ECLI:NL:GHARL:2026:4936

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
21-003144-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 338 SvArt. 342 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte in coldcase moordzaak uit 1989 wegens onvoldoende bewijs

Deze zaak betreft het hoger beroep tegen de vrijspraak van verdachte in een coldcase moordzaak uit 1989, waarbij Duncan Zwakke spoorloos verdween en vermoedelijk door een misdrijf om het leven is gekomen.

Het hof heeft het bewijs, waaronder verklaringen van getuigen die belastende details over de moord en het wegmaken van het lichaam gaven, uitgebreid onderzocht. Ondanks de steun die deze verklaringen elkaar bieden, zijn er aanzienlijke twijfels over de betrouwbaarheid en consistentie, met name van de hoofdgetuige die zijn verklaringen later deels introk en een motief had om te liegen.

Het forensisch onderzoek leverde geen belastend bewijs op en alternatieve scenario's, zoals een vrijwillige verdwijning of een andere betrokkenheid, konden niet worden uitgesloten. Het hof concludeert dat de verklaring van de hoofdgetuige onvoldoende steun vindt in ander bewijs om tot een bewezenverklaring te komen.

Daarom vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank en spreekt de verdachte vrij. Het hof erkent de teleurstelling voor de nabestaanden, maar benadrukt dat het bewijs niet overtuigend genoeg is om schuld vast te stellen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende overtuigend bewijs van moord.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003144-25
Uitspraak van 30 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Arnhem , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen , van 14 juli 2025 met parketnummer 05-177248-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1962 in [geboorteplaats] ,
wonende in [woonplaats] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van het hof van 12 juni 2026 en 30 juli 2026 (sluiting onderzoek) en het onderzoek op de zittingen bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en de oplegging van een gevangenisstraf van twaalf jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadslieden, mr. M.G. Bischop en mr. L. Jansen, en [naam] (familielid van [slachtoffer] ) hebben aangevoerd.

Ontvankelijkheid hoger beroep

De wet schrijft voor dat de officier van justitie binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur met de grieven tegen het vonnis indient.
De officier van justitie heeft op 14 juli 2025 hoger beroep ingesteld, terwijl de appelschriftuur op 5 augustus 2025 en dus buiten een termijn van veertien dagen na het instellen van het hoger beroep, is ingediend. In verband met vakantie is de officier van justitie niet in staat geweest om eerder dan 5 augustus 2025 een appelmemorie op te stellen en in te dienen, zo komt uit de schriftuur naar voren.
De rechter dient in zo’n geval een belangenafweging te maken, waarbij moet worden bezien of het belang van het hoger beroep zwaarder moet wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van nietontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van de officier van justitie om tijdig een appelschriftuur in te dienen.
Het hof is van oordeel dat in het licht van de omstandigheden van het geval het belang van het hoger beroep zwaarder weegt dan het belang van het verbinden van nietontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van de officier van justitie om tijdig een appelschriftuur in te dienen. Het gaat in deze zaak om de verdenking van een in 1989 gepleegd levensdelict. De betrokken belangen, waaronder die van de nabestaanden, zijn groot. Gelet hierop en in aanmerking nemend dat de officier van justitie de appelschriftuur niet later dan acht dagen na het verstrijken van de daarvoor gestelde wettelijke termijn alsnog heeft ingediend, moet het belang van het hoger beroep ook maatschappelijk bezien zwaarder wegen dan het belang van sanctionering van de tekortkoming die na ongeveer een week is hersteld. Het hof ziet daarom geen reden het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf nietontvankelijk te verklaren.

Vonnis

De rechtbank Gelderland heeft de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde, inhoudende het (mede)plegen van moord op [slachtoffer] .
Het hof vernietigt het vonnis omdat het gedeeltelijk op basis van andere argumenten dan de rechtbank Gelderland tot een vrijspraak komt. Het hof doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 17 oktober 1989 tot en met 18 oktober 1989 in de [gemeente] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door op [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld en/of een of meer geweldshandeling(en) toe te passen/uit te oefenen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.

Vrijspraak

Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat de verdachte schuldig is aan het medeplegen van moord op [slachtoffer] .
Volgens de advocaat-generaal is het uitgesloten dat er sprake is van een vrijwillige verdwijning, een natuurlijk overlijden, zelfdoding of een ongeval. Het dossier bevat geen aanknopingspunten dat [slachtoffer] bij anderen in een auto is gestapt en daarna om het leven is gekomen zonder betrokkenheid van de verdachte. Het dossier bevat daarentegen wel aanknopingspunten voor juistheid van de hypothese dat [slachtoffer] is teruggelopen naar de woning van de verdachte of dat hij al in zijn aanwezigheid was en vervolgens door de verdachte om het leven is gebracht. De kurk waarop dit scenario drijft is de verklaring van [getuige 1] .
Bij elk van de onderzoeksresultaten heeft de advocaat-generaal zich afgevraagd:
Als je uitgaat van de hypothese dat de verdachte schuldig is: was deze bevinding dan te verwachten of moet je een of meer toevalligheden accepteren? Met andere woorden, hoe verbazingwekkend is de bevinding als vaststaat dat de verdachte schuldig is?
Als je uitgaat van de hypothese dat de verdachte onschuldig is: was de bevinding dan te verwachten of moet je een of meer toevalligheden accepteren? Met andere woorden, hoe verbazingwekkend is de bevinding als vaststaat dat de verdachte onschuldig is?
De [getuige 1] heeft zijn verhaal in 1989 bij de politie gedaan nadat hij het verhaal van de verdachte zou hebben gehoord. Dit verhaal komt erop neer dat de verdachte [slachtoffer] naar de kelder van het restaurant van zijn ouders heeft gelokt om te kijken naar een kluis die daar moest worden ingemetseld. In de kelder heeft de verdachte samen met een ander [slachtoffer] om het leven gebracht door hem tweemaal in zijn nek te schieten. Het lichaam van [slachtoffer] is daarna in stukken gehakt en met behulp van een stanleymes en een kleine hakbijl ontbeend. Het vlees is vermalen in een speciaal daarvoor aangeschafte vleesmachine. Het product daarvan is door de wc en keukenafvoer gespoeld. De botten zijn in zakken verpakt en in de buurt van [plaats] in een rivier gegooid. Omdat er bloedspatten op de keldertrap waren terechtgekomen en deze niet konden worden verwijderd, is de trap aan de onderkant ingekort. [getuige 1] heeft geen motief om de verdachte vals te beschuldigen en heeft consistent verklaard.
Dat de verdachte op de dag van de verdwijning een gehaktmolen en een kluis heeft aangeschaft en op de dag of in de dagen na de verdwijning van [slachtoffer] de keldertrap heeft ingekort, past in het scenario dat [getuige 1] naar waarheid heeft verklaard. Het aanschaffen van de gehaktmolen en de kluis en het inkorten van de keldertrap, laten zich dan verklaren. Als [getuige 1] niet naar waarheid heeft verklaard, getuigt het van een zeer groot toeval dat hij deze specifieke details die hij in dat geval niet heeft kunnen kennen, noemt.
De dag na de verdwijning hebben restaurantmedewerkers op de keldervloer zand zien liggen. In de keuken vonden zij zanderige werkschoenen en naar chloor ruikende theedoeken. De theedoeken met chloor kunnen erop wijzen dat daarmee is geprobeerd zo goed mogelijk (bloed)sporen te verwijderen. Het zand en de theedoeken met chloor kunnen passen in het scenario van de hypothese dat [getuige 1] naar waarheid heeft verklaard. Onder de hypothese dat [getuige 1] niet naar waarheid heeft verklaard, laat zich niet goed verklaren dat de dag na de verdwijning van [slachtoffer] ineens zand en acht theedoeken met chloor in het restaurant zijn aangetroffen.
