ECLI:NL:GHARL:2026:501

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
200.360.030/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 810a lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen

De ouders hebben twee kinderen die sinds 11 augustus 2020 onder toezicht staan van de gecertificeerde instelling (GI). De kinderrechter heeft op 22 juli 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 11 augustus 2026. De moeder is tegen deze verlenging in hoger beroep gegaan en verzocht onder meer om een contra-expertise naar haar opvoedvaardigheden.

Het hof stelt vast dat de kinderen sinds mei 2023 bij pleegouders wonen, de grootouders van vaderskant, en dat het noodzakelijk blijft dat zij daar verblijven vanwege ernstige zorgen over de opvoedcapaciteiten van de moeder. Ondanks meerdere hulpverleningspogingen en onderzoeken is de moeder niet in staat gebleken de zorg voor de kinderen op zich te nemen. De moeder heeft onvoldoende probleeminzicht en heeft afspraken niet nagekomen.

Het verzoek van de moeder om een onafhankelijke gedragsdeskundige te benoemen wordt afgewezen omdat het onvoldoende concreet en onderbouwd is, eerdere onderzoeken door haar eigen toedoen niet konden plaatsvinden en het belang van de kinderen zich verzet tegen verder onderzoek. Het hof bekrachtigt de beslissing van de kinderrechter en ziet geen reden om de duur van de uithuisplaatsing te beperken. De kinderen hebben inmiddels stabiliteit en ontwikkeling doorgemaakt bij de pleegouders en accepteren hun situatie.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot 11 augustus 2026 en wijst het verzoek tot benoeming van een contra-expert af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.360.030/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 334206
beschikking van 29 januari 2026
over de uithuisplaatsing van [minderjarige1] en [minderjarige2]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. S. van Beers te Zeist,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel(de GI),
die is gevestigd in Zwolle,
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
en
[pleegouder1] en [pleegouder2](de pleegouders),
die wonen in [woonplaats2] .

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 11 augustus 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben twee kinderen, [minderjarige1] en [minderjarige2] . [minderjarige1] is [in] 2015 geboren en [minderjarige2] is [in] 2017 geboren.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. Zij hebben als gezin in [woonplaats2] gewoond. De relatie van de ouders is in 2017 geëindigd. De moeder en de kinderen zijn toen bij de grootouders van moederskant ingetrokken ( [woonplaats1] ). Sinds 2019 heeft de moeder eigen woonruimte voor haar en de kinderen in [woonplaats1] . De vader is altijd betrokken geweest bij de kinderen. Hij woont nog in [woonplaats2] .
2.3.
De kinderen staan sinds 11 augustus 2020 onder toezicht van de GI. Op 1 mei 2023 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een netwerkpleeggezin verleend. Sinds die datum wonen de kinderen bij de pleegouders in [woonplaats2] ; dit zijn de grootouders van vaderskant.
2.4.
In december 2023 heeft [instelling1] een psychodiagnostisch onderzoek gedaan bij de moeder. Daaruit komt naar voren dat de moeder functioneert op laagbegaafd niveau (TIQ 65-75).
2.5.
De GI heeft ten aanzien van de moeder in oktober 2024 en ten aanzien van de vader in mei 2025 een perspectiefbesluit genomen. De GI heeft besloten dat de kinderen bij de pleegouders opgroeien. De vader is het daarmee eens.
2.6.
De kinderen hebben vanaf maart 2024 elke week drie uur omgang met de moeder.
In september 2024 is [instelling2] gestart met de begeleiding van de omgang bij de moeder thuis. Tijdens de derde omgang is een envelop met drugs gevonden op het aanrecht. Naar aanleiding daarvan is de omgang verplaatst naar de omgangsruimte van [instelling2] . In januari en februari 2025 heeft er een periode geen omgang plaatsgevonden vanwege de persoonlijke situatie van de moeder. Sinds juni 2025 vindt de omgang weer bij de moeder thuis plaats. Sinds oktober 2025 zijn de vaste belmomenten met de moeder op verzoek van de kinderen komen te vervallen en is besloten dat de kinderen zelf op eigen initiatief met de moeder mogen bellen. De kinderen zien de vader regelmatig; zij wonen dicht bij elkaar.
2.7.
De kinderen zijn dit schooljaar begonnen op een school in [woonplaats2] . Tot die tijd zaten zij in [woonplaats1] op school. Voor de aanmelding op de school in [woonplaats2] was een beslissing van de rechter nodig, omdat de moeder geen toestemming wilde geven.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht de kinderen voor nog een periode van een jaar uit huis te mogen plaatsen.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 11 augustus 2026.
3.3.
Die beslissing is, samen met de verlenging van de ondertoezichtstelling, vastgelegd in een beschikking van 22 juli 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de kinderrechter om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil het liefst dat het hof de beslissing van de kinderrechter over de machtiging tot uithuisplaatsing ongedaan maakt en anders de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing verkort. Voor het geval het hof dat niet doet, verzoekt de moeder het hof om de raad of een andere onafhankelijke instantie opdracht te geven om een perspectiefonderzoek uit te voeren. Ter zitting heeft de moeder haar primaire verzoek tot afwijzing van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing ingetrokken.
4.2.
De vaderis het eens met de beslissing van de kinderrechter over de machtiging tot uithuisplaatsing. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter in stand laat.
4.3.
De GIwil dat de beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing in stand blijft. Ook de pleegouders willen dat die beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ingekomen op 1 oktober 2025
  • het verweerschrift van de GI
  • de stukken van de moeder ingediend op 24 oktober 2025
  • de brief van de raad van 16 oktober 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting.
4.5.
[minderjarige1] en [minderjarige2] hebben beiden een brief aan het hof gestuurd. Zij hebben daarin verteld wat zij vinden van de uithuisplaatsing.
4.6.
De zitting bij het hof was op 18 december 2025. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • twee vertegenwoordigers van de GI
  • de pleegouders.

