ECLI:NL:GHARL:2026:4945

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
21-004332-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 285 SrArt. 287 SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor doodslag op echtgenote en bedreiging politieagente

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 30 juli 2026 het vonnis van de rechtbank Gelderland bevestigd in hoger beroep. Verdachte is veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf voor de doodslag op zijn echtgenote en de bedreiging van een politieagente met een mes. De rechtbank had verdachte eerder veroordeeld tot dezelfde straf, welke het hof om redenen van doelmatigheid heeft vernietigd en opnieuw recht heeft gedaan.

De feiten betreffen het toebrengen van meervoudig, hevig, uitwendig mechanisch stomp geweld aan het slachtoffer, wat leidde tot ernstige inwendige letsels en uiteindelijk de dood. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit geweld heeft toegepast met opzet, maar sprak hem vrij van het bestanddeel voorbedachte rade wegens onvoldoende bewijs. Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte op 3 november 2023 een politieagente bedreigde met een mes, wat eveneens strafbaar werd geoordeeld.

De verdediging voerde onder meer aan dat verklaringen van verdachte onrechtmatig waren verkregen en dat het letsel ook door andere oorzaken kon zijn ontstaan, maar het hof verwierp deze verweren. De strafoplegging werd mede bepaald door de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact van femicide, het strafblad van verdachte in Oekraïne en het ontbreken van een ziekelijke stoornis. Tevens werden schadevergoedingen toegekend aan de nabestaanden van het slachtoffer, terwijl de vordering van de bedreigde politieagente werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf voor doodslag op zijn vrouw en bedreiging van een politieagente.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004332-25
Uitspraakdatum: 30 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 7 oktober 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 05-017488-24 en 05-290519-23, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in P.I. Lelystad te Lelystad.

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 juli 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B.J. de Pree, en de advocaat van de nabestaanden,
mr. P.M. Breukink, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte voor doodslag en - kort gezegd - bedreiging veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Daarbij heeft de rechtbank de vorderingen tot schadevergoeding van de nabestaanden toegewezen en de benadeelde partij in de vordering voor de bedreiging niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd:
in de zaak met parketnummer 05-017488-24, dat:
primair
hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2024 tot en met 16 januari 2024
te [plaats 1] , althans in Nederland,
[slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd,
door meermalen, althans eenmaal, met kracht, al dan niet met een groot en/of zwaar voorwerp, op/tegen het hoofd en/of op/tegen de borst en/of op/tegen de rug en/of op/tegen de buik en/of op/tegen de romp, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] , te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of door meermalen, althans eenmaal, met kracht, al dan niet met een groot en/of zwaar voorwerp, uitwendig en/of mechanisch en/of samendrukkend geweld op/tegen de borst en/of de rug, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] toe te passen en/of door meermalen, althans eenmaal, met kracht, al dan niet met een groot en/of zwaar voorwerp, uitwendig en/of mechanisch en/of samendrukkend en/of smorend geweld op/tegen het hoofd en/of de hals, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] toe te passen;
subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2024 tot en met 16 januari 2024
te [plaats 1] , althans in Nederland,
aan zijn echtgenote en/of levensgezel, [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten:
- verscheuringen van de milt en/of de lever en/of in de buik(holte) en/of
- samengevallen en/of geperforeerde longen en/of
- meerdere gebroken ribben,
heeft toegebracht,
door meermalen, althans eenmaal, met kracht, al dan niet met een groot en/of zwaar voorwerp, op/tegen het hoofd en/of op/tegen de borst en/of op/tegen de rug en/of op/tegen de buik en/of op/tegen de romp, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] , te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of door meermalen, althans eenmaal, met kracht, al dan niet met een groot en/of zwaar voorwerp, uitwendig en/of mechanisch en/of samendrukkend geweld op/tegen de borst en/of de rug, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] toe te passen
terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;
en in de zaak met parketnummer 05-290519-23 (gevoegd), dat:
hij op of omstreeks 3 november 2023 te [plaats 2] , gemeente [gemeente]
[benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een mes in de richting van die [benadeelde 3] te richten en/of door met een mes in de richting van die [benadeelde 3] te lopen, althans te wijzen, terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [benadeelde 3] in diens hoedanigheid van hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

Zaak met parketnummer 05-017488-24
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is voor moord, zodat verdachte daarvan vrijgesproken dient te worden, en dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor doodslag en dat het vonnis van de rechtbank kan worden bevestigd.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte integraal vrijgesproken moet worden.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring die verdachte heeft afgelegd toen de politie op 16 januari 2024 ter plaatse kwam van het bewijs moet worden uitgesloten, omdat verdachte op dat moment niet werd bijgestaan door een advocaat en de afstand die verdachte van dat recht heeft gedaan vanwege de ernst van de verdenking niet rechtsgeldig was. De eerste verklaring mag ook niet worden gebruikt als referentiekader voor de beoordeling of latere verklaringen van verdachte mogelijk inconsequent zijn. Ook de latere verklaringen van verdachte, voor zover zij voortbouwen op of verwijzen naar de inhoud van het eerste verhoor of hetzelfde onderwerp aangaan mogen niet voor het bewijs worden gebruikt. Het horen vond bovendien plaats in een openbare ruimte in aanwezigheid van omstanders met een onbekende tolk die via de speaker van een telefoon vertaald heeft. Nu de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] daarbij aanwezig waren, hebben zij later niet meer geheel onafhankelijk en ongekleurd kunnen verklaren.