De [getuige 2] heeft op 8 november 1989 telefonisch contact opgenomen met de politie en verteld dat de verdachte hem enige tijd daarvoor heeft benaderd met de vraag of hij tegen betaling iemand die in de drugshandel zat, een zwarte man, zou willen vermoorden. De advocaat-generaal hecht bewijswaarde aan deze verklaring, omdat het erop lijkt dat het om [slachtoffer] gaat. De verklaring van [getuige 2] geeft steun aan de verklaring van [getuige 1] .
Ook hecht de advocaatgeneraal bewijswaarde aan de verklaring van de [getuige 3] . De inhoud van haar verklaringen vindt op onderdelen steun in het dossier en in het bijzonder in de verklaring van [getuige 1] . Dat zij anders heeft verklaard over de identiteit van de tweede dader doet niet ter zake omdat het erom gaat wat de rol van de verdachte was. [getuige 3] heeft in 1999 verklaard over een snijplank met diepe kerven, die zij in oktober 1989 na terugkomst van haar vakantie in het restaurant aantrof. Het laat zich indenken dat van deze snijplank is gebruikgemaakt om in het restaurant het lichaam van [slachtoffer] in stukken te hakken. Die handelingen passen in de tijdlijn en bij de gebeurtenissen zoals die volgens [getuige 1] in het restaurant hebben plaatsgevonden.
Ook heeft [getuige 3] verklaard over brieven die voor de verdachte uit het huis van bewaring zijn gesmokkeld. De [getuige 4] zou deze brieven hebben gelezen. Uit die brieven zou blijken dat [slachtoffer] door de verdachte is vermoord. De [getuige 5] heeft verklaard dat hij destijds met de verdachte gedetineerd zat en dat hij
via zijn toenmalige vriendin [getuige 4] op verzoek van de verdachte een brief in een gesloten envelop naar buiten heeft gesmokkeld. Als je je afvraagt in welke mate deze verklaringen – met al hun onvolkomenheden en wisselende herinneringen, maar ook met hun overeenkomsten en plausibele details – kunnen worden verwacht onder de aanname dat de verklaring van [getuige 1] in essentie klopt, dan verbazen zij niet.
Afgezien van het forensisch onderzoek waarvan de uitkomsten niet discrimineren tussen het schuld- en het onschuldscenario, levert elk van de bedoelde bewijsmiddelen alleen al op zichzelf beschouwd steun op voor de hypothese dat [getuige 1] de waarheid heeft gesproken en daarmee bewijs voor het tenlastegelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben bepleit de verdachte vrij te spreken. De verdachte heeft opnieuw ontkend enige betrokkenheid te hebben gehad bij de verdwijning of dood van [slachtoffer] .
De verdediging heeft aangevoerd dat niet onaannemelijk is dat [slachtoffer] zelf is vertrokken in 1989, dat hij onder dwang of druk is verdwenen of dat hij is vertrokken en vervolgens door een ongeluk of misdrijf om het leven is gekomen.
In het scenario-denken van het Openbaar Ministerie wordt eraan voorbijgegaan dat niet duidelijk is wat de details van de moord zijn, als al van een gewelddadige dood sprake is geweest. Alleen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard over het gebruik van een kluis, een gehaktmolen en het inkorten van de keldertrap. De hypothesen waaronder getoetst moet worden zijn anders dan het Openbaar Ministerie heeft gesteld, want de verdachte is schuldig of [getuige 1] en [getuige 2] hebben het verhaal verzonnen.
De [getuige 1] is niet betrouwbaar. Hij liegt regelmatig, zijn verklaringen bevatten discrepanties en het is de vraag in hoeverre zijn belastende verklaring wel daderwetenschap bevat. Alle details die [getuige 1] heeft vermeld – de gehaktmolen, de kluis en de trap – waren al op een andere manier dan via door de verdachte of [getuige 2] verstrekte informatie bij [getuige 1] bekend. Details op basis waarvan kan worden bewezen dat er in de kelder van het restaurant een moord is gepleegd, vinden geen onderbouwing in het dossier.
Min of meer hetzelfde geldt voor de verklaring van [getuige 2] , waarbij van belang is dat het voor de verdediging vaststaat dat [getuige 1] en [getuige 2] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd voordat zij naar de politie zijn gegaan. Ook de verklaring van [getuige 2] bevat discrepanties. Daarnaast kan [getuige 2] een reden hebben gehad om de verdachte valselijk te beschuldigen, bijvoorbeeld omdat hij zelf betrokken is bij de verdwijning van [slachtoffer] .
Waar het gaat om de verklaringen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 3] heeft de verdediging aangevoerd dat zij zeer wisselend hebben verklaard en dat hun verklaringen onbetrouwbaar zijn en niet als steunbewijs kunnen worden gebruikt.
De verklaringen van de restaurantmedewerkers [getuige 6] , [getuige 7] en [getuige 8] leveren geen bewijs tegen de verdachte op. Hun verklaringen kunnen dus ook geen steunbewijs voor de verklaring van [getuige 1] zijn.
De aankoop van de gehaktmolen laat zich verklaren doordat de verdachte deze heeft gekocht voor [slachtoffer] om daarmee cocaïne te versnijden. De verklaring van de verdachte past bij die van de [getuige 9] inhoudende dat [slachtoffer] – met de gehaktmolen in zijn handen – is ingestapt in een auto bij een aantal personen. [getuige 9] heeft [slachtoffer] zien lopen met een tas in zijn hand.
Dat de verdachte wisselend heeft verklaard, kan niet tegen hem worden gebruikt. Hij is in 1989/1990 vaak en langdurig verhoord. Die verhoren zijn niet op een goede manier verlopen. De verdachte verkeerde bovendien in een bepaald milieu. In de horeca in [plaats] vonden criminele activiteiten plaats en de verdachte heeft daaraan ook wel eens deelgenomen. Dat verklaart waarom de verdachte niet altijd volledige openheid van zaken heeft willen geven.
Volgens de verdediging is het mogelijk dat andere personen dan de verdachte betrokken zijn bij de verdwijning van [slachtoffer] , zoals personen uit het drugscircuit. Naast die alternatieve scenario’s bevat het dossier ook contra-indicaties dat de verdachte betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer] . Een voorbeeld daarvan is de getuigenverklaring van [getuige 10] , die op 18 oktober 1989 in de kelder is geweest en toen geen bijzonderheden heeft gezien. Andere voorbeelden zijn tapgesprekken uit 1989, 1995, 1999 en 2024 en het forensisch onderzoek dat geen belastende informatie voor de verdachte heeft opgeleverd.
Oordeel van het hof
Het hof zal hierna de processtukken bespreken door scenario’s uit te sluiten, het verloop van het onderzoek te bespreken, de waarde van de verschillende bewijsmiddelen in hun onderling verband en samenhang te bezien, hieruit een conclusie te trekken en af te sluiten met een slotopmerking.
Uitsluiten van scenario’s
Net als de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] door een misdrijf om het leven is gekomen.
Het hof acht het uit te sluiten dat [slachtoffer] vrijwillig is verdwenen. Hij had zowel op de korte als de lange termijn afspraken staan en toekomstplannen gemaakt. Hij had net samen met zijn vriendin een huis gekocht in [plaats] en was de dag van de verdwijning bezig met verhuizen. Hij zou de bewuste dag ’s avonds gaan eten bij zijn moeder. [slachtoffer] was punctueel en stipt met afspraken, zo blijkt uit verschillende getuigenverklaringen. Ook had hij nog een afspraak in het ziekenhuis staan met zijn partner in verband met hun kinderwens. De gestelde omstandigheid dat [slachtoffer] over voldoende geldmiddelen beschikte om na een verdwijning een nieuw leven op te bouwen, is onvoldoende om aan te nemen dat van een vrijwillige verdwijning sprake is geweest.