5.Het oordeel van het hof

5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven om de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] . De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoekt [2] .
5.2.
Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] en [minderjarige2] moet worden verlengd tot 11 augustus 2026. Voor de verzorging en opvoeding van de kinderen is en blijft het nog steeds noodzakelijk dat zij bij de pleegouders wonen. Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat een terugplaatsing bij de moeder een onaanvaardbaar risico voor de kinderen met zich zal brengen. Het hof neemt de overwegingen van de kinderrechter over en maakt die - na eigen onderzoek - tot de zijne. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.
5.3
De moeder beseft dat [minderjarige1] en [minderjarige2] niet direct naar huis kunnen. Desondanks is de moeder van mening dat de kinderen bij haar nooit onveilig zijn geweest en dat zij goed in staat is om voor hen te zorgen, net zoals zij dat jaren lang voorafgaand aan de uithuisplaatsing heeft gedaan. Daarmee miskent de moeder dat er ten tijde van de uithuisplaatsing diverse en serieuze signalen waren dat de kinderen werden verwaarloosd. Overigens staat niet ter discussie dat er aan liefde en hechting geen gebrek is. Vanaf het moment dat de moeder met de kinderen zelfstandige woonruimte heeft betrokken zijn er - naast de ex-partnerstrijd tussen de ouders - zorgen ontstaan over de opvoedvaardigheden, beschikbaarheid en draagkracht van de moeder. De moeder had thuis met de kinderen moeite met de dagelijkse routine, het ritme en de structuur. Het lukte de moeder niet om de kinderen op tijd op school te krijgen en weer op te halen en er waren zorgen over de voeding van de kinderen en het middelengebruik van de moeder. Vrijwillige hulpverlening kwam niet van de grond omdat de moeder afspraken steeds afzegde. Meer dan vijf jaar geleden bleek een ondertoezichtstelling nodig om de ontwikkeling van de kinderen te beschermen. Ook tijdens die ondertoezichtstelling kwamen verschillende, in intensiteit oplopende, vormen van hulpverlening niet voldoende van de grond. Voor de betrokken professionals was het lastig om contact met de moeder te krijgen. Ook kwam zij belangrijke afspraken nog steeds vaak niet na. Omdat de zorgen bleven bestaan, de moeder steeds meer uit contact ging en er steeds minder zicht op de kinderen was, bleek na 2,5 jaar toezicht van de jeugdbescherming een uithuisplaatsing van de kinderen onafwendbaar. De moeder heeft de noodzaak van de uithuisplaatsing vanaf de eerste dag bestreden. Dat doet zij nu nog steeds. De uithuisplaatsing is echter steeds getoetst door de kinderrechter en meer dan eens in hoger beroep bekrachtigd.
5.4
De moeder stelt in dit hoger beroep dat zij openstaat voor hulpverlening, ook in de thuissituatie, om meer zicht te geven in en hulp te krijgen bij haar opvoedvaardigheden. Dat heeft de moeder in het verleden vaker gezegd, maar de praktijk wijst uit dat de hulpverlening niet bij de moeder binnenkomt of niet structureel van de grond komt. Er is veelvuldig en langdurig geprobeerd om bij de moeder aan te sluiten, haar te ondersteunen bij het aanleren van nieuwe vaardigheden en haar te helpen om de thuissituatie te verbeteren. Inmiddels is echter sprake van een jarenlange