ECLI:NL:GHARL:2026:4958

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
P26/132
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:23b SvArt. 38z SrArt. 67 Wet RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging tenuitvoerlegging gedragsbeïnvloedingsmaatregel wegens onuitvoerbaarheid en gebrek aan perspectief

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf en een gedragsbeïnvloedingsmaatregel (GVM) voor twee jaar. Na het uitzitten van de gevangenisstraf vorderde de officier van justitie de tenuitvoerlegging van de GVM, welke door de rechtbank werd toegewezen met bijzondere voorwaarden zoals een middelenverbod en meldplicht bij de reclassering.

De reclassering adviseerde echter dat de GVM onuitvoerbaar is vanwege het ontbreken van een persoonlijkheidsonderzoek en actuele risicotaxatie, en omdat de betrokkene niet meewerkt aan de voorwaarden. De deskundige bevestigde het hoge recidiverisico en het gebrek aan motivatie van de betrokkene voor behandeling of gedragsverandering.

De advocaat-generaal stelde voor het middelenverbod te laten vervallen om mogelijk toch enige begeleiding te realiseren, maar het hof concludeerde dat de voorwaarden weinig perspectief bieden op gedragsverandering. Gezien de onwil van de betrokkene en het ontbreken van een indicatie voor klinische behandeling, vernietigde het hof de beslissing van de rechtbank en wees de vordering tot tenuitvoerlegging van de GVM af.

Uitkomst: De tenuitvoerlegging van de gedragsbeïnvloedingsmaatregel wordt afgewezen wegens onuitvoerbaarheid en gebrek aan effectieve voorwaarden.

Uitspraak

GVM P26/132
Beslissing van 30 juli 2026
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[betrokkene],
geboren te [land van herkomst] op [geboortedatum] 1991,
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
verder te noemen: de betrokkene.
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2026. Deze beslissing houdt in de tenuitvoerlegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking
(hierna: GVM)voor de duur van twee jaren, met oplegging van bijzondere voorwaarden.
Het hof heeft gelet op dezelfde stukken als de rechtbank en daarnaast op:
- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
- de beslissing waarvan beroep;
- de akte van 23 februari 2026 waarbij de betrokkene beroep heeft ingesteld;
- de appelschriftuur van 2 maart 2026;
- het voortgangsverslag van [reclassering]
(hierna: de reclassering)van 30 juni 2026
Het hof heeft ter zitting van 16 juli 2026 gehoord de advocaat-generaal, mr. I.M. Muller, en de raadsman van de betrokkene, mr. M. Rasterhoff, advocaat te Amsterdam.
Het hof heeft ter zitting tevens als deskundige gehoord: A. Boom, reclasseringswerker.

Overwegingen

De toelichting van de ter zitting gehoorde deskundige
De deskundige heeft het advies van de reclassering dat tenuitvoerlegging van de GVM onuitvoerbaar is, gehandhaafd. Het is onduidelijk waar de betrokkene precies verblijft. Hij werkt tot op heden niet mee aan de voorwaarden die de rechtbank heeft gekoppeld aan de tenuitvoerlegging van de GVM. Er is volgens de deskundige sprake van een hoog recidiverisico. De reclassering heeft een uitgebreider pakket aan voorwaarden, waaronder klinische diagnostiek en behandeling, noodzakelijk geacht om daadwerkelijk recidivevermindering te bereiken. Door de afdeling Indicatiestelling Forensische Zorg van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP/IFZ) is hiervoor geen indicatie afgegeven. De deskundige verwacht niet dat de GVM de betrokkene ertoe zal bewegen alsnog aan de voorwaarden mee te werken, ook niet als het middelenverbod zou vervallen. De GVM met de door rechtbank opgenomen voorwaarden biedt weinig perspectief op gedragsverandering.
Het standpunt van de betrokkene
De raadsman heeft zich namens de betrokkene primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de GVM moet worden afgewezen. Daartoe is aangevoerd dat de tenuitvoerlegging niet noodzakelijk en disproportioneel is. De raadsman heeft erop gewezen dat de reclassering reeds eerder heeft geadviseerd dat een GVM in de gegeven omstandigheden niet uitvoerbaar is en ook thans van oordeel is dat een uitgekleed pakket aan voorwaarden niet zinvol is. De mogelijkheid van vervangende hechtenis is bovendien geen effectief pressiemiddel, nu het uitblijven van de voorwaardelijke invrijheidstelling de betrokkene er evenmin toe heeft bewogen aan voorwaarden mee te werken. De vervangende hechtenis krijgt daarmee volgens de raadsman feitelijk het karakter van een aanvullende straf, terwijl de GVM is bedoeld om gedragsverandering te bewerkstelligen. Verder is aangevoerd dat de betrokkene niet openstaat voor de aan de GVM verbonden voorwaarden, in het bijzonder het middelenverbod, en onvrede heeft over het uitblijven van hulp bij het vinden van huisvesting.
Subsidiair is verzocht de duur van de GVM te beperken tot twee jaren en de voorwaarden met betrekking tot middelengebruik te laten vervallen, althans het absoluut geformuleerde drugsverbod te schrappen.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing waarvan beroep, met dien verstande dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de GVM wordt toegewezen, maar dat het door de rechtbank geformuleerde drugsverbod komt te vervallen en de overige bijzondere voorwaarden worden gehandhaafd. Daartoe is aangevoerd dat sprake is van een hoog recidiverisico en dat het van belang blijft te proberen de betrokkene met de reclassering in contact te brengen. Volgens de advocaat-generaal lijkt het middelenverbod een belangrijk bezwaar voor de betrokkene te vormen en zou het laten vervallen daarvan mogelijk een opening kunnen bieden om alsnog enige begeleiding tot stand te brengen. Hoewel de kans op succes beperkt lijkt, acht de advocaat-generaal het niet wenselijk de GVM geheel los te laten.
Het procesverloop
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2020 wegens – kort gezegd – verkrachting, mishandeling, diefstal in vereniging met geweld en de voortgezette handeling van mishandeling (meermalen gepleegd), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren. Daarnaast is de GVM opgelegd.
De betrokkene heeft de opgelegde gevangenisstraf ondergaan en zijn detentie is geëindigd op 19 februari 2026. Ongeveer een maand daarvoor, op 16 januari 2026, heeft de officier van justitie bij schriftelijke vordering de tenuitvoerlegging gevorderd van de opgelegde GVM.
De rechtbank Amsterdam heeft bij beslissing van 19 februari 2026 de vordering van de officier van justitie toegewezen en de tenuitvoerlegging gelast van de op 17 juli 2020 aan de betrokkene opgelegde GVM voor de duur van twee jaren.
Daarbij heeft de rechtbank – naast de algemene voorwaarden om mee te werken aan het vaststellen van zijn identiteit en het meewerken aan reclasseringstoezicht – een aantal bijzondere voorwaarden gesteld, te weten (kort gezegd):
  • meldplicht bij de reclassering;
  • drugsverbod;
  • alcoholverbod;
  • meewerken aan middelencontrole.
De vervangende hechtenis voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, is door de rechtbank bepaald op twee weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.
De tenuitvoerlegging van de GVM is op het moment van de beslissing van de rechtbank direct gaan lopen en is van rechtswege dadelijk uitvoerbaar.
Betrokkene heeft tegen de beslissing van de rechtbank van 19 februari 2026 beroep ingesteld.
De inhoud van het reclasseringsadvies
De reclassering heeft in haar advies van 4 februari 2026 uiteengezet dat het risico op recidive, het risico op letsel en het risico op het onttrekken aan voorwaarden als hoog worden ingeschat. De reclassering heeft daarbij vermeld dat zij, evenals in eerdere adviezen, hoge risico’s ziet voor toekomstig delictgedrag op basis van het psychosociaal functioneren van betrokkene. Daarbij is in aanmerking genomen dat betrokkene in het verleden niet heeft meegewerkt aan diagnostiek of onderzoek in [instelling] , waardoor er geen diagnostiek beschikbaar is en geen verbanden konden worden gelegd tussen eventuele persoonlijkheidsaspecten en het delictgedrag.
De reclassering verwijst voorts naar de risicotaxatie die in het kader van het Detentie- en Re-integratieplan door psychologen van Dienst Justitiële Inrichtingen is verricht. Daaruit kwam naar voren dat het risico op (seksueel) agressief gedrag hoog is wanneer na detentie geen zorg wordt ingezet. De psychologen hebben geadviseerd diagnostiek uit te voeren en betrokkene in een klinische setting te laten behandelen vanwege de ernst van de gedragsproblemen en de verminderde controle over zijn impulsen, emoties en agressie.
De reclassering heeft vervolgens geconcludeerd dat een klinische behandeling binnen het kader van de GVM niet mogelijk is, omdat het NIFP/IFZ een negatieve indicatie voor een dergelijke behandeling heeft afgegeven. De reclassering ziet daarom, na nader onderzoek, geen mogelijkheden meer om invulling te geven aan de GVM. Volgens de reclassering kan zonder een klinische behandeling geen uitvoering worden gegeven aan het benodigde risicomanagement. Bijzondere voorwaarden die de risico’s kunnen beperken zijn daarom niet mogelijk en kunnen niet door de reclassering worden gedragen. Daarnaast heeft de betrokkene aangegeven niet gemotiveerd te zijn voor behandeling en gedragsverandering niet nodig te achten. Volgens de reclassering geeft hij weinig openheid, is hij defensief in contact, stelt hij zich niet begeleidbaar op en is hij uitsluitend gemotiveerd voor begeleiding ten behoeve van huisvesting.
Nadat de rechtbank bij beslissing van 19 februari 2026 de tenuitvoerlegging van de GVM had gelast en daaraan bijzondere voorwaarden had verbonden, heeft de reclassering geprobeerd uitvoering te geven aan het toezicht. In het voortgangsverslag van 30 juni 2026 heeft de reclassering vervolgens bericht dat er geen inhoudelijke invulling van het toezicht heeft plaatsgevonden. Ondanks herhaalde uitnodigingen is de betrokkene niet verschenen op afspraken bij de reclassering. Ook in deze rapportage heeft de reclassering geen aanleiding gezien haar eerder ingenomen standpunt te wijzigen.
De beoordeling van het hof
De last tot tenuitvoerlegging van de GVM is gebaseerd op de grond als genoemd in artikel 6:6:23b, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafvordering, te weten dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de betrokkene wederom een misdrijf zal begaan waarvoor de rechter een GVM kan opleggen.
Voor zover hier van belang moet er gelet op artikel 38z, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht dus gevaar voor herhaling zijn van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Het hier bedoelde gevaar wordt onder meer gestoeld op de risicotaxatie die in het kader van het Detentie- en Re-integratieplan door psychologen van Dienst Justitiële Inrichtingen is verricht. Daaruit kwam naar voren dat het risico op (seksueel) agressief gedrag hoog is wanneer na detentie geen zorg wordt ingezet.
Ter beteugeling van gevaar voor herhaling is eerder in het kader van het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) door Centrale voorziening v.i. van het openbaar ministerie ingezet op klinische behandeling. De betrokkene heeft daaraan niet meegewerkt en voor lief genomen dat aan hem in het geheel geen v.i. is verleend.
Een last tot tenuitvoerlegging van een GVM wordt inhoud gegeven door bij de last voorwaarden op te nemen. Gebleken is dat bij de onderhavige vordering tot tenuitvoerlegging van de GVM de voorwaarden als bedoeld in artikel 6:6:23b, tweede lid, onder a, b en k van het Wetboek van Strafvordering zijn overwogen: middelenverbod met controlemogelijkheid, opneming in een zorginstelling en een meldplicht bij de reclassering. Bereidheid van de betrokkene om mee te werken aan de nakoming van deze voorwaarden is niet aannemelijk. Opneming in een zorginstelling is door de rechtbank niet als voorwaarde gesteld en in beroep heeft de advocaat-generaal die voorwaarde niet meer voorgesteld. Naar het hof begrijpt is de reden daarvoor dat een dergelijke opneming zonder daartoe strekkende indicatie, die ontbreekt, niet mogelijk is. In beroep is ook de voorwaarde van een middelenverbod met controlemogelijkheid in verband met de opstelling van de betrokkene niet meer voorgesteld. De advocaat-generaal heeft voorgesteld bij de last tot tenuitvoerlegging alleen een meldplicht bij de reclassering op te nemen en het alcoholverbod.
Het hof zal de vordering afwijzen en om die reden de bestreden beslissing vernietigen. Het neemt daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking:
  • het is niet uitgesloten dat is voldaan aan het vereiste van artikel 6:6:23b, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafvordering, maar bij de stukken bevindt zich geen verslag van een persoonlijkheidsonderzoek of van een actuele risicotaxatie;
  • de reclassering acht de GVM onuitvoerbaar; voorwaarden inzake middelengebruik en -controle en een meldplicht bij de reclassering bieden volgens de reclassering weinig perspectief op gedragsverandering; dat geldt volgens het hof temeer voor een enkele meldplicht en een alcoholverbod, zoals door de advocaat-generaal voorgesteld, zodat het hof daarvan geen of hooguit minimale toegevoegde waarde ziet in het kader van de beperking van het recidiverisico;
  • de betrokkene is niet bereid tot het naleven van enige voorwaarde en is daarin consistent;
  • de betrokkene heeft het volledige strafrestant van de v.i. uitgezeten; gelet daarop is niet te verwachten dat een vervangende hechtenis van ten hoogste zes maanden in die bereidheid enige verandering zal brengen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigtde beslissing van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2026 met betrekking tot de betrokkene,
[betrokkene] .
Wijst afde vordering tot tenuitvoerlegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.
Aldus gedaan door
mr. O.G. Schuur, voorzitter,
mr. M. Keppels en mr. P.C. Vegter, raadsheren,
en drs. P.K.J. Ronhaar en drs. J. Klumpenaar, raden,
in tegenwoordigheid van mr. I.H. Scharrenberg, griffier,
en op 30 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.