Van een natuurlijk overlijden of zelfdoding kan naar het oordeel van het hof ook niet worden uitgegaan. In dat geval zou een stoffelijk overschot zijn gevonden, wat niet is gebeurd. Vergelijking in 2024 van het DNAprofiel van [slachtoffer] met de DNAprofielen in de Nederlandse databank voor Vermiste Personen en met die in de DNAdatabank van Interpol, hebben in 2024 geen match opgeleverd. Over zelfdoding valt nog op te merken dat de medische dossiers van [slachtoffer] niets inhouden over psychische klachten die een indicatie voor zelfdoding kunnen zijn. Nergens in het dossier wordt gesproken over een afscheidsbrief en niemand in zijn omgeving wijst op suïcidaliteit bij [slachtoffer] . De afspraak in het ziekenhuis met zijn partner, vormt een contraindicatie voor zelfdoding.
Het hof sluit daarmee uit dat [slachtoffer] vrijwillig is verdwenen of dat er sprake is van een natuurlijk overlijden of zelfdoding. Dan resteert het scenario dat hij door een misdrijf om het leven is gekomen.
Verloop van het onderzoek
Op 23 oktober 1989 heeft [naam] , de toenmalige vriendin van [slachtoffer] , aangifte gedaan van vermissing van haar vriend. Hij was in de nacht van dinsdag op woensdag 18 oktober 1989 niet thuisgekomen en sindsdien spoorloos. Op dinsdag 17 oktober 1989 is [slachtoffer] samen met de verdachte bezig geweest met de verhuizing naar zijn nieuwe woning in [plaats] . De verdachte heeft tegen haar gezegd dat hij die dinsdag [slachtoffer] op de [plaats] in [plaats] in de buurt van de verkeerslichten heeft afgezet. [slachtoffer] zou tegen de verdachte hebben gezegd dat hij met een half uurtje terug zou zijn van een afspraak. Ook tegen [naam] is [slachtoffer] ’s ochtends begonnen over een andere afspraak die hij die bewuste dag nog had.
De verdachte heeft op 24 oktober 1989 als getuige verklaard dat [slachtoffer] hem op 17 oktober 1989 heeft gevraagd naar de stad te rijden, nadat zij samen een gasfornuis bij de moeder van [slachtoffer] hadden afgeleverd. De verdachte is op de [plaats] bij de stoplichten gestopt. [slachtoffer] zei iets van: “Ik zie je over een half uur wel”, waarop de verdachte is doorgereden naar de woning van zijn broer aan de [straat] in [plaats] . Daar zouden [slachtoffer] en de verdachte elkaar weer ontmoeten. De verdachte heeft [slachtoffer] daarna niet meer gezien.
Op 7 november 1989 heeft een persoon twee keer naar de gemeentepolitie [plaats] gebeld en gezegd: “Ik bel nog 1 keer. [slachtoffer] is vermoord door [verdachte] . Sporen zijn te vinden in [bedrijf] , in de tuin en in de woning van [bedrijf] ” en “Nog 1 keer iets over [slachtoffer] . In de keuken in de zwanenhals vind je het bewijs. De trap naar de kelder is afgezaagd vanwege het bloed, geluk”.
Op 8 november 1989 heeft de politie gesproken met informant I-8, die later de [getuige 2] bleek te zijn. Hij heeft tegen de politie gezegd dat hij enige tijd daarvoor is benaderd door de verdachte om iemand tegen een geldelijke beloning om het leven te brengen maar dat hij dat heeft geweigerd. Het zou gaan om een zwarte man die in de drugshandel zit. De persoon moest compleet van de aardbodem verdwijnen en de verdachte heeft voorgesteld een gehaktmolen te gebruiken. Later heeft [getuige 2] de conclusie getrokken dat het om [slachtoffer] ging. [getuige 2] heeft als informant verklaard dat hij met een andere man heeft gesproken op 6 november 1989 en dat die persoon ook is benaderd om iemand “op te ruimen” en daarbij een gehaktmolen te gebruiken. [getuige 2] heeft van die persoon gehoord dat [slachtoffer] door de verdachte rond 16.30-17.30 uur met een verhaal over een kluis naar de kelder van het restaurant [bedrijf] is gelokt. Terwijl [slachtoffer] naar de kluis zat te kijken, zou van achteren op hem zijn geschoten. De verdachte zou later die avond, samen met een [medeverdachte] , [slachtoffer] in stukken hebben gehakt, gevild en met een stanleymes hebben ontbeend. Het vlees is door een gehaktmolen gehaald en de botten zijn [plaats] achtergelaten.
Op 9 november 1989 heeft de politie met informant I-9 gesproken, die later de [getuige 1] bleek te zijn. Hij heeft naar eigen zeggen het verhaal drie dagen daarvoor, op 6 november 1989, aan de [getuige 2] verteld. [getuige 1] heeft volgens zijn informantenverklaring in een café in [plaats] van de verdachte gehoord dat hij iemand om het leven heeft gebracht. Door de verdwijning van [slachtoffer] is [getuige 1] tot de conclusie gekomen dat het om [slachtoffer] ging. De verdachte heeft verteld hoe hij de moord in de kelder van het restaurant heeft gepleegd. Tegenover de politie heeft [getuige 1] verklaard over het gebruik van een gehaktmolen, een stanleymes en een hakbijltje bij het wegmaken van het lichaam. De botten zijn verpakt en later die nacht weggebracht naar een rivier bij [plaats] . Het bloed en vlees zijn weggewerkt via het toilet en de keukenafvoer in het restaurant. [getuige 1] vermoedde dat de verdachte het verhaal aan hem heeft verteld, omdat [getuige 1] had gezegd dat hij terminaal ziek was en op korte termijn naar [plaats] zou gaan om daar te sterven. Bij het wegmaken van het lichaam zou zoveel bloed zijn gevloeid dat op het onderste deel van de kelderladder bloed was terechtgekomen. Dat deel van de ladder is daarom afgezaagd. [getuige 1] is nog een aantal keren door de politie gehoord en in 1990 in Engeland in het kader van een rechtshulpverzoek.
Daarnaast zijn er nog andere getuigen over de verdwijning van [slachtoffer] gehoord. Zo zijn er getuigen die hebben verklaard over de drugshandel in [plaats] , waar die getuigen zelf, [slachtoffer] en de verdachte aan meededen. Uit die verklaringen is op te maken dat de verdachte en [slachtoffer] ook samen handelden in soft- en harddrugs of drugs voor elkaar bewaarden. [slachtoffer] is volgens een aantal getuigen een keer geript.
Ook [getuige 12] , een medewerker van [café] , en [getuige 9] zijn als getuige gehoord. Zij hebben [slachtoffer] op 17 oktober 1989 rond 17.00 uur in [café] gezien. [getuige 9] heeft gezien dat [slachtoffer] even later met een andere man in een auto met nog twee andere personen is gestapt.
De politie heeft medewerkers van restaurant [bedrijf] gevraagd naar de kelder in de periode van de verdwijning. Het restaurant (van de ouders van de verdachte) was in die periode gesloten. [getuige 6] en [getuige 7] kwamen op 16 oktober 1989 erachter dat op 18 oktober 1989 een bedrijfsfeestje was geboekt. In de ochtend van 17 oktober 1989 hebben zij voorbereidingen daarvoor getroffen. Die dag is de verdachte nog langs geweest en heeft hij tegen hen gezegd dat hij nog een betonvloertje ging storten, dan wel een kluisje ging inmetselen. Toen zij op 18 oktober 1989 weer in het restaurant waren, viel het hen op dat er wat zand in de kelder lag en dat in de keuken theedoeken met een chloorlucht hingen te drogen. Een andere medewerker van het restaurant is het opgevallen dat een snijplank diepe sneden had en dat daarin haren en draden van een schuurspons zaten.
De [getuige 10] van drankenhandel [naam] heeft op 18 oktober 1989 nog een vat bier aangesloten in de kelder van [bedrijf] . Hem is toen niets opgevallen aan de kelderladder, die niet anders was dan normaal. Het viel hem alleen op dat de grond in de kelder wat zanderig was. De levering op 18 oktober 1989 was een extra levering. Op vrijdag 20 oktober 1989 vond de reguliere wekelijkse levering plaats. Het personeel van de drankenhandel is toen aangesproken door de vader van de verdachte ( [verdachte] ), die inmiddels was teruggekomen van vakantie. Hij vroeg of zij iets wisten van het inkorten van de ladder. De [getuige 11] , ook werkzaam bij de drankenhandel, was het opgevallen dat de trap naar de kelder korter was dan de woensdag daarvoor.
[verdachte] heeft verklaard dat hij op enig moment door een sport van de houten ladder is gezakt en dat hij de ladder heeft vervangen voor een aluminium trap. Verder heeft [verdachte] aan de verdachte gevraagd om voor hem een kluis te kopen.
De politie heeft naar aanleiding van de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] onderzoek gedaan. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat de verdachte op de dag van de verdwijning van [slachtoffer] door middel van een telefonische bestelling een gehaktmolen, een vleesvermaler van het merk Beem, bij [bedrijf] in [plaats] heeft gekocht. De gehaktmolen is diezelfde dag afgeleverd bij de buurman van het restaurant van de ouders van de verdachte aan de [plaats] . De buurman van het restaurant heeft verklaard dat hij van de verdachte aan de leverancier moest vragen of er een slagershakbijltje bij zat. De verdachte zou aan de leverancier hebben gevraagd of de gehaktmolen botjes kon vermalen. Verder is gebleken dat de verdachte op 17 oktober 1989 een kluis heeft gekocht bij een groothandel in ijzerwaren en gereedschappen in [plaats] .
De verdachte is op 30 november 1989 aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de gewelddadige dood van [slachtoffer] . Van 30 november 1989 tot en met 23 februari 1990 heeft de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis gezeten. In die tijd is hij 43 keer door de politie gehoord en een aantal keer door een rechter. De verdachte heeft altijd ontkend iets met de verdwijning of de dood van [slachtoffer] te maken te hebben. Over de dag van de verdwijning heeft hij – op één verklaring na – verklaard dat [slachtoffer] is uitgestapt bij de [plaats] en dat hij daar in de buurt in een auto is gestapt. Hij vermoedde dat dit te maken had met een drugsafspraak. De verdachte is gaan sporten en werd vervolgens gebeld door [naam] dat [slachtoffer] niet was thuisgekomen. De verdachte is samen met zijn toenmalige partner naar [naam] in [plaats] gegaan en daar tot ongeveer 23.00 uur gebleven. Hij is vertrokken om [slachtoffer] te zoeken en rond 04.00 uur bij de woning van [naam] teruggekeerd. De verdachte heeft bij de politie en tijdens zijn detentie in 1989/1990 nooit willen zeggen waar hij in de nacht van 17 op 18 oktober 1989 tussen 23.00-04.00 uur is geweest. Het procesverbaal van het vierde, vijfde en zesde verhoor wekt de indruk dat de verdachte de suggestie heeft gewekt dat hij wist waar het lijk van [slachtoffer] was begraven. In het verhoor bij de rechtercommissaris op 14 december 1989 heeft verdachte verklaard dat hij op 18 oktober 1989 is gebeld door [slachtoffer] . [slachtoffer] stond vervolgens rond 02.20 uur met twee gewapende mannen voor de deur bij de [plaats] [het hof begrijpt: de voordeur van [bedrijf] ]. Deze mannen waren fysiek richting [slachtoffer] en de verdachte en beide mannen zijn weer met [slachtoffer] vertrokken. Op deze verklaringen is hij later teruggekomen. Over de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] heeft de verdachte gezegd dat deze niet kloppen. Hij zou nooit hebben gevraagd of gezegd om iemand om het leven te brengen. De gehaktmolen heeft hij gekocht op verzoek van [slachtoffer] en [slachtoffer] had deze bij zich toen hij na het afzetten in de auto stapte. De kluis heeft hij gekocht om in te metselen in de kelder van het restaurant. De kluis is bij het afdalen in de kelder op een sport van de ladder gevallen. Daarbij is zowel de ladder als de kluis beschadigd geraakt. Daarom heeft de verdachte het onderste gedeelte van de ladder afgezaagd.
Bij brief van 19 november 1990 heeft de officier van justitie aan de verdachte kennis gegeven hem niet verder te vervolgen wegens gebrek aan bewijs.
Ook na seponering van de strafzaak is er onderzoek gedaan. De moeder van de verdachte ( [getuige 3] ) heeft in 1999 brieven geschreven naar de raadsman van de verdachte, de politie en het Openbaar Ministerie. Naar aanleiding van die brieven is zij nader als getuige gehoord. Zij heeft toen verklaard dat de verdachte samen met een Engelsman [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Dit heeft zij gehoord van [verdachte] en de verdachte.
In 2016 heeft de [getuige 5] bij de politie een nadere getuigenverklaring afgelegd naar aanleiding waarvan ook zijn toenmalige partner [getuige 4] door de politie is gehoord. [getuige 5] heeft tegelijk met de verdachte vastgezeten in 1989 in dezelfde penitentiaire inrichting. De verdachte, die in de beperkingen zat, heeft volgens [getuige 4] twee keer een brief in een gesloten envelop meegegeven aan [getuige 5] om deze door [getuige 4] naar buiten te smokkelen. [getuige 4] heeft deze brieven van [getuige 5] aangenomen tijdens haar bezoek aan [getuige 5] . De brieven moesten vervolgens aan de familie [verdachte] worden afgegeven, in het bijzonder aan [broer verdachte] , een broer van de verdachte. Hij zou volgens [getuige 4] ook met de verdwijning van [slachtoffer] te maken hebben. [getuige 4] heeft de enveloppen open gestoomd met een fluitketel. [getuige 4] zou onder andere in de brieven hebben gelezen dat [broer verdachte] moest verklaren dat het bloed op de keldertrap was terechtgekomen door een val, dat men zich niet moest laten ompraten en dat [slachtoffer] in de drugshandel zat en dat de verdachte dat niet pikte.
In 1995 is er met apparatuur een onderzoek gedaan in het rioolstelsel – in 1989 werd er in de [plaats] gewerkt aan het riool – en is er op twee plekken gegraven waaronder ter hoogte van de [plaats] en de kruising met de Halterstraat. Hierbij zijn geen menselijke resten gevonden. In 2015 is er gegraven in de buurt van [plaats] ter hoogte van [plaats] en in 2017 is in het [plaats] vlakbij een bosperceel onderzoek gedaan, waarbij ook telkens is vastgesteld dat daar geen stoffelijk overschot begraven ligt.
In 2022 heeft de rechtercommissaris – op vordering van de officier van justitie – op basis van de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] uit 1999 en 2016 machtiging verleend tot het instellen van een opsporingsonderzoek naar nieuwe bezwaren tegen de verdachte.
