamenlijk gezag en aanpassing verdeling activa onderneming na echtscheiding

Partijen zijn gehuwd in 2020 en hebben twee minderjarige kinderen. Na hun echtscheiding heeft de rechtbank het gezamenlijk gezag beëindigd en het gezag aan de vrouw toegekend, kinderalimentatie vastgesteld en de verdeling van de activa van de onderneming van de man geregeld.

In hoger beroep betwist de man het eenhoofdig gezag, de hoogte van de kinderalimentatie en de waardering van zijn onderneming. Het hof oordeelt dat het gezamenlijk gezag hersteld moet worden omdat er geen risico is dat de kinderen klem of verloren raken. De man woont grotendeels in het buitenland maar dit is onvoldoende reden om het gezag bij de vrouw alleen te laten.

De kinderalimentatie blijft ongewijzigd omdat de man zijn inkomensverlies zelf heeft veroorzaakt door studie en het hof gaat ervan uit dat hij zijn onderhoudsverplichting kan nakomen. De waarde van de activa van de onderneming wordt door het hof lager geschat dan de rechtbank had gedaan, waardoor de man minder aan de vrouw hoeft te betalen.

Het hof vernietigt de bestreden beschikking voor zover het gezag en de activa betreft, bekrachtigt de rest, compenseert de proceskosten en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof herstelt het gezamenlijk gezag, handhaaft de kinderalimentatie en verlaagt de betaling voor de activa van de onderneming van € 55.000 naar € 7.500.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.358.255 en 200.358.256
(zaaknummers rechtbank Gelderland 429950 en 436455)
beschikking van 29 januari 2026
inzake
[verzoeker],
die woonplaats heeft gekozen op het adres van zijn advocaat te Rotterdam ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. G.M.H. Vriesde,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.J.H. Mühlstaff.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 14 mei 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna ook aangeduid als: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens aanvullend verzoek met producties 1 tot en met 6, ingekomen
op 14 augustus 2025;
- het verweerschrift;
- een journaalbericht van mr. Mühlstaff van 9 december 2025 met een brief;
- een journaalbericht van mr. Vriesde van 10 december 2025 met (een andere) productie 6;
- een journaalbericht van mr. Vriesde van 18 december 2025 met ontbrekende producties 9
tot en met 14 uit de eerste aanleg, zoals die door mr. Mühlstaff op 23 oktober 2024 bij de
rechtbank zijn ingediend.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 19 december 2025 plaatsgevonden. Daar zijn partijen en hun hiervoor genoemde advocaten verschenen. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) is een vertegenwoordiger verschenen.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn [in] 2020 in [plaats1] gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen.
3.2
Zij zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2021, en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2023.
3.3
De vrouw heeft op 29 december 2023 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken gedaan.
3.4
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 20 februari 2024 heeft de rechtbank:
  • de kinderen aan de vrouw toevertrouwd;
  • bepaald dat de man aan de vrouw € 250 per kind per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;
  • het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud (partneralimentatie) afgewezen.
3.5
Bij de beschikking van 14 mei 2025 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 22 juli 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk is geëindigd.
3.6
Behalve dat de rechtbank de echtscheiding heeft uitgesproken, heeft de rechtbank:
  • het gezamenlijk gezag van partijen over de kinderen beëindigd en bepaald dat het gezag alleen wordt uitgeoefend door de vrouw;
  • bepaald dat de man met ingang van de datum van de beschikking van de rechtbank aan de vrouw € 266 per kind per maand moet betalen als bijdrage in hun kosten van verzorging en opvoeding (kinderalimentatie);
  • de wijze van verdeling van de woning in [land1] gelast;
  • de verdeling van de inboedelzaken in [land1] en de activa van de eenmanszaak van de man vastgesteld, als gevolg waarvan de man wegens zijn overbedeling € 55.000 aan de vrouw moet betalen;
  • de man veroordeeld om aan de vrouw € 5.000 te betalen inzake de bruidsschat;
  • beslist dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen; en
  • het meer of anders verzochte afgewezen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil:
a. het gezag;
b. de kinderalimentatie
c. de waardering van de activa van de onderneming van de man.
Het door de man gedane verzoek inzake verdeling van de huwelijkse schulden is bij brief van 10 december 2025 ingetrokken.
4.2
De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking en hij heeft zijn verzoeken vermeerderd. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking (het hof leest:) deels te vernietigen en opnieuw te beslissen.
4.3
De vrouw voert verweer en zij verzoekt het hof het hoger beroep van de man af te wijzen, dan wel de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken en hem te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, inclusief nakosten, en vermeerderd met de wettelijke rente als de kosten niet tijdig worden betaald.

5.De motivering van de beslissing

het gezag
5.1
De man is verhuisd naar [land2] , is daar inmiddels hertrouwd en verblijft daar het grootste deel van het jaar. Hij volgt daar een studie islamitische wetenschappen. Ter zitting verklaarde hij desgevraagd dat hij per jaar in de wintermaanden twee of drie maanden in Nederland is. Hij ziet de kinderen dan in overleg met en onder begeleiding van de vader van de vrouw. In de overige maanden verloopt het contact met de kinderen via telefoon/videobellen, maar ook weer via de vader van de vrouw. Tussen partijen als ouders vindt geen rechtstreeks contact plaats. Ook dit verloopt, op initiatief van de vrouw, via de vader van de vrouw.
5.2
Na een echtscheiding is de hoofdregel dat het gezamenlijk gezag in stand blijft. Ingevolge artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) echter kan de rechter na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding op verzoek van de ouders of van een van hen bepalen dat het gezag over de kinderen aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen; of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
5.3
In zijn eerste grief stelt de man dat ten onrechte het gezag enkel bij de vrouw is belegd. Daar is volgens de man geen juridische grond voor, nu de kinderen niet klem of verloren raken tussen de ouders en eenhoofdig gezag ook anderszins niet in het belang van de kinderen is. De man belemmert de vrouw op geen enkele wijze in de uitoefening van het gezag. Over de schoolkeuze van de kinderen hebben partijen verschillende inzichten en in dat kader is heeft de man als optie heeft aangevoerd om de kinderen voorlopig thuis te onderwijzen, zolang er nog geen geschikte islamitische school is gevonden. Enkel dat is volgens de man door de vrouw ter zitting bij de rechtbank aangegrepen om te stellen dat de man niet te vermurwen zou zijn ten aanzien van de schoolkeuze en dat gezamenlijk gezag dus niet werkt. De man stelt dat hij echter niet star en onvermurwbaar ten aanzien van het type onderwijs van de kinderen is zoals de vrouw beweert. De kinderen volgen nu regulier onderwijs en daar maakt de man geen probleem van. Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld en dat komt de man ook na, ook al heeft hij de indruk dat er na zijn ondertekening een en ander aan is toegevoegd zonder zijn instemming. In dat ouderschapsplan hebben partijen onder meer afgesproken dat de vrouw de gezagsbeslissingen neemt en er soms overleg is. Partijen hebben daarmee dus zelf een invulling gegeven aan het bepaalde in artikel 1:247 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en daaruit blijkt dus volgens de man ook dat de vrouw instemt met gezamenlijk gezag.
5.4
Volgens de vrouw staat in het ouderschapsplan dat de vrouw het eenhoofdig gezag zal hebben en dat heeft de man ondertekend. Door de door de man zelf geschetste omstandigheden van het wonen in het buitenland is het niet mogelijk gezamenlijk gezag uit te oefenen en de vrouw wijst daarbij op artikel 1:247 BW Pro ten aanzien van de verplichting van ouders om hun kinderen te verzorgen. De man onttrekt zich hier volgens de vrouw aan. Ze is het dus eens met de beslissing van de rechtbank.
5.5
In het ouderschapsplan van 9 oktober 2024 waar partijen aan refereren, dat op 23 oktober 2024 (als productie 10) door de vrouw in de procedure bij de rechtbank is overgelegd staat onder meer:

Het volgende wordt afgesproken met betrekking tot de kinderen:
• Moeder zal de kinderen aan de vader tonen wanneer hij dit wenst. Via videobellen (indien wij niet in het zelfde land bevinden) anders als de vader op bezoek komt om de kinderen te zien in de buurt van de moeder, dus niet afgezonderd.
(…)
• De kinderen zullen altijd bij de moeder verblijven. De kinderen mogen niet meegenomen worden door de vader naar een andere stad of omgeving zonder toestemming van de moeder. Ook niet naar buiten. Indien de moeder ziek is of afwezig moet er alsnog toestemming gevraagd worden aan de moeder.
• De moeder mag de kinderen altijd meenemen om in het buitenland te gaan wonen.
• De vader zal alle tijden informatie ontvangen over de kinderen indien hij hierom vraagt.
• De ouders zullen respectvol met elkaar omgaan en elkaar geen verwijten maken noch vieze uitspraken tegen elkaar maken.
• De ouders zullen er voor waken dat derden zich in negatieve zin gaan mengen in het
ouderschap.
• De kinderen zullen in een vertrouwde, veilige, islamitische omgeving opgroeien met de moeder.
• De kinderen zullen naar een correcte islamitische school gebracht worden door de moeder, de vader zal hierover op de hoogte gehouden worden zodat hij mee kan beslissen.
• De moeder zal alle beslissingen nemen over de kinderen. Bij bepaalde zaken met onderling overleg.’
(...)
5.6
Het is het hof uit de processtukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken dat er een risico is dat de kinderen klem of verloren dreigen te raken. De vrouw is degene die de meeste gezagsbeslissingen neemt en de man staat haar daarbij niet in de weg. Dat partijen over de schoolkeuze andere inzichten hebben en de man in dat kader heeft voorgesteld om de kinderen voorlopig - tot een geschikte islamitische school is gevonden - thuis te onderwijzen, maakt nog niet dat de kinderen klem of verloren dreigen te raken. Bovendien zijn partijen in voormeld ouderschapsplan overeen gekomen dat de kinderen naar een islamitische school zouden gaan. Dat de man in dit kader onvermurwbaar zou zijn, zoals de vrouw stelt, blijkt nergens uit.
5.7
Ook anderszins ziet hof geen gronden dat het noodzakelijk zou zijn om het gezag enkel aan vrouw toe te kennen. Daarmee is naar het oordeel van het hof niet voldaan aan de voorwaarden uit de wet om enkel de vrouw met het gezag te belasten. Dat de man grotendeels in het buitenland woont maakt het praktisch uiteraard lastiger voor de man om zijn vaderrol te vervullen, zoals ook door raad is opgemerkt ter zitting, maar het is naar oordeel van hof onvoldoende om enkel op grond daarvan het gezag bij de man weg te halen.
5.8
Het contact tussen de ouders dient naar het oordeel van het hof wel rechtstreeks tussen partijen als ouders te verlopen en niet via grootvader. Zij dienen onderling rechtstreeks over de kinderen te overleggen indien nodig, zoals ook in voormeld ouderschapsplan staat, en elkaar over en weer te informeren. Op die wijze kan de man ook beter invulling geven aan zijn ouderrol. Beide partijen dienen zich ervoor in te zetten dat zij rechtstreeks met elkaar over de kinderen overleg voeren. Dat de vrouw geen rechtstreeks contact met de man zou mogen hebben over de kinderen om religieuze redenen, zoals de vrouw ter zitting stelde, kan het hof niet volgen. Ook de man is van die door de vrouw gestelde religieuze regel niet op de hoogte en betwist dat er zo’n regel is. De vrouw heeft haar stelling op dat punt verder ook niet onderbouwd, dus het hof gaat aan die stelling voorbij.
5.9
Dat uit het ouderschapsplan zoals hiervoor is geciteerd zou volgen dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw eenhoofdig gezag zal hebben volgt het hof ook niet. Dat staat niet expliciet in het ouderschapsplan. De afspraak komt er naar het oordeel op neer dat dat de vrouw feitelijk de (meeste) gezagsbeslissingen neemt, maar dat betekent nog niet dat de man daarmee akkoord is gegaan met eenhoofdig gezag. Daarbij komt dat, omdat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders ook na echtscheiding gezamenlijk gezag hebben, de rechter in elk geval een verzoek tot eenhoofdig gezag (ook indien dat gezamenlijk is gedaan) moet beoordelen volgens de hiervoor genoemde maatstaf. Partijen hebben hierin dus niet een geheel vrije keuze en de man kan daarom niet zonder meer aan de door de vrouw gestelde afspraak dat zij het eenhoofdig gezag zal hebben worden gehouden. Uit het ouderschapsplan volgt dat partijen respectvol met elkaar zullen omgaan, dat het ouderschap van hen beiden is, dat zij elkaar zullen informeren en op momenten overleg zullen voeren. Dat duidt er eerder op dat wel sprake is van gezamenlijk gezag. Het ouderschapsplan is voor het hof dan ook geen aanleiding om het eenhoofdig gezag aan de vrouw toe te kennen.
5.1
Het hof zal de beslissing waarin het gezamenlijk gezag is beëindigd en is beslist dat het gezag over de kinderen alleen wordt uitgeoefend door de vrouw vernietigen. Dat heeft tot gevolg dat het gezamenlijk wordt hersteld. Grief 1 van de man slaagt.
de kinderalimentatie
5.11
Op grond van artikel 1:404 lid 1 BW Pro zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – kinderalimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.
5.12
In zijn tweede grief komt de man op tegen de beslissing van de rechtbank dat hij € 266 per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. De rechtbank heeft volgens de man de behoefte van de kinderen onjuist vastgesteld en de man stelt verder dat zijn draagkracht onvoldoende is om het vastgestelde bedrag te voldoen.
5.13
Ten aanzien van het eigen aandeel van de ouders is de kosten van de kinderen (hierna: de behoefte) overweegt het hof als volgt. In beginsel wordt voor de vaststelling van de behoefte uitgegaan van het gezamenlijk inkomen van de ouders toen zij nog bij elkaar waren, maar dat kan ook anders. De man had inkomen uit zijn onderneming, de vrouw had geen inkomen. De inkomensgegevens ontbraken echter bij de bij de rechtbank, zodat die de behoefte heeft bepaald aan de hand van de bedragen die de man wekelijks aan de kinderen besteedde. Dat ging om € 100 tot € 150 per week. Dat is gemiddeld en afgerond ongeveer € 540 per maand. Daarvan uitgaande is volgens de rechtbank de door de vrouw gestelde behoefte van € 250 per kind reëel en heeft de rechtbank dit vervolgens geïndexeerd naar 2025. In hoger beroep heeft de man gesteld dat het feit dat hij gemiddeld € 100 tot € 150 ten behoeve van de kinderen uitgaf nog niet betekent dat dat ook hun behoefte is. De man betwist echter niet dat hij voormelde bedragen gemiddeld wekelijks ten behoeve van de kinderen uitgaf en heeft naar het oordeel van het hof met zijn grief de door de rechtbank vastgestelde behoefte dan ook niet ontkracht. Ten aanzien van de behoefte faalt grief 2 van de man daarom.
5.14
Ten aanzien van de draagkracht van de man overweegt het hof het volgende. Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen. Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken.
5.15
De man heeft in Nederland een taxionderneming. En alhoewel hij is verhuisd naar [land2] , is de onderneming niet beëindigd. In [land2] heeft de man volgens zijn verklaring geen of hooguit een beperkt inkomen, maar heeft hij gelet op de kosten van levensonderhoud in [land2] ook weinig nodig. Hij volgt daar als vermeld een studie islamitische wetenschappen, niet alleen om de islam beter te begrijpen maar ook de samenleving. Hij volgt deze studie om zichzelf te ontwikkelen en te ontplooien, zo verklaarde de man ter zitting. De man heeft er dus zelf voor gekozen om deze studie te gaan doen en geen inkomen meer uit de taxionderneming te genereren. Daarmee is zijn inkomensvermindering door hemzelf veroorzaakt en de vraag is dan of de man zich redelijkerwijs zijn oude inkomen weer kan verwerven en of dit van hem gevergd kan worden.
5.16
Het hof beantwoord die vragen bevestigend. Het staat eenieder - en dus ook de man - vrij om zichzelf te ontwikkelen en te ontplooien, maar dit stelt de man niet vrij van zijn onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. De man kan aan die onderhoudsverplichting voldoen, want de man is in staat om te werken. Hij heeft nog steeds zijn onderneming en kan zich daarmee een inkomen verwerven. Ook in [land2] kan hij zich een inkomen verwerven en ter zitting verklaarde hij ook voornemens te zijn aldaar te gaan werken voor een (Nederlands) callcenter. Het hof laat de inkomensvermindering van de man dus buiten beschouwing en gaat ervan uit dat de man de door de rechtbank vastgestelde bijdrage kan betalen. Nu de man in het buitenland woont en de kosten van levensonderhoud daar volgens zijn verklaring ook anders zijn dan in Nederland houdt het hof geen rekening met de ondergrens van 95% van de bijstandsnorm. Grief 2 van de man faalt ook op dit onderdeel.
5.17
De man heeft aangevoerd dat de vrouw een onderneming is gestart ( [naam1] ) en heeft een uittreksel uit het handelsregister en een afdruk van de betreffende website van die onderneming overgelegd. Dit is volgens de man een wijziging van omstandigheden, zodat de draagkracht van de vrouw opnieuw moet worden berekend.
Aan de orde is gekomen dat de vrouw tijdens het huwelijk niet heeft gewerkt en dat zij inderdaad een opleiding tot rijinstructeur heeft gevolgd en met behulp van haar vader een auto heeft aangeschaft. Recentelijk heeft de vrouw geprobeerd les te gaan geven, maar zij kreeg zo weinig lesaanvragen dat ze weer is gestopt en nu geen inkomen heeft. De man heeft dit niet betwist en geen van beide partijen is verder op deze kwestie ingegaan en er zijn ook geen inkomensgegevens of jaarstukken overgelegd. Het hof kan daarom geen berekening van de draagkracht van de vrouw maken en gaat ervan uit dat de vrouw geen inkomen uit de rijschool ontvangt.
de waardering van de activa van de onderneming van de man
5.18
Partijen zijn na 1 januari 2018 gehuwd zonder het maken van huwelijkse voorwaarden. Daarmee geldt tussen hen de wettelijke gemeenschap van goederen. Dat is een beperkte gemeenschap van goederen, in die zin dat in die gemeenschap vallen die goederen die partijen voor het huwelijk al gezamenlijk hadden en goederen die gedurende het huwelijk zijn verkregen. Erbuiten blijven goederen die partijen voor het huwelijk al hadden en goederen die zijn verkregen door erfrecht of schenking. De rechtbank is ervan uitgegaan, wegens het ontbreken van (jaar)stukken, dat de activa van de taxionderneming van de man tot de gemeenschap behoren. De waarde daarvan heeft de rechtbank geschat op € 110.000 en die zijn toegedeeld aan de man, zodat de man aan vrouw € 55.000 moet vergoeden. Daar is de man het niet mee eens. Hij betwist de door de rechtbank gehanteerde waarde.
5.19
De man heeft inmiddels jaarstukken 2022, 2023 en 2024 overgelegd en daaruit volgt volgens hem dat de activa van de onderneming een waarde van € 8.817 hebben. De vrouw betwist de betrouwbaarheid van de jaarstukken.
5.2
Het hof overweegt als volgt. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen zal er moeten worden bezien wat er in de gemeenschap zit op het moment dat die is ontbonden (de peildatum 23 december 2023). De onderneming van de man (‘ [naam2] ’) wordt gedreven als eenmanszaak en vormt dus geen afgescheiden vermogen als gevolg van de rechtsvorm. Niet ter discussie staat dat de man de onderneming al dreef voor het huwelijk. In eerste aanleg heeft de vrouw dit bevestigd en vermeldt dat deze onderneming is gestart op 21 november 2017. Daarmee vallen de activa en passiva van de onderneming per 21 juli 2020 niet in de gemeenschap. Dit is anders voor de wijzigingen daarin nadien tot aan 23 december 2023.