Ook heeft de raadsman opgeroepen alle verklaringen van verdachte met zeer grote terughoudendheid te betrachten en kritisch te bekijken voor zover ze belastend worden uitgelegd. Volgens de verdediging is – zo begrijpt het hof het standpunt – in deze zaak onvoldoende bewijs voor een bewezenverklaring voorhanden en wordt een omkering van de bewijslast gehanteerd: van verdachte wordt verwacht dat hij met een passend alternatief scenario komt en zolang dat uitblijft, wordt aangenomen dat hij schuldig is.
Daarnaast heeft de verdediging aandacht gevraagd voor de slechte gezondheidstoestand van het slachtoffer [slachtoffer] . De verdediging stelt een scenario waarin het overlijden van [slachtoffer] kan worden verklaard door een combinatie van oudere letsels, haar algehele slechte gezondheidstoestand, letsel dat zij die avond mogelijk heeft opgelopen en waarbij verdachte niet betrokken was en/of de reddingspogingen van verdachte. Volgens de verdediging sluiten de medische rapporten dit scenario niet ‘beyond reasonable doubt’ uit.
Ook heeft de verdediging bepleit dat bij verdachte het opzet, ook in voorwaardelijke zin, op de dood van [slachtoffer] ontbreekt, omdat uit het dossier niet volgt welke handelingen verdachte zou hebben verricht en omdat verdachte [slachtoffer] de middag voor het overlijden nog naar de huisarts heeft gebracht. Daarom is niet gebleken dat verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] heeft aanvaard.
Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat niet is voldaan aan de strenge eisen die de Hoge Raad stelt aan het bewijs voor het bestanddeel ‘voorbedachte rade’, zodat verdachte hiervan vrijgesproken dient te worden.
Oordeel van het hof [1]
Op 16 januari 2024 is rond 11:04 uur in kamer [nummer] van [hotel] te [plaats 1] het levenloze lichaam aangetroffen van [slachtoffer] , de echtgenote van verdachte. [2]
Diezelfde dag heeft er om 00:06 uur een uitgaand gesprek plaatsgevonden vanaf de telefoon van verdachte via Telegram naar account [account] van 32 seconden [3] Dit account ‘ [account] ’ is in gebruik bij [getuige 2] . [4] Deze [getuige 2] heeft verklaard dat [slachtoffer] hem om 12 uur ’s nachts op 16 januari 2024 via Telegram heeft gebeld met de telefoon van verdachte om te vragen waar verdachte was. [5]
Uit het voorgaande leidt het hof af dat [slachtoffer] in de nacht van 15 op 16 januari 2024 is overleden en even na middernacht nog in leven was.
Uit het onderzoek naar de doodsoorzaak van [slachtoffer] blijkt het volgende.
Het Definitief deskundigenrapport forensische pathologie houdt onder meer in:
5. (Semi) recente letsels
Hoofd
Uitwendig
Letsel G: aan de neus inclusief de neusvleugel zwelling en oppervlakkige huidbeschadigingen (…) Letsel G (neuspunt) toonde een reactie passend bij meerdere tientallen minuten tot enkele uren oud.

Romp

Uitwendig (letsels J tot en met Q)
Verspreid aan de borst (inclusief de linkerborstklier), verspreid aan de buik en de flanken/rug zijwaarts en aan de linkerbil, meerdere, veelal separaat gelegen en soms in elkaar verlopende, hematomen. Aan de buik tenminste 30x, aan de rug zijwaarts links tenminste 30x. Het betroffen hematomen. Veelal rood van kleur.
Enkele van deze letsels werden verder onderzocht door prof. dr. H.W.M. Niessen, Amsterdam UMC: letseldateringsonderzoek, zie rapport als bijlage 5. Hij concludeerde als volgt:
Letsel J aan de borst rechts, letsel M aan de linkeroksellijn, Q aan de borst rechts: vitale letsels met een ouderdom passend bij meerdere minuten tot enkele tientallen minuten.
(…)
Inwendig
• breuken van alle ribben rechts en links (voor-zijwaarts soms op meerdere niveaus, maar met name achterwaarts op een rij en onder elkaar gelegen) met bloeduitstortingen en uitgebreide verscheuringen van de borstvliezen, met name achterwaarts en uitstekende scherpe gebroken ribdelen richting beide borstholten. Hierdoor was de borstkas links en rechts achterwaarts vervormd;
• breuken van de dwarsuitsteeksels van de 1ste en 2de lendenwervel links en breuk van de doornuitsteeksel van de 5de borstwervel (fractuur processus spinosus Th5);
• verspreid in de weke delen van de rug (oppervlakkige en diepe rugspieren) en in de voorste rompwandspieren rechts en links bloeduitstortingen;
• luchtophoping tussen de borstvliezen, samengevallen longen beiderzijds (klaplongen), verscheuringen en plaatselijke kneuzingen van het borstvlies van de longen en longweefsel beiderzijds vanwege uitstekende, gebroken ribdelen;
• bloedophoping in beide borstholten, links circa 30 ml rechts circa 20 ml;
• luchtophopingen in het middenschot (mediastinaal emfyseem);
• bloeduitstortingen in het vetschort van de maag en verscheuring en gedeeltelijke verbrijzeling van de milt met begeleidende bloeduitstorting;
• meerdere verscheuringen van de lever (voor- en achterwaarts) met begeleidende bloeduitstorting.
• in totaal circa 300 ml vloeibaar bloed in de buikholte.
(…)

Definitieve interpretatie

Letselinterpretatie
• Bij sectie werden uitwendig aan het lichaam meerdere, uitgebreide (semi)recente letsels vastgesteld (sub 5).
Ontstaanswijze van deze uitwendige letsels: deze letsels waren bij leven ontstaan en opgeleverd door meervoudig, plaatselijk hevig, stomp, botsend geweld op het lichaam, zoals door meervoudig vallen, meervoudig slaan, stompen (al of niet met structuren, voorwerpen). Gezien de uitgebreidheid en distributie van de letsels kunnen ze niet volledig worden verklaard door bijvoorbeeld een val (van een fiets). De aantallen hematomen (aan de buik tenminste 30x, aan de rug zijwaarts links tenminste 30x), de veelal separate distributie (afzonderlijk en toch bij elkaar gelegen) en de distributie aan onder andere ook de buigzijde van de armen, zijn daar niet in lijn mee.
(…)
De uitwendige letsels die niet in samenhang staan met de dodelijk verlopende inwendige letsels (zie verder hieronder), zijn niet van belang geweest voor het intreden van de dood.
(…)
• Bij sectie werden inwendig uitgebreide en ernstige letsels van de romp (borst en buik) vastgesteld. Zo was onder andere de borstwand uitgebreid verscheurd aan de binnenzijde, waren alle ribben gebroken (achterwaarts waren er op een rij gelegen breuken, evenwijdig aan de lengteas van het lichaam en naast de wervelkolom gelegen). Er was deels afplatting van de borstwand, de longoppervlakken waren plaatselijk gescheurd en gekneusd, de longen waren samengevallen en deels gekneusd waar gebroken ribuiteinden de longen perforeerden, de lever was meervoudig verscheurd, de milt was verscheurd en deels verbrijzeld, wervels waren recent gebroken en er waren bloedophopingen in de buik- en borstholten.
Ontstaanswijze van de inwendige letsels: deze ernstige en uitgebreide recente inwendige letsels van de romp waren bij leven ontstaan door:
a. enkelvoudig hevig, uitwendig mechanisch stomp, botsend geweld op de romp ofwel hoog energetisch trauma (bijvoorbeeld door een val van hoogte, een overrijding) of:
b. meervoudig hevig, uitwendig mechanisch stomp, botsend geweld op de romp (bijvoorbeeld door meervoudig slaan op de romp, al of niet met structuren of voorwerpen, meervoudig stompen of trappen op de romp).
Bij zowel a als b kan bijkomend een drukkende (comprimerende, plettende) krachtsinwerking aan de orde zijn geweest.
(…)

Definitieve conclusie

Het intreden van de dood van [slachtoffer] , wordt enkel op traumatische grond verklaard, namelijk door hevig, uitwendig mechanisch stomp, botsend geweld op de borst en rug. Mogelijk met bijkomend drukkend (comprimerend) geweld op de borst en rug. Hierdoor zijn er functiestoornissen van de borstkas en longen, ademhalingsfunctiestoornissen en zuurstoftekort met algehele weefselschade ontstaan.
Indien er tevens sprake is geweest van de geweldsvorm smoren, kan verstikking ook een (mede)oorzaak van het intreden van de dood zijn geweest.
Voorts hebben de volgende geweldsvormen een bijdragende rol aan het intreden van de dood geleverd namelijk:
-hevig uitwendig mechanisch stomp botsend geweld op de buik, al of gecombineerd met drukkend geweld op de buik, met als gevolg scheuren in de lever en verbrijzeling van de milt met bloedverlies);
-uitwendig mechanisch stomp botsend geweld op het hoofd met onder andere een mogelijke hersenschudding en bewustzijnsstoornissen.
Ook zijn bij [slachtoffer] bevindingen vastgesteld die wijzen op herhaaldelijk fysiek geweld in het verleden. (…) Deze zijn niet van belang geweest voor het overlijden. [6]
Uit het radiologisch onderzoek is het volgende gebleken:
Volgens de radioloog zijn er verscheidene letsels die hebben bijgedragen aan het intreden van de dood en die in combinatie kunnen hebben geleid tot het intreden van de dood:
- de multipele ribfracturen met losliggende delen, in combinatie met de geringe klaplong en bloed tussen de longbladen;
- het bloedverlies in de buik;
- de opvulling van de luchtpijp met vloeibare substantie, maar het is niet mogelijk om te bepalen of de luchtpijp voorafgaand aan het overlijdensproces aanwezig is geweest of pas tijdens het overlijdensproces is opgetreden. De combinatie van letsels zoals zichtbaar op dit radiologisch onderzoek is, zonder acuut medisch ingrijpen, dodelijk. [7]
Over die bewuste nacht heeft verdachte verklaard dat hij die avond op een feestje is geweest en dat hij daarna naar huis is gegaan naar [slachtoffer] , zijn vrouw. Verdachte heeft verder verklaard dat zij een berichtje had gestuurd en ook had gebeld via Telegram. Hij heeft het berichtje beantwoord en is daarna naar huis gegaan. [8] Volgens verdachte was [slachtoffer] nog in leven nadat hij thuis kwam van het feestje. [9] Verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij geweld heeft toegepast op [slachtoffer] . Hij heeft haar opgetild, aan de armen gezwaaid en zeer krachtig met de vuist op de rug geslagen en op haar hart geslagen. Hij denkt dat hij wel 40 minuten tot een uur met haar bezig is geweest. [10] Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte ook nog verklaard dat hij haar twee à drie minuten op haar rug heeft geslagen [11] en op de zitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij 30 tot 40 minuten met haar bezig is geweest. [12]
Toebrengen dodelijk letsel
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat [slachtoffer] nog in leven was toen verdachte op 16 januari 2024 na middernacht in de hotelkamer kwam. In de uren daarna is zij overleden aan de directe gevolgen van het bij haar toegebrachte letsel. Dit letsel is ontstaan, zo blijkt uit de onderzoeken door de patholoog en de radioloog, doordat kort voor het overlijden excessief geweld op haar is uitgeoefend. Het ging immers om een combinatie van letsels dat acuut medisch ingrijpen vergde en dat, bij het uitblijven daarvan, dodelijk was.
Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die die nacht zodanig hevig, uitwendig mechanisch stomp, botsend geweld op [slachtoffer] heeft uitgeoefend, al dan niet met gebruikmaking van een of meer voorwerpen, en al dan niet met smorend geweld, dat zij daardoor is komen te overlijden.
Door de verdediging is aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] die avond meerdere keren is gevallen: na een val van de trap daarna misschien ook nog wel in de kamer: met haar borst en/of zij en/of buik op de tafelrand, of op de toiletpot. Volgens de verdediging is dat mogelijk het hevig botsend geweld, dat naast de oudere valverwondingen en handelingen van verdachte “het totaalbeeld aan letsel complementeert”. Zoals hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat het verdachte is geweest die het dodelijke letsel heeft toegebracht. Dat de rapporten theoretische alternatieve mogelijkheden wellicht openlaten, doet daar niet aan af. Uit de rapporten volgt dat het letsel niet door een enkelvoudige val kan worden verklaard en dat letsel is ontstaan dat acuut medisch ingrijpen vergde. Ook heeft verdachte, die bij [slachtoffer] was, niet verklaard dat [slachtoffer] in zijn bijzijn nog meermaals uit eigen beweging hard is gevallen.
Opzet
Op basis van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat sprake is geweest van vol opzet van verdachte op de dood van [slachtoffer] .
In de rapportages van de deskundigen over de doodsoorzaak van [slachtoffer] wordt beschreven dat sprake is geweest van meervoudig, plaatselijk hevig, stomp, botsend geweld op het lichaam (hoofd, borst, buik en de flanken/rug), zoals door meervoudig vallen, meervoudig slaan of stompen. Daarbij is ook gebruikgemaakt van één of meerdere structuren/voorwerpen. Daarnaast is sprake geweest van hevig, uitwendig mechanisch stomp, botsend geweld op de romp.
Vastgesteld kan worden dat verdachte langdurig buitensporig veel geweld heeft toegepast op (onder meer) vitale delen van het lichaam van [slachtoffer] , en dat dit heeft geleid tot het hiervoor opgesomde letsel, te weten onder andere een verscheurde borstwand, gebroken ribben, gescheurde en gekneusde longoppervlakken, verscheurde lever en milt en gebroken wervels. Deze gedragingen zijn, naar hun uiterlijke verschijningsvorm bezien, naar het oordeel van het hof zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het hof op grond hiervan vaststelt dat het opzet van verdachte hier ten volle op gericht was.
Door verdachte en de verdediging is aangevoerd dat verdachte handelingen bij [slachtoffer] heeft verricht die een groot deel van de letsels op de buik en rug, die zeer waarschijnlijk tot de dood hebben geleid, kunnen verklaren, maar dat niet kan worden bewezen dat deze waren gericht op (de kans op) het overlijden van [slachtoffer] . Daartoe wordt gesteld dat sprake is geweest een langdurige, ruwe en krachtige reanimatie: het op de rug en in het gezicht slaan (om haar terug te brengen naar bewustzijn), het verplaatsen van haar lichaam en het langdurig en met (te veel) kracht reanimeren.
Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte het geweld heeft toegepast om [slachtoffer] te redden. Ten eerste is, gelet op de aard en de ernst van het letsel, op zichzelf al ongeloofwaardig dat dit is ontstaan door handelingen die zijn toegepast met de bedoeling om iemands leven te redden. Daarvoor zijn de geconstateerde letsels te uitgebreid en te divers van aard. Daarbij komt ook dat verdachte wisselend heeft verklaard over het tijdstip waarop hij die beweerdelijke reddingshandelingen dan heeft verricht. Waar verdachte inmiddels stelt dat hij bij terugkomst van een feestje zijn vrouw op haar knieën vond en daarna de gestelde handelingen uitvoerde, verklaarde hij in één van de eerste verhoren (18 januari 2024 vanaf 10:25 uur tot 13:53 uur, p. 50) dat zij zich bij zijn thuiskomst van het feestje niet lekker voelde en dat hij water op haar gezicht gooide en daarna is gaan slapen en stelt hij dat hij de volgende ochtend (na thuiskomst van inkopen) ontdekte dat ze niet meer ademde en toen “20 minuten” met haar bezig was. Ook gelet op de (door verdachte gestelde) duur van de handelingen, hij zou zo’n 30 tot 40 minuten met haar bezig zijn geweest waarbij hij dan vooraf, tijdens en nadien geen hulp heeft ingeschakeld, acht het hof de verklaringen van verdachte dat hij [slachtoffer] wilde redden niet aannemelijk. Verdachte heeft over het niet inschakelen van hulp verklaard dat hij het noodnummer niet kende en vanwege de taalbarrière niet met de Nederlandse hulpinstanties heeft gebeld. Ook die verklaring acht het hof ongeloofwaardig: verdachte verbleef in een hotel waar anderen – waaronder de andere feestgangers – aanwezig waren en verdachte beschikte over een telefoon waardoor hij eenvoudig anderen had kunnen bellen.