Vanaf 2022 heeft een coldcaseteam van de politie aanvullend onderzoek gedaan, waarbij verschillende bijzondere opsporingsbevoegdheden zoals het afluisteren van telefoons zijn ingezet en forensischtechnisch onderzoek is gedaan in onder andere de kelder van het pand aan de [plaats] waar voorheen het restaurant [bedrijf] was gevestigd en in het pand aan de [straat] nummer [nummer] waar de verdachte en zijn broer [broer verdachte] destijds woonden. Het forensischtechnisch onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van een stoffelijk overschot en de daarbij verzamelde informatie is ook overigens niet belastend voor de verdachte. De in het verleden verzamelde biologische sporen zijn opnieuw door het NFI onderzocht, maar dit onderzoek heeft geen voor verder onderzoek bruikbare resultaten opgeleverd.
In 2024 is een aantal van de hiervoor genoemde personen op verzoek van de verdediging opnieuw gehoord: [getuige 4] , [getuige 2] en [getuige 3] . [getuige 4] is in haar verhoor bij de rechtercommissaris erop teruggekomen dat [broer verdachte] met de verdwijning van [slachtoffer] te maken zou hebben. [getuige 2] is erbij gebleven dat de verdachte hem heeft gevraagd om iemand die in drugs dealde van het leven te beroven. Vóór de verdwijning zou hij zich al bij de Criminele Inlichtingendienst – tegenwoordig Team Criminele Inlichtingen – hebben gemeld met de informatie dat de verdachte hem voor een moordopdracht had benaderd. [getuige 2] heeft bevestigd dat hij het verhaal van [getuige 1] heeft gehoord.
[getuige 3] heeft in 2024 bij de rechter-commissaris geen verklaring meer willen afleggen en aangegeven dat zij zich niet kan herinneren eerder verklaard te hebben dat de verdachte betrokkene zou zijn bij de verdwijning/gewelddadige dood van [slachtoffer] .
Ook is geprobeerd om [getuige 1] opnieuw te horen als getuige. De autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hebben laten weten: “That he [ [getuige 1] ] has very little memory of that time, he does remember going to Holland, he did some roofing work there, he was with a friend and had a girlfriend there, but he can’t remember their details. He remembers being back in the UK in prison regarding the robbery he was involved in. He doesn’t remember being spoken to by Dutch police, he doesn’t remember being involved in any investigation in the Netherlands, and when we put the names of the victim and the suspect to him, he said he didn’t recognise them (…)”. De rechter-commissaris heeft uiteindelijk ervan afgezien [getuige 1] te horen, omdat naar Brits recht een getuige alleen op basis van vrijwilligheid kan worden gehoord en [getuige 1] niet langer aan een verhoor wilde meewerken.
Tijdens de zitting bij de rechtbank op 16 juni 2025 heeft de verdachte opnieuw ontkend betrokkenheid te hebben gehad bij de verdwijning of gewelddadige dood van [slachtoffer] . Nieuw aan zijn verklaring is dat hij in de nacht van 17 op 18 oktober 1989 samen met [plaats] in coffeeshop de [coffeeshop] was. Hierover heeft hij niet eerder willen verklaren, omdat hij mede-eigenaar van de [coffeeshop] was en geen andere personen bij de verdenking tegen hem wilde betrekken.
Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de verdachte op hoofdlijnen hetzelfde verklaard, zij het dat hij twee nieuwe elementen aan zijn verklaring heeft toegevoegd. De gehaktmolen was bestemd voor [slachtoffer] voor het versnijden van cocaïne en hij wilde niet eerder over zijn aanwezigheid in de [coffeeshop] verklaren, omdat belastinginspecteurs bij de [coffeeshop] langs waren geweest en zich op de bovenverdieping van het pand een hennepplantage bevond.
Bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien
Ingevolge artikel 338 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan slechts worden aangenomen indien de rechter daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.
De rechter die over de feiten oordeelt beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren, ook indien de feitenrechter tot een vrijspraak komt. Dat is anders in een aantal specifieke gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte of het Openbaar Ministerie een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Hoe ver die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. Die motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de nietaanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. (Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.)
Volgens het tweede lid van artikel 342 van Pro het Wetboek van Strafvordering – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
[slachtoffer] is inmiddels meer dan 36 jaar geleden verdwenen. Het grootste gedeelte van de processtukken is afkomstig uit die tijd. De verdwijning van [slachtoffer] houdt de gemoederen in [plaats] en omgeving al lange tijd bezig en er doen al geruime tijd verhalen de ronde over zijn verdwijning. Uit diverse verklaringen blijkt ook dat getuigen geruchten en verhalen over de verdwijning van [slachtoffer] hebben gehoord. Sommige verklaringen zijn pas na vele jaren afgelegd. Die verklaringen kunnen zijn beïnvloed door wat de getuige van anderen of in de media heeft gehoord. Na zoveel jaren kunnen herinneringen bovendien veranderen of vervagen of kunnen valse herinneringen ontstaan.
Bij het op waarde schatten van de verklaringen speelt daarnaast mee dat voor verschillende getuigen geldt dat zij een motief kunnen hebben gehad om niet (geheel) overeenkomstig de waarheid te verklaren. Bij de processtukken bevinden zich verklaringen van getuigen die net als [slachtoffer] en de verdachte actief waren in het criminele milieu en daarom een reden kunnen hebben gehad om geen volledige openheid van zaken te geven. Dit maakt dat het hof extra voorzichtig is om aan te nemen dat een verklaring betrouwbaar is en overeenkomstig de waarheid is afgelegd.
Verklaring [getuige 1]
Zoals bij het verloop van het onderzoek is beschreven, is de verdenking tegen de verdachte grotendeels gebaseerd op de verklaring van [getuige 1] . [getuige 1] is naar eigen zeggen getuige geweest van een gesprek met de verdachte dat heeft plaatsgevonden een paar weken na de verdwijning van [slachtoffer] . Wat hij heeft verklaard over het tenlastegelegde is wat hij van de verdachte zou hebben gehoord.
De processtukken bevatten naast zijn verklaring geen ander bewijsmiddel met een concreet scenario waarin [slachtoffer] om het leven is gekomen. Aan de verklaring van [getuige 1] van horen zeggen kan op zichzelf bewijswaarde worden toegekend. Zijn in de periode 1989/1990 afgelegde verklaringen zijn niet alleen consistent maar vinden ook steun in ander bewijsmateriaal in die zin dat de verdachte een gehaktmolen en een kluis heeft gekocht en die op de dag van de verdwijning van [slachtoffer] geleverd heeft gekregen en dat de ladder naar de kelder kort na de verdwijning is ingekort. Deze feiten en omstandigheden blijken uit de aankoopfacturen van de vleesvermaler en de kluis, getuigenverklaringen en verklaringen van de verdachte. De genoemde elementen van de verklaring van [getuige 1] kwamen ook al voor in de anonieme gesprekken die [getuige 2] heeft gevoerd met de gemeentepolitie op 7 november 1989 en in de verklaring van [getuige 1] als informant I9.
[getuige 1] is in Spanje in contact gekomen met [getuige 2] , die hem heeft meegenomen naar Nederland omdat [getuige 2] wist dat de verdachte werk had voor [getuige 1] . [getuige 1] was het Verenigd Koninkrijk ontvlucht omdat hij nog een lange gevangenisstraf had openstaan. [getuige 1] heeft in zijn verhoor op 6 februari 1990 bij de politie verklaard: “Ik was degene die jullie hielp om de zaak zover te krijgen. Dat zou ik kunnen doen en jullie zouden mij kunnen helpen door een brief te schrijven of zoiets, en ik zou jullie met deze zaak kunnen helpen – dat zou misschien [kunnen] voorkomen dat ik 2, 3 of 4 jaar in de gevangenis moet zitten. Misschien zou mijn straf gehalveerd [kunnen] worden. Ik zou het kunnen gebruiken om te onderhandelen”. Schijnbaar heeft [getuige 1] zijn verklaring gezien als een ruilmiddel om zijn Engelse straf verlaagd te krijgen of niet helemaal te hoeven uitzitten.
Aan de hand van de processtukken kan worden vastgesteld dat [getuige 1] verschillende keren heeft gelogen. Zo heeft hij verzonnen dat hij ongeneeslijk ziek is en dat hij nog maar een aantal weken heeft te leven. Zijn toenmalige vriendin [naam] onfronteert hem met het liegen in een getapt telefoongesprek:
“ [naam] [het hof: Karin [naam] ]: ik weet, dat je veel liegt.
[getuige 1] [het hof: [getuige 1] ]: alleen tegen de politie”.
[getuige 1] heeft in 2024 verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij in een Nederlands onderzoek betrokken is geweest. Dat [getuige 1] zich in 2024 niets meer herinnert van zijn verklaring in 1989/1990 over een moord en het wegmaken van het lijk met gebruikmaking van een gehaktmolen of van zijn verhoor in 1990 in het Verenigd Koninkrijk in aanwezigheid van de Nederlandse rechtercommissaris, de officier van justitie en de raadslieden van de verdachte en de medeverdachte, terwijl hij het verloop van zijn verblijf in [plaats] in grote lijnen voor de geest kan halen, komt het hof niet geloofwaardig voor.
Dat [getuige 1] heeft gelogen en ook toegeeft aan [naam] dit bij de politie te hebben gedaan, in combinatie met een mogelijk motief om zo te verklaren en het gegeven dat [getuige 1] in 2024 niet heeft volhard in zijn in 1989/1990 afgelegde verklaring, maken dat het hof hoge eisen stelt aan het steunbewijs voordat de verklaring van [getuige 1] samen met het steunbewijs tot een bewezenverklaring kan leiden.
Dit klemt te meer, omdat wat [getuige 1] over het tenlastegelegde heeft verklaard slechts van horen zeggen is en het bewijsmateriaal geen steun bevat voor een gesprek tussen [getuige 1] en de verdachte (op zaterdagavond 4 november 1989) over de verdwijning van [slachtoffer] . [getuige 1] die nog maar enkele weken in [plaats] verbleef, moet voor de verdachte een relatief onbekende figuur zijn geweest. Zij spraken elkaar niet vaak en het hof gaat ervan uit dat zij alleen in het Engels met elkaar konden communiceren, een taal waarvan niet is gebleken dat de verdachte die toen goed beheerste. In die omstandigheden ligt het op het eerste gezicht minder voor de hand dat de verdachte – voor zover bekend – aan niemand anders maar wel aan [getuige 1] een moord zou hebben opgebiecht.
Wat betreft de inhoud van de verklaring is van belang dat [getuige 1] , die veel omging met [getuige 2] – een goede bekende van de verdachte –, voordat [getuige 2] op 7 november 1989 met de politie belt en vóór het afleggen van de verklaring op 9 november 1989, op de hoogte kan zijn gekomen van de gehaktmolen, de kluis en het inkorten van de keldertrap. [getuige 2] en [getuige 1] wisten van de verdwijning van [slachtoffer] , waaraan ook in de regionale en landelijke media al aandacht was besteed. Zowel [getuige 1] als de verdachte heeft verklaard dat zij samen in de kelder van het restaurant zijn geweest en dat de verdachte advies had gevraagd aan [getuige 1] over het inmetselen van een kluis. Ook zijn er aanwijzingen dat al vóór de verdwijning van [slachtoffer] bij [getuige 2] en zijn moeder bekend was dat de verdachte een gehaktmolen wilde aanschaffen. De moeder van [getuige 2] heeft verklaard: “Het staat mij bij dat ik een aantal maanden voor de zeventiende oktober 1989 in het café was. Aldaar waren toen ook [verdachte] en [naam] aanwezig. [verdachte] vroeg toen aan mij een adres alwaar hij een tweedehands gehaktmolen kon kopen”. Omdat [getuige 1] in die tijd samen met [ [naam] ] [getuige 2] werkte aan het dak van het café van de moeder van [getuige 2] en hij zoals gezegd ook buiten het werk omging met [getuige 2] , kan [getuige 1] via het contact met [getuige 2] kennis hebben gekregen van de wens van de verdachte om een gehaktmolen aan te schaffen. Op 17 oktober 1989 heeft de leverancier in opdracht van de verdachte de vleesvermaler afgeleverd bij de buurman van [bedrijf] . Het was dus bij meerdere mensen bekend dat de verdachte die dag een gehaktmolen geleverd heeft gekregen. Dat de keldertrap is ingekort was ook bekend bij diverse personen voordat [getuige 1] zijn verhaal bij de politie heeft gedaan: de medewerkers van het restaurant, de ouders van de verdachte, de verdachte zelf en de medewerkers van de drankenhandel.
Verklaring [getuige 2]
Dat [getuige 2] en [getuige 1] elkaar hebben gesproken voordat de politie is benaderd, staat voor het hof vast. Volgens [getuige 2] heeft hij op aandringen van [getuige 1] met de politie contact opgenomen. [getuige 2] heeft bij de politie herhaald wat hij heeft gehoord van [getuige 1] over wat hij, [getuige 1] , van de verdachte over het tenlastegelegde heeft gehoord. De verklaring van [getuige 2] komt wat dat betreft overeen met wat [getuige 1] heeft verklaard. Uit dit gegeven kan echter hooguit de conclusie worden getrokken dat [getuige 1] consistent heeft verklaard, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat [getuige 1] en [getuige 2] over het verhaal van de verdachte hebben gesproken voordat [getuige 2] met de politie contact heeft opgenomen. Net zoals [getuige 1] heeft [getuige 2] een motief genoemd om te verklaren zoals hij heeft gedaan. [getuige 2] was de verdachte nog geld schuldig. [getuige 1] heeft verklaard dat [getuige 2] voordat hij anoniem naar de politie belde heeft gezegd: “Ik ben hem veel geld schuldig. Als ik hem laat arresteren, zijn er twee manieren om dat te doen. Ten eerste kan ik hem gewoon laten arresteren en opsluiten, zei hij, maar dan word ik voor de rest van mijn leven door hem gezocht als hij weet dat ik tegen hem heb gehandeld, rechtszaak en dergelijke. Ten tweede, ik ben hem geld schuldig en als ik hem [laat] arresteren en hem vervolgens door middel van een alibi op borgtocht vrij kan krijgen – ik zal hem een alibi geven, twee weken later wordt ie vrijgelaten – dan gaat ie mijn schulden vergeten”. Op het eerste gezicht komt een dergelijke handelwijze vergezocht voor, maar het hof kan er niet omheen dat [getuige 1] dit destijds wel over [getuige 2] heeft verklaard.
Dat de verdachte [getuige 2] vóór de verdwijning van [slachtoffer] heeft benaderd om iemand tegen betaling te vermoorden vindt geen steun in het dossier. [getuige 2] heeft verklaard dat hij naar de politie is gestapt toen de verdachte hem hiervoor had benaderd, maar informatie van de CID dat de verdachte iemand zou hebben gezocht voor een moordopdracht is in de processtukken verder niet terug te vinden.
Verklaringen [getuige 1] en [getuige 2]
Dat [getuige 1] en [getuige 2] grotendeels hetzelfde hebben verklaard, is in die zin logisch dat zij met elkaar hebben overlegd voordat zij met de politie hebben gesproken en [getuige 2] hoofdzakelijk heeft verteld wat hij van [getuige 1] heeft gehoord. [getuige 1] en [getuige 2] waren op de hoogte, of konden ten minste op de hoogte zijn, van de gehaktmolen, de kluis en het inkorten van de keldertrap. Uit de processtukken komt naar voren dat beiden een motief hadden om de verdachte te beschuldigen, dat zij zich destijds in het criminele milieu begaven en dat zij over en weer vermoedden dat de ander te maken had met de verdwijning van [slachtoffer] (zoals blijkt uit een getapt telefoongesprek tussen [getuige 1] en [naam] en uit het veertiende verhoor van [getuige 2] ). Ook deze omstandigheden maken het moeilijker hun verklaringen op waarde te schatten.