5.21
De vrouw heeft aangevoerd dat de taxivergunning van de onderneming € 100.000 waard zou zijn. Die waarde heeft de vrouw bij de rechtbank genoemd op grond van onderzoek via internet. De man heeft daartegen verweer gevoerd en betwist dat een taxivergunning op geld waardeerbaar is. De vergunning is niet in de jaarrekening geactiveerd of anderszins in de jaarstukken of aangiftes van de man is verwerkt, maar partijen gaan er blijkbaar van uit dat deze vergunning er al was ten tijde van het ontstaan van de (beperkte) huwelijksgemeenschap. Voor het hof is onduidelijk of deze vergunning deel uitmaakt van de gemeenschap en als dat al zo is, of deze vergunning op geld waardeerbaar is. Het algemene onderzoek van de vrouw op internet is een onvoldoende onderbouwing van haar stelling op dat punt, gelet ook op de betwisting door de man.
5.22
Volgens de vrouw zijn de auto en de bus verkregen tijdens het huwelijk en vallen deze daarom in de gemeenschap. In de in eerste aanleg overgelegde aangifte Inkomstenbelasting 2021 staat bij ‘Materiële vaste activa’ vermeld een post ‘Auto’s en overige transport middelen’ zonder nadere specificatie. Op de balans van 2024 zijn ‘vervoersmiddelen’ (ongespecificeerd) geactiveerd onder ‘materiële vaste activa’, maar niet op die van 2022 en 2023. Volgens de man is dat een vergissing van de boekhouder/accountant, maar die verklaring is voor het hof onvoldoende om ervan uit te gaan dat de auto’s niet in de gemeenschap zouden vallen. Bovendien verklaarde de man ter zitting dat hij eerst de auto had en hij daarna - vermoedelijk in 2022 - het busje heeft gekocht. Daarvan uitgaande valt het busje dus in de gemeenschap. Nu niet duidelijk is wanneer de auto is aangeschaft laat het hof de beslissing van de rechtbank dat die ook in gemeenschap valt in stand.
5.23
Het hof zal de waarde van de activa van de onderneming redelijkerwijs schatten op € 15.000. Die zijn al toegedeeld aan de man en dat zal het hof in stand laten. De man dient dan nog € 7.500 aan de vrouw te voldoen. In zoverre slaagt grief 3 van de man. Het hof zal de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de toedeling van de activa aan de man in stand laten, behalve ten aanzien van de verplichting van de man om aan de vrouw € 55.000 te voldoen.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de grief over het gezag en de grief over de waarde van de activa van de onderneming. De tweede grief, over de kinderalimentatie, faalt. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover daarin is beslist over het gezag en de waarde van de activa van de onderneming vernietigen en beslissen zoals hierna is vermeld. Voor het overige zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen, althans voor zover die aan het oordeel van het hof is onderworpen.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure het gezag over hun kinderen betreft en de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun ontbonden huwelijk.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
7.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 14 mei 2025, voor zover daarin het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige1] , geboren [in] 2021 te [plaats2] en [de minderjarige2] , geboren [in] 2023 te [plaats3] , is beëindigd en is bepaald dat het gezag over deze minderjarigen alleen wordt uitgeoefend door de vrouw;
7.2
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 14 mei 2025, voor zover daarin de verplichting voor de man is opgenomen om € 55.000 aan de vrouw te betalen en beslist in zoverre dat de man wegens toedeling aan hem van de activa van de onderneming aan de vrouw € 7.500 dient te betalen;
7.3
bekrachtigt de van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 14 mei 2025, voor het overige voor zover dat aan beoordeling van het hof is onderworpen;
7.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.5
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
7.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, M.L. van der Bel en C.M. Schönhagen, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 29 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.