Voor wat betreft het verweer van de verdediging om het eerste gesprek, waarin verdachte aan de verbalisanten die als eerste ter plaatse waren heeft verteld wat er is gebeurd, uit te sluiten van het bewijs, overweegt het hof dat het dit proces-verbaal van bevindingen niet voor het bewijs zal gebruiken. De overige latere verklaringen van verdachte heeft het hof, zoals de verdediging heeft bepleit, kritisch bekeken. Van die verklaringen gebruikt het hof alleen dat deel waarin verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer nog leefde toen hij die nacht naar hun kamer terugkeerde van het feestje en dat hij geweld op haar heeft toegepast, zoals hiervoor is weergegeven. Verdachte heeft dat consequent verklaard en niet is aangevoerd dat de verklaringen in zoverre onjuist waren.
Met voorbedachten rade
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verdachte moet de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap hebben gegeven.
Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat dat er sprake is geweest van voorbedachte raad, zodat verdachte van de impliciet primair tenlastegelegde moord zal worden vrijgesproken.
Conclusie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 16 januari 2024 [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, zodat hij zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag, zoals primair ten laste is gelegd.
Zaak met parketnummer 05-290519-23
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat, gelet op de aangifte, de verklaring van aangeefster bij de rechter-commissaris en het aantreffen van het mes, dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt verdediging
Volgens de verdediging ontbreekt zowel de objectieve dreigingscomponent als het daarop gericht opzet, zodat verdachte vrijgesproken moet worden. Het bewijs steunt uitsluitend op de aangifte en de verklaring van [benadeelde 3] bij de rechter-commissaris en deze laatste verklaring wijkt bovendien op onderdelen af van hetgeen [benadeelde 3] in haar aangifte heeft verklaard. Bovendien heeft verdachte een reëel alternatief scenario geschetst.
Oordeel van het hof [13]
Hoofdagent bij de politie in de gemeente [gemeente] , [benadeelde 3] , heeft op 4 november 2023 aangifte gedaan van bedreiging met een mes door verdachte tussen 3 november 2023 om 23:14 uur en 4 november 2023 om 00:25 uur aan [adres] , binnen de gemeente [gemeente] . [14]
In deze aangifte heeft [benadeelde 3] verklaard dat zij ter plaatse is gegaan na een melding van de beveiliging van het COA dat meerdere personen iemand in bedwang moesten houden die onder invloed was van alcohol en drugs. Bij aankomst zag [benadeelde 3] dat een persoon (naar later bleek verdachte) op de grond lag, niet helder uit zijn ogen keek en in bedwang werd gehouden door een andere man. Verdachte rook naar het inwendig gebruik van alcohol en zijn pupillen waren verwijd. Verdachte werd op bed gelegd en werd uiteindelijk rustig. Toen [benadeelde 3] in gesprek ging met de beveiliging, kwamen meerdere bewoners zeggen dat verdachte weer door het lint aan het gaan was. [benadeelde 3] zag dat de vrouw van verdachte hem in bedwang hield en [benadeelde 3] duwde verdachte met veel kracht weer terug zijn kamer in, waardoor hij ten val kwam. [benadeelde 3] sloot daarop de deur en zag dat verdachte de deur weer opende om te klagen over pijn aan zijn arm. [benadeelde 3] sloot hierop nogmaals de deur en een halve minuut later besloot zij om de deur te openen om te kijken wat verdachte aan het doen was. Op dat moment zag ze dat hij op ongeveer drie meter afstand van haar stond met een mes in zijn linkerhand waarvan het lemmet ongeveer tien centimeter lang was. Ze zag dat verdachte het mes omhooghield en dat hij op haar afstapte. Ze voelde zich ernstig bedreigd en riep luidkeels dat verdachte het mes moest laten vallen. Toen zij haar stroomstootwapen pakte en deze op verdachte richtte, liet hij het mes vallen en is verdachte aangehouden.
Daarnaast volgt uit het proces-verbaal van aanhouding van verdachte van de verbalisanten [verbalisant] , [benadeelde 3] en [verbalisant] , allen werkzaam bij de Eenheid Oost-Nederland, dat er bij aankomst op [adres] een erg onrustige sfeer heerste en zij te horen kregen dat een man helemaal uit zijn plaat was gegaan. Zij troffen een man aan die erg overstuur dan wel in de war was en onrustig en agressief overkwam. Toen de man meermaals duidelijk was gemaakt dat hij even moest wachten en maar naar de deur bleef komen, heeft [benadeelde 3] de man een duw gegeven, waardoor hij achteroverviel. Toen [benadeelde 3] enkele minuten later de deur weer opendeed, zag zij dat verdachte met een mes in zijn handen stond op ongeveer twee à drie meter afstand en dat hij met dit mes in haar richting liep. [benadeelde 3] riep vervolgens ‘mes’ en pakte haar stroomstootwapen en richtte deze op de man, ook verbalisant [verbalisant] richtte zijn stroomstootwapen. [15]
Onderzoek naar de identiteit van de verdachte aan de hand van zijn paspoort wees uit dat het gaat om [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] . [16]
Voor een bewezenverklaring van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel op zou kunnen lopen en dat het opzet van verdachte daarop was gericht.
Uit de aangifte en het proces-verbaal van aanhouding leidt het hof af dat verdachte in een opgefokte en agressieve toestand verkeerde, onder invloed van middelen was en maar moeilijk in bedwang kon worden gehouden. Ook toen verdachte meermalen werd gezegd dat hij even moest wachten, bleef hij het contact zoeken met de ter plaatse gekomen agenten. Nadat [benadeelde 3] verdachte een duw had gegeven zijn kamer in, zij de kamerdeur sloot en zij kort daarop de deur weer opende om te kijken wat de situatie was, heeft verdachte met een mes in zijn hand een stap gezet in de richting van een van die agenten, aangeefster [benadeelde 3] .