hulpverleningsgeschiedenis waarvan de moeder niet of nauwelijks heeft kunnen profiteren. Toch vindt de moeder dat zij nog een kans moet krijgen om zelf voor haar kinderen te zorgen. Het hof stelt op basis van de stukken vast dat de moeder zowel in de thuissituatie als in de eerste fase na de uithuisplaatsing met behulp van de GI vele kansen heeft gekregen om te laten zien dat zij de opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] zelf kan dragen. Die kansen heeft de moeder niet gegrepen. Het door de GI beoogde ZIG-traject (Zeer Intensieve Gezinsbehandeling) om meer zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de moeder is niet gestart, omdat de moeder niet in contact trad en/of afspraken niet nakwam en de kinderen onvoldoende tijd bij de moeder doorbrachten om zicht te kunnen krijgen op de opvoedvaardigheden van de moeder. De opbouw van de omgang is in een belangrijke fase gestagneerd, omdat het de moeder niet lukte om aan de door de GI gestelde voorwaarden te voldoen ((op tijd) aanwezig zijn op afspraken, gebreken aan de woning herstellen, het op orde maken van de kinderkamers). Vervolgens heeft de GI [instelling3] (Pleegzorg) ingezet voor het afnemen van de zogeheten Beoordelingsboog om de mogelijkheden van thuisplaatsing bij de moeder te onderzoeken. De onderzoeksperiode liep van april tot oktober 2024, waarbij tien omgangsmomenten van drie uren zijn geobserveerd. [instelling3] heeft negatief geadviseerd over thuisplaatsing bij de moeder. De GI is het met [instelling3] eens en heeft vervolgens besloten dat de kinderen verder bij de pleegouders zullen opgroeien.
5.5
De afgelopen jaren laten zien dat het voor de moeder, ook zonder dat zij de volledige zorg voor de kinderen heeft, nog steeds lastig is om afspraken (op tijd) na te komen. Als voorbeeld noemt het hof dat de moeder de inhoudelijke behandeling van de kinderrechter heeft gemist. Zij verscheen pas ter zitting toen de kinderrechter mondeling uitspraak ging doen. Ondanks dat de moeder dat zelf anders ziet, heeft zij niet laten zien dat zij bereid is noodzakelijk geachte hulpverlening te aanvaarden, dat zij leerbaar en gemotiveerd is en dat zij kan aansluiten bij de basale en emotionele behoeftes van [minderjarige1] en [minderjarige2] . In die zin is er aan de kant van de moeder nauwelijks wat veranderd ten opzichte van de zorgelijke situatie aan het begin van de uithuisplaatsing. Het gebrek aan probleeminzicht bij de moeder maakt het voor de GI moeilijk om met haar aan de doelen van de ondertoezichtstelling te werken.
In de wekelijkse omgangsverslagen, zowel van [instelling3] als [instelling2] , valt te lezen dat het voor de moeder lastig is om structuur en duidelijkheid aan te brengen in de bezoeken. Dat dat op basis van de inhoud van de laatste omgangsverslagen beter lijkt te gaan, rechtvaardigt nog niet de conclusie van de moeder dat zij ook in staat is om de volledige zorg voor de kinderen (weer) te dragen. De kinderen zijn nu maar drie uren per week bij de moeder. Dat is niet te vergelijken met de situatie waarin zij als opvoeder 24/7 beschikbaar moet zijn. Daar komt bij dat de kinderen ouder worden en steeds meer gaan vragen van hun opvoeder(s). De kinderen hebben een druk programma. Zij gaan naar school, sport en dyslexietraining en hebben medische afspraken. Het hof heeