ECLI:NL:GHARL:2026:496

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
200.361.310
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 810a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging machtiging uithuisplaatsing kwetsbare minderjarige

De kinderrechter in de rechtbank Overijssel heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige verlengd tot 13 maart 2026. De minderjarige woont sinds 2023 in een gezinshuis en staat onder toezicht van de gecertificeerde instelling (GI). De moeder is het niet eens met deze verlenging en gaat in hoger beroep.

Het hof heeft de machtiging bekrachtigd omdat de minderjarige niet thuis kan wonen. De moeder stelt dat zij in staat is de zorg te dragen en dat het syndroom van de minderjarige de signalen veroorzaakt, niet de omgang met haar. Het hof acht dit niet aannemelijk, mede vanwege de kwetsbaarheid van de minderjarige en de huidige situatie van de moeder, waaronder het ontbreken van een vaste woonplaats en lopende traumabehandeling.

Het hof toetst het perspectiefbesluit, waarin is vastgesteld dat het opgroeiperspectief niet meer bij de moeder ligt, niet inhoudelijk. Dit dient in een procedure tot beëindiging van het gezag te gebeuren. Ook wijst het hof het verzoek af om een onderzoek naar netwerkplaatsing bij familie, omdat dit te belastend zou zijn voor de kwetsbare minderjarige.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 13 maart 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.361.310
zaaknummer rechtbank Overijssel 328493
beschikking van 29 januari 2026
over de uithuisplaatsing van [minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. R.W. de Gruijl
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI)
die is gevestigd in Amsterdam
en
[de vader](de vader)
die woont in [woonplaats]

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 13 maart 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2020 in [geboorteplaats] .
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] staat onder toezicht van de GI. Hij woont [sinds] 2023 in een [gezinshuis] . Daarvoor woonde hij bij de moeder.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht [minderjarige] langer (tot 13 maart 2026) uit huis te mogen plaatsen.
3.2.
De kinderrechter heeft eerst de machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd voor de duur van zeven maanden – het hof begrijpt: tot 13 oktober 2025 – en daarna tot 13 maart 2026.
3.3.
De kinderrechter heeft ook beslist dat de machtiging tot uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
3.4.
Deze beslissingen zijn vastgelegd in een tussenbeschikking van 10 maart 2025 en de eindbeschikking van 6 oktober 2025 (op schrift gesteld op 15 oktober 2025).

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
4.2.
De GIwil dat de beslissing in stand blijft. [Ook de pleegouders willen dat de beslissing in stand blijft.]
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ingekomen op 11 november 2025, met bijlagen
  • de brief van de raad van 20 november 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
4.4.
De zitting bij het hof was op 23 december 2025. Aanwezig waren:
  • de moeder met mr. J. Koenen, die waarnam voor haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de GI

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind [1] . De kinderrechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken [2] .
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
De machtiging voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] loopt tot 13 maart 2026. De machtiging aan de GI is terecht gegeven, omdat [minderjarige] niet thuis kan wonen. De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof legt dat hierna uit.
5.3.
De moeder is het niet eens met de GI en het oordeel van de kinderrechter dat het opvoedperspectief van [minderjarige] binnen het gezinshuis ligt en niet meer bij haar. Eerst had (verdere) hulpverlening en begeleiding moeten worden ingezet, voordat het perspectiefbesluit werd genomen. Toen tijdens de omgangsmomenten werd vastgesteld dat [minderjarige] onvoldoende draagkracht heeft, is geen rekening gehouden met het [syndroom] van [minderjarige] . Volgens de moeder komen veel van de (zorgelijke) signalen van [minderjarige] voort uit dat syndroom en worden die niet veroorzaakt door de omgang met haar.
De moeder stelt dat zij in staat is de zorg voor [minderjarige] te dragen en dat zij over voldoende opvoedvaardigheden beschikt. Zij kan [minderjarige] een veilige en stabiele opgroeiomgeving bieden, heeft daarvoor ook op andere vlakken stappen gezet en zij staat open voor begeleiding en ondersteuning.
5.4.
Vast staat dat [minderjarige] een kwetsbare jongen is. Hij heeft het [syndroom] waardoor hij te maken heeft met epileptische aanvallen, lage spierspanning en een spraak- en ontwikkelingsachterstand. Dat vraagt om extra opvoedvaardigheden van de moeder. Daarbij is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat de moeder – anders dan op het moment van het indienen van het beroepschrift – momenteel geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Zij heeft recent te maken gehad met problemen in de relationele sfeer en (huiselijk) geweld. Haar traumabehandeling is nog niet afgerond. Dat de moeder in staat is [minderjarige] een veilige en stabiele omgeving te bieden, acht het hof dan ook niet aannemelijk. Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.
5.5.
Voor zover de moeder het hof verzoekt het perspectiefbesluit met betrekking tot [minderjarige] te toetsen, overweegt het hof het volgende. De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking de visie van de GI dat het opgroeiperspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt, onderschreven. Dat betekent dat de kinderrechter het eens is met het standpunt van de GI dat [minderjarige] niet bij de moeder kan wonen.
Dit standpunt van de GI wordt in de praktijk het perspectiefbesluit genoemd. De moeder is het niet eens met dat besluit. Het hof overweegt dat binnen de looptijd van de huidige machtiging tot uithuisplaatsing geen perspectief is op thuisplaatsing van [minderjarige] , maar het hof zal het perspectiefbesluit als zodanig niet (inhoudelijk) toetsen. Een inhoudelijke toets van het perspectiefbesluit dient plaats te vinden in het kader van een procedure tot beëindiging van het gezag.
5.6.
Voor zover het verzoek van de moeder een onderzoek te laten verrichten naar een mogelijke netwerkplaatsing bij haar ouders of haar zus moet worden gezien als een onderzoek in de zin van artikel 810a Rv, zal het hof dat afwijzen. Naar alle waarschijnlijkheid gaat zo’n onderzoek te belastend zijn voor [minderjarige] , gezien zijn kwetsbaarheid, en daarom verzet zijn belang zich daartegen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 6 oktober 2025;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, S. Kuijpers en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, is getekend door mr. Kuijpers en is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 1:265c lid 2 BW.