Naar het oordeel van het hof zijn deze door verdachte verrichte handelingen van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat bij verbalisant [benadeelde 3] de redelijke vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Anders dan wat de verdediging heeft bepleit, wordt de verklaring van [benadeelde 3] ondersteund door hetgeen zij en haar twee collega’s in het proces-verbaal van bevindingen hebben gerelateerd, zodat het bewijs niet enkel op de verklaring van [benadeelde 3] steunt.
Voor wat betreft het door verdachte opgeworpen scenario dat hij aan tafel en met een mes zijn brood aan het smeren was toen de politie de kamer binnenkwam en niemand heeft bedreigd, is het hof met de rechtbank van oordeel dat dit niet strookt met de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen en context, zodat het hof dit scenario terzijde schuift.
Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van bedreiging.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05-017488-24 primair en in de zaak met parketnummer 05-290519-23 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 05-017488-24:
primair
hij
opin of omstreeks de periode van 15 januari 2024 tot en met16 januari 2024
te [plaats 1] ,
althans in Nederland,
[slachtoffer] opzettelijk
en met voorbedachten radevan het leven heeft beroofd,
door meermalen,
althans eenmaal,met kracht, al dan niet met een groot en/of zwaar voorwerp, op/tegen het hoofd en/of op/tegen de borst en/of op/tegen de rug en/of op/tegen de buik en/of op/tegen de romp
, althans op/tegen het lichaamvan die [slachtoffer] , te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of door meermalen
, althans eenmaal,met kracht, al dan niet met een groot en/of zwaar voorwerp, uitwendig en/of mechanisch en/of samendrukkend geweld op/tegen de borst en/of de rug
, althans op/tegen het lichaamvan die [slachtoffer] toe te passen en/of door meermalen,
althans eenmaal,met kracht, al dan niet met een groot en/of zwaar voorwerp, uitwendig en/of mechanisch en/of samendrukkend en/of smorend geweld op/tegen het hoofd en/of de hals
, althans op/tegen het lichaamvan die [slachtoffer] toe te passen.
Zaak met parketnummer 05-290519-23 (gevoegd):
hij op
of omstreeks3 november 2023 te [plaats 2] , gemeente [gemeente]
[benadeelde 3] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/ofmet zware mishandeling
, door met een mes in de richting van die [benadeelde 3] te richten en/ofdoor met een mes in de richting van die [benadeelde 3] te lopen,
althans te wijzen,terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [benadeelde 3] in diens hoedanigheid van hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 05-017488-24 primair bewezenverklaarde levert op:
doodslag.
Het in de zaak met parketnummer 05-290519-23 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met zware mishandeling, terwijl deze wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd dient te worden van vijftien jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, zodat het hof ook op dit punt het vonnis waarvan beroep kan bevestigen.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafoplegging.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft bij zijn straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zijn vrouw [slachtoffer] om het leven gebracht door extreem veel geweld op haar uit te oefenen. Hierdoor heeft zij onder andere tweeënveertig breuken in haar ribben, gebroken wervels, samengevallen en deels gekneusde longen, een op meerdere plekken gescheurde lever, een verscheurde en deels verbrijzelde milt, bloedophopingen in de buik en tientallen blauwe plekken opgelopen. Dit gebeurde in hun kamer in het hotel waar zij als vluchtelingen uit Oekraïne verbleven en in plaats van haar een veilige en geborgen plek te bieden, heeft verdachte haar in deze huiselijke sfeer het leven ontnomen. Het is onduidelijk gebleven wat de precieze aanleiding voor de geweldsexplosie jegens het slachtoffer is geweest als er überhaupt al een directe aanleiding voor is geweest.
Door een einde te maken aan haar leven heeft verdachte onherstelbaar leed en intens verdriet toegebracht aan de zoon en moeder en de overige familieleden van [slachtoffer] . Dit is ook gebleken uit het op de zitting van de rechtbank namens de zoon en moeder van het slachtoffer uitgeoefende spreekrecht en ook op de zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de nabestaanden aangevoerd dat er veel verdriet is en het gemis de familie nog steeds zwaar valt. Zij zijn hun moeder en dochter verloren door het toedoen van verdachte en zij zullen dit verlies en de wetenschap van de wijze waarop zij om het leven is gebracht hun hele leven met zich mee moeten dragen.
In deze zaak is er sprake van partnerdoding. Dit veroorzaakt in de samenleving ook bij niet direct betrokkenen gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid. De maatschappelijke aandacht voor femicide of vrouwenmoord maakt de samenleving bewust van de potentiële kwetsbaarheid van vrouwen. Het is terecht dat er in de samenleving steeds meer aandacht voor deze vorm van geweld is en het hof acht het van belang om een krachtig signaal af te geven aan zowel de maatschappij als aan andere potentiële daders.
Dit maakt dat het hof het feit dat verdachte zijn eigen vrouw heeft vermoord als strafverzwarend zal meewegen.
Ten slotte is het doden van een ander mens een van de zwaarste delicten in het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht afgenomen, het recht om te leven.
Daarnaast heeft verdachte zich een paar maanden daarvoor schuldig gemaakt aan de bedreiging van een politieagente die op de opvanglocatie voor Oekraïense vluchtelingen, waar verdachte op dat moment met zijn vrouw verbleef, kwam om de onrust die verdachte daar veroorzaakte te stoppen. Verdachte heeft daarbij een mes omhooggehouden en is op haar afgestapt. De verdachte heeft met het bedreigen van de politieagente het respect en het gezag ten aanzien van een ambtenaar die een publieke taak verricht ondermijnd. Daar komt bij dat het handelen van de verdachte niet alleen angst heeft ingeboezemd bij het slachtoffer, maar het draagt ook bij aan gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.
De persoon van verdachte
Het hof heeft bij de strafoplegging ook gekeken naar het strafblad van verdachte in Nederland en in Oekraïne. Uit het Nederlandse strafblad van 15 juni 2026 blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen. Maar uit het strafblad uit Oekraïne blijkt dat verdachte daar vaker is veroordeeld tot lange gevangenisstraffen en dat het daarbij ook ging om geweldsdelicten.
Met betrekking tot de persoon van verdachte is een Pro Justitia-rapportage opgemaakt door psychiater A.C.M. Kleinsman op 10 september 2024 en GZ-psycholoog E.C. Aarnink op diezelfde datum. Uit die rapportages blijkt dat bij verdachte geen ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens is vastgesteld. De deskundigen hebben wel opgemerkt dat verdachte imponeert als een man die zich met name slachtoffer voelt van de omstandigheden en dat hij de indruk wekt dat hij het achterste van zijn tong niet laat zien en hij bij voorkeur waar mogelijk een positief beeld van zichzelf wil schetsen. Bij oplopende druk komt betrokkene in contact met zijn afgeweerde gevoelens en zijn de controlemechanismen ontoereikend, waardoor hij de neiging heeft tot externaliseren, bagatelliseren en minimaliseren.
Dit brengt het hof tot de slotsom dat de bewezenverklaarde feiten volledig aan de verdachte kunnen worden toegerekend.
Redelijke termijn
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat sprake is geweest van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de redelijke termijn in eerste aanleg wordt verlengd.
Het hof wijst daarbij op het feit dat de toenmalige raadsman zich vlak voor de inhoudelijke behandeling onttrok en het enige tijd heeft geduurd voordat er een nieuwe inhoudelijke behandeling gepland kon worden. Nu de rechtbank na de inverzekeringstelling van verdachte op 17 januari 2024 binnen minder dan 21 maanden een eindvonnis heeft gewezen, terwijl verdachte in voorlopige hechtenis zat en het uitgangspunt is dat een dergelijke zaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden, beschouwt ook het hof dit als vallend binnen de redelijke termijn.
Voor wat betreft de redelijke termijn in hoger beroep stelt het hof vast dat deze op 20 oktober 2025 is aangevangen met het instellen van hoger beroep namens de verdachte.
Nu het hof op 30 juli 2026 arrest wijst, is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
De op te leggen straf
De ernst van de bewezenverklaarde doodslag en de hierboven al beschreven omstandigheden waaronder dit feit is begaan, maken dat naar het oordeel van het hof enkel het opleggen van een langdurige gevangenisstraf een passende reactie kan zijn.
Wat betreft het bepalen van de hoogte hiervan overweegt het hof het volgende.
Het hof zoekt bij het bepalen van de hoogte van de straf doorgaans aansluiting bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten en jurisprudentie en kijkt naar straffen die rechters in soortgelijke zaken hebben opgelegd. En hoewel er geen landelijke oriëntatiepunten zijn voor op te leggen straffen bij doodslag, werd – voor de verhoging van het strafmaximum – door rechtbanken en hoven voor doodslag veelal gevangenisstraffen opgelegd van 8 tot 12 jaren.
Het hof houdt echter ook rekening met de omstandigheid dat het strafmaximum voor doodslag per 1 juli 2023 door de wetgever is verhoogd van 15 jaar naar 25 jaar gevangenisstraf, welke verhoging onder meer is gelegen in de veranderde maatschappelijke opvattingen over de strafwaardigheid van levensdelicten.
Daarbij komt dat naar het oordeel van het hof in dit geval enkel strafverzwarende omstandigheden aanwezig zijn. Het hof wijst hierbij op de omstandigheden dat sprake is van doodslag van ‘de buitencategorie’ door het ongelooflijk en vele brute geweld op het slachtoffer, het feit dat verdachte vol opzet had op de dood van het slachtoffer, dat het gaat om femicide en dat verdachte recidive heeft op het gebied van geweldsfeiten.
Daarnaast heeft verdachte slechts twee maanden daarvoor een politieagente met een mes bedreigd, terwijl zij en haar collega’s juist ter plaatse kwamen om geweld te voorkomen.
Het hof komt dan ook, gelet op wat hiervoor is overwogen, tot de conclusie dat het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, conform de eis van de advocaat-generaal, passend en geboden is. Daarop wordt de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering gebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 19.779.92, bestaande uit materiële schade (de post ‘vlucht [plaats 3] - Amsterdam - [plaats 3] ’ € 113,99 en de post ‘kosten uitvaart’ € 2.165,93) en een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade. De rechtbank heeft naast de gevorderde affectieschade de materiële schade tot een bedrag van
€ 113,99 toegewezen.
Op de zitting van het hof heeft mr. Breukink opgemerkt dat de kosten voor de uitvaart veiligheidshalve zowel bij [benadeelde 1] als bij [benadeelde 2] zijn opgevoerd omdat het bedrag door de hele familie is betaald, maar dat het verzoek is om de vergoeding van deze kosten (enkel) aan [benadeelde 2] toe te wijzen, omdat de factuur op haar naam staat.
Het hof verstaat de door mr. Breukink gegeven toelichten zo dat de aan het hof voorliggende vordering tot schadevergoeding nog enkel bestaat uit de posten voor de retourvlucht en de affectieschade.
Voor wat betreft de gevraagde materiële schade voor de retourvlucht van de zoon van het slachtoffer, die in Spanje woont, om het lichaam van zijn moeder in Nederland in ontvangst te nemen, is het hof van oordeel dat deze reiskosten voor vergoeding in aanmerking komen.
Dat geldt ook voor de gevraagde affectieschade, nu het slachtoffer als gevolg van het bewezenverklaarde feit is overleden en de benadeelde partij gelet op artikel 6:108 lid 4 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) als zoon van het slachtoffer aanspraak kan maken op een vergoeding wegens affectieschade. Nu de hoogte van het gevorderde bedrag in overeenstemming is met het Besluit vergoeding affectieschade, wijst het hof het gehele bedrag toe.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 19.665,93 ingediend,
bestaande uit € 2.165,93 materiële schade en € 17.500,- affectieschade. De rechtbank heeft dit gehele bedrag toegewezen.
Voor wat betreft de gevraagde materiële schade voor de kosten voor de uitvaart, is het hof van oordeel dat deze kosten met de overgelegde factuur voldoende zijn onderbouwd en deze gelet op het bepaalde in artikel 6:108 lid 2 BW Pro voor vergoeding in aanmerking komen.
Dat geldt ook voor de gevraagde affectieschade, nu het slachtoffer als gevolg van het bewezenverklaarde feit is overleden en de benadeelde partij gelet op artikel 6:108 lid 4 BW Pro als moeder van het slachtoffer aanspraak kan maken op een vergoeding wegens affectieschade. Nu de hoogte van het gevorderde bedrag in overeenstemming is met het Besluit vergoeding affectieschade, wijst het hof het gehele bedrag toe.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 600,00 ingediend, bestaande uit immateriële schade nu zij door het handelen van verdachte ‘op andere wijze in de persoon is aangetast’ ex artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat de benadeelde partij door de bedreiging gevoelens van angst en slapeloosheid heeft ondervonden en dat zij terughoudend is geworden bij het uitoefenen van haar functie. Echter, de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing is onvoldoende voor het aannemen van een aantasting in de persoon op andere wijze. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-017488-24 primair en in de zaak met parketnummer 05-290519-23 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 05-017488-24 primair en in de zaak met parketnummer 05-290519-23 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
15 (vijftien) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-017488-24 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.613,99 (zeventienduizend zeshonderddertien euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 113,99 (honderddertien euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-017488-24 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.613,99 (zeventienduizend zeshonderddertien euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 113,99 (honderddertien euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 113 (honderddertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 16 januari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-017488-24 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 19.665,93 (negentienduizend zeshonderdvijfenzestig euro en drieënnegentig cent) bestaande uit € 2.165,93 (tweeduizend honderdvijfenzestig euro en drieënnegentig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-017488-24 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 19.665,93 (negentienduizend zeshonderdvijfenzestig euro en drieënnegentig cent) bestaande uit € 2.165,93 (tweeduizend honderdvijfenzestig euro en drieënnegentig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 123 (honderddrieëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 16 januari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. M.J. Ouweneel, mr. T. Bertens en mr. C.T. Tjauw-Foe,
in aanwezigheid van de griffier mr. H.J. Rosmalen-Jansen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 30 juli 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 30 juli 2026.
Tegenwoordig:
mr. R.H. Koning, voorzitter,
mr. A. Lodder, advocaat-generaal,
mr. G.A. Dunnink, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Voetnoten

1.De hierna onder voetnoten 2 tot en met 5, 8 en 10 genoemde bewijsmiddelen zijn als bijlagen gevoegd bij het stamproces-verbaal Algemeen dossier [dossier] , in de wettelijke vorm opgemaakt op 17 april 2024 door [brigadier] , brigadier.
2.Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 118 t/m 121).
3.Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 411 t/m 420, in het bijzonder pagina 415).
4.Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 411 t/m 420, in het bijzonder pagina 412).
5.Het proces-verbaal van verhoor getuige (pagina’s 138 t/m 152, in het bijzonder pagina’s 141 en 142).
6.Het rapport ‘Definitief deskundigenrapport forensische pathologie’, opgesteld door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, forensisch patholoog, op 25 mei 2024, pagina’s 9 t/m 11 (los opgenomen in het dossier).
7.Het rapport ‘Radiologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’, rapportnummer: 12/2024_V2, opgesteld door dr. W.J.P. Henneman, radioloog MUMC+, op 18 april 2024, pagina’s 18 en 19 (los opgenomen in het dossier).
8.Het proces-verbaal van het verhoor van verdachte van 18 januari 2024, pagina 51.
9.Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer in de rechtbank Gelderland van 9 september 2025, pagina’s 3 en 6.
10.Het proces-verbaal van verhoor van verdachte op 4 april 2024, pagina 81.
11.Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer in de rechtbank Gelderland van 9 september 2025, pagina 6.
12.Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof van 16 juli 2026.
13.De hierna onder voetnoten 14 tot en met 16 genoemde bewijsmiddelen zijn als bijlagen gevoegd bij het stamproces-verbaal, nummer [nummer] , in de wettelijke vorm opgemaakt op 14 november 2023 door [hoofdagent] , hoofdagent.
14.Het proces-verbaal van aangifte (pagina’s 5 t/m 8).
15.Het proces-verbaal van aanhouding verdachte (pagina’s 13 t/m 15).
16.Het proces-verbaal onderzoek identiteit (pagina’s 11 t/m 12).