Als het hof, ondanks zijn twijfels over de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] , ervan uitgaat dat [getuige 1] naar waarheid heeft verklaard, dan laat die verklaring zich niet goed rijmen met een aantal constateringen van getuigen.
Voor het hof springt de gruwelijke manier van het om het leven brengen en wegwerken van het stoffelijk overschot in het oog. Het moet een bloedbad zijn geweest in de kelder, als het is gegaan zoals [getuige 1] heeft verklaard. Zijn verklaring als I-9 houdt in: “Tengevolge van de “slachtpartij” was de keldervloer, die overigens met stukken plastic was afgedekt, ernstig besmeurd. Men had veel moeite gehad deze vloer schoon te krijgen. Ook was er bloed tegen een aldaar staande ladder of trap gekomen, hetgeen men niet kon verwijderen. Daarop had men de met bloed bespatte stukken van de trap [af]gezaagd”. De verdachte zou, volgens de verklaring die [getuige 1] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, hebben gezegd: “Verder zei hij dat hij het vlees had vermalen in de maalmachine en vervolgens in het toilet had gegooid. Hij zei dat het in dertien à veertien emmers kon. Hij zei nog dat hij verbaasd was dat er zoveel bloed uit een lichaam kwam”. Bij de geschetste handelswijze verwacht je (bloed)sporen. De volgende dag zijn twee medewerkers van het restaurant die de plek goed kennen in het restaurant aanwezig geweest. De verschillen die zij dan registreren zijn: theedoeken met chloorlucht die te drogen hangen, werkschoenen met zand, zand in de kelder en een snijplank met diepe groeven. Zij registeren dus niet iets dat direct wijst op het om het leven brengen van een persoon, zoals bloedspetters of andere biologische sporen. Dat er theedoeken met chloor zijn gevonden kan als belastend worden uitgelegd, als wordt aangenomen dat die theedoeken zijn gebruikt om met bleekmiddel bloedsporen weg te werken. Dan zou je echter ook sporen van bloed op de theedoeken verwachten terwijl geen van de getuigen daarover iets heeft gezegd. Ook het aantreffen van zand in de kelder kan als belastend worden uitgelegd, aangenomen dat ook zand is gebruikt om geen bloedsporen achter te laten. Nergens echter is vermenging van bloed met zand geconstateerd. De advocaatgeneraal heeft aangevoerd dat de combinatie van zand op de keldervloer, een paar werkschoenen en naar chloor ruikende theedoeken erop kan wijzen dat bij het wegmaken van het lichaam niet alleen zeil is gebruikt om de keldervloer zo goed mogelijk vrij te houden van bloed, maar ook zand om bloed op te ruimen en theedoeken om daarmee schoon te maken. De gestelde gang van zaken heeft naar het oordeel van het hof echter weinig tot geen bewijswaarde, daar waar in de kelder en de rest van het restaurant geen sporen van bloed zijn aangetroffen en [getuige 1] niets heeft verklaard over het gebruik van zand, theedoeken met chloor of een snijplank. Het inpassen van deze voorwerpen in de verklaring van [getuige 1] draagt het risico in zich dat de toedracht volgens de verklaring van [getuige 1] verder wordt ingevuld zonder dat bekend is wat de toedracht is geweest. De verklaring van [getuige 3] van 23 februari 1999 is in dat opzicht tekenend. Volgens haar kwam de politie in het restaurant en werden er vragen gesteld. Zij had op dat moment gehoord van de verdwijning van [slachtoffer] en van de snijplank met groeven. Uit die combinatie van feiten en omstandigheden heeft zij voor zichzelf de conclusie getrokken dat de resten van [slachtoffer] in het restaurant via het toilet zijn weggespoeld en dat een snijplank bij het bewerken van het lichaam is gebruikt. Op die manier is een snijplank onderdeel gaan uitmaken van de verklaring van [getuige 3] over het wegmaken van het lichaam zonder dat zij heeft gehoord dat bij het wegmaken van het lichaam van een snijplank is gebruikgemaakt.
De verdachte is op 17 oktober 1989 om ongeveer 19.00 uur in een trainingspak vertrokken naar een sportschool in het centrum van [plaats] om te gaan sporten. Na het sporten heeft zijn toenmalige vriendin, [naam] , hem opgehaald en zijn zij samen rond 21.00 uur naar de woning van [naam] gegaan. Volgens [naam] droeg verdachte een donkergroen/blauw trainingspak. Op enig moment heeft de verdachte de woning van [naam] verlaten om die nacht rond 04.00 uur terug te komen. Het is [naam] opgevallen dat de verdachte modder op zijn trainingsbroek had. De verdachte lijkt dus hetzelfde trainingspak als eerder op de avond te hebben gedragen. [naam] en [naam] hebben geen bloedsporen op het trainingspak gezien.
Op 18 oktober 1989 zijn [getuige 10] en [naam] , medewerkers van de drankenhandel, in de kelder van het restaurant geweest om een biervat aan te sluiten. Zowel [getuige 10] als [naam] is niets opgevallen aan de ladder. De verklaring van [getuige 10] is met name van belang, omdat hij door vele eerdere leveringen goed bekend was met het restaurant en de kelder. Hij heeft verklaard dat hij zeker weet dat de ladder, die die woensdagmiddag in de kelder stond, dezelfde ladder is die er al jaren stond. Volgens [getuige 10] ontbraken er geen sporten van de ladder. Deze omstandigheid laat zich moeilijk rijmen met de verklaring van [getuige 1] dat het onderste gedeelte van de ladder besmeurd was geraakt met bloed. Dan zou de kelder vóór de levering van de drank op 18 oktober 1989 zijn schoongemaakt en zou het bloed op de ladder zijn blijven zitten zonder dat de medewerkers van de drankenhandel of het restaurant dat is opgevallen.
Verklaringen [getuige 4] , [getuige 3] en [getuige 5]
De verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] wijzen in de richting van de verdachte als dader. Tussen hun verklaringen zit in die zin samenhang dat zij hebben verklaard over het smokkelen van briefjes uit de penitentiaire inrichting waar de verdachte vastzat terwijl aan hem beperkingen waren opgelegd. [getuige 3] heeft hierover in 1999 verklaard. Zij zou via een briefje de opdracht hebben gekregen om een vuurwapen te verstoppen. Volgens haar verklaring is de hele familie [verdachte] betrokken geweest bij het wegmaken van drugs, wapens en een gehaktmolen. De andere familieleden hebben dat ontkend.
[getuige 4] is pas in 2016 voor het eerst door de politie gehoord. Met een dergelijke verklaring die zoveel later wordt afgelegd moet extra behoedzaam worden omgegaan, omdat herinneringen in de loop van de tijd kunnen veranderen of vervagen en valse herinneringen kunnen ontstaan. In haar verklaring uit 2016 heeft [getuige 4] naar voren gebracht: “Mijn dochter woont in [plaats] en komt wel eens in [bedrijf] , zelfs daar hebben ze het er altijd nog over en maken ze er grapjes over. Bij mij steekt dat ook wel”. Met ‘er’ wordt verwezen – zo begrijpt het hof – naar de manier waarop het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , met gebruik van een gehaktmolen, zou zijn weggemaakt. Het is weliswaar goed voor te stellen dat herinneringen na verloop van zoveel tijd niet helemaal scherp meer zijn, maar in het geval van [getuige 4] zitten tussen haar verklaringen opmerkelijke verschillen. In 2016 heeft [getuige 4] verklaard vanuit de gevangenis twee brieven te hebben gesmokkeld, terwijl zij in 2024 heeft verklaard dat het om meer dan vijftig brieven zou gaan: een jaar lang elke week een brief. De verdachte is echter op 3 december 1989 in bewaring gesteld en op 23 februari 1990 in vrijheid gesteld nadat het bevel voorlopige hechtenis was opgeheven. Verder heeft zij in 2016 verklaard dat ook [broer verdachte] bij de verdwijning van [slachtoffer] zou zijn betrokken en is zij hierop in 2024 teruggekomen. Daarnaast heeft zij wisselend verklaard over het moment waarop de briefjes van de verdachte aan [getuige 5] zijn overhandigd. Het hof acht de verklaringen van [getuige 4] daarom onvoldoende betrouwbaar om deze voor het bewijs te gebruiken.
Dit geldt ook voor de verklaringen van [getuige 3] . [getuige 3] heeft in haar allereerste verklaring in 1989 niets belastends over de verdachte gezegd. Dit heeft zij pas gedaan in 1999 toen zij contact heeft gezocht met onder andere de politie en het Openbaar Ministerie nadat zij van [verdachte] was gescheiden en naar eigen zeggen schoon schip wilde maken. In haar brieven schrijft zij dat zij in onmin leeft met de verdachte en geld van hem wil. Zij maakt in haar brieven melding van (het gebruik van) een gehaktmolen, een kluis en een afgezaagde ladder, maar deze gegevens zijn dan al lang en breed bij een groot publiek in [plaats] en omgeving bekend. [getuige 3] is op 7 oktober 2024 door de rechter-commissaris opnieuw gehoord, bij welk verhoor zij niet of nauwelijks nog vragen wilde beantwoorden en haar verklaring uit 1999 niet heeft bevestigd. Voor het hof is bovendien niet vast te stellen hoe [getuige 3] aan de informatie uit haar verklaring is gekomen, via de verdachte, [verdachte] of een of meer anderen.
[getuige 5] heeft gewezen naar zijn vader en [plaats] , die naast de verdachte betrokken zouden zijn geweest bij de verdwijning van [slachtoffer] . Hij zou van zijn vader op diens sterfbed hebben begrepen dat [slachtoffer] bij een uit de hand gelopen vechtpartij om het leven is gekomen. Een dergelijke toedracht staat haaks op de door [getuige 1] beschreven toedracht. De verklaring van [getuige 5] levert daarom geen steunbewijs op voor de verklaring van [getuige 1] .
Alternatief scenario
De verdediging heeft naar het oordeel van het hof terecht aangevoerd dat mede gelet op de verklaringen van [getuige 12] , [getuige 9] en [naam] sprake kan zijn van een onnatuurlijk overlijden waarbij de verdachte niet of niet op een manier die is te vergelijken met wat is ten laste gelegd, is betrokken. [naam] heeft verklaard dat [slachtoffer] op de dag van zijn verdwijning nog een afspraak had en dat hij niet heeft gezegd om wat voor een afspraak het ging, behalve dat hij er geen zin in had. [getuige 12] en [getuige 9] hebben [slachtoffer] op 17 oktober 1989 rond 17.00 uur in [café] gezien en [getuige 9] heeft gezien dat hij even later met een andere man het café heeft verlaten en met die andere man in een auto met nog twee personen is gestapt. [getuige 9] is stellig erover dat het om 17 oktober 1989 ging omdat hij die avond op tv naar een bokswedstrijd tussen Marvin Hackler en Roberto Duran heeft gekeken en er die dag een invaller voor [naam] achter de bar stond. De politie heeft uitgezocht dat die bokswedstrijd op 23 oktober 1989 was. Wel werd op 17 oktober 1989 ’s avonds een andere bokswedstrijd uitgezonden. Uit de verklaring van [getuige 12] komt naar voren dat hij op 17 oktober 1989 als invaller achter de bar stond. De eigenaar van het café heeft [getuige 12] en [getuige 9] een week later een krantenartikel over de verdwijning van [slachtoffer] laten zien. [getuige 12] herkende van de foto bij het artikel de persoon die op 17 oktober 1989 in het café was en die hij bij anderen in een auto heeft zien stappen. Niet goed denkbaar is dat dit op 23 oktober 1989 was, aangezien [slachtoffer] op 17 oktober 1989 voor het laatst is gezien. Bovendien sluiten het scenario van de verklaring van [getuige 1] en een scenario waarin [slachtoffer] op 23 oktober 1989 (in [café] ) is gezien, elkaar uit.
Conclusie
De verklaring van [getuige 1] is het enige voorhanden bewijs dat een scenario over de manier waarop [slachtoffer] om het leven is gekomen inhoudt. Aan zijn verklaring zitten echter, zoals hiervoor is uiteengezet, de nodige haken en ogen die afbreuk doen aan de betrouwbaarheid ervan. [getuige 1] had een belang om belastend te verklaren, hij neemt het naar eigen zeggen niet nauw met de waarheid als hij bij de politie verklaart en hij heeft aantoonbaar gelogen over zijn gezondheid en levensverwachting. Daarnaast heeft hij de mogelijkheid gehad om op een andere manier dan via de verdachte kennis te krijgen van een gehaktmolen, kluis en afgezaagde keldertrap als specifieke elementen in het door hem overgebrachte verhaal. Als moet worden aangenomen dat de verklaring van [getuige 1] overeenkomstig de waarheid is afgelegd, bevatten de processtukken bovendien informatie die niet goed bij zijn verklaring aansluit.
Hoewel de verklaring van [getuige 1] elementen bevat die zich in een scenario waarin de verdachte onschuldig is mogelijk alleen als toevalligheid laten verklaren, is deze omstandigheid alleen naar het oordeel van het hof niet voldoende om boven redelijke twijfel vast te stellen dat de verdachte – al dan niet samen met een of meer anderen – [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Van belang hierbij is dat de verklaring van [getuige 1] van horen zeggen is en weliswaar steun vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat die steun wordt gevormd door het voorkomen in zijn verklaring van een gehaktmolen, een kluis en een afgezaagde keldertrap en de kennis van die specifieke elementen – zoals gezegd – ook anders dan van de verdachte kan zijn verkregen. Daarbij komt dat er naast de verklaring van [getuige 1] geen ander bewijs voorhanden is dat inhoudt dat die voorwerpen bij het om het leven brengen van [slachtoffer] een rol hebben gespeeld.
Ook moet niet uit het oog worden verloren dat er geen verklaringen van ooggetuigen zijn en dat het forensischtechnisch onderzoek voor de verdachte geen belastend bewijs heeft opgeleverd.
Voor de anderen die belastend voor de verdachte hebben verklaard, geldt dat zij vaak pas vele jaren na de verdwijning van [slachtoffer] een verklaring hebben afgelegd en dat een aantal van hen een persoonlijk belang had bij het beschuldigen van de verdachte of dit mogelijk uit rancune heeft gedaan.
Het hof heeft al met al niet uit de wettige bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – en in het bijzonder de verklaring van [getuige 1] , de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Het hof spreekt de verdachte daarvan vrij.
Tot slot
Het hof realiseert zich dat deze uitkomst waarschijnlijk voor met name de nabestaanden als een grote teleurstelling wordt ervaren. De nabestaanden willen een antwoord op de vraag wat er met hun broer en neef is gebeurd. Het moet voor hen bijzonder onbevredigend zijn dat met deze uitspraak ook na meer dan 36 jaar daarop geen antwoord is gekomen. Het hof hoopt voor de nabestaanden dat zij dat antwoord ooit wel zullen vinden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart
niet bewezendat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en
spreektde verdachte daarvan
vrij.
Aldus gewezen door
mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,
mr. A. van Maanen en mr. I.C.E. Draisma, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T. Lammerdink, griffier,
en op 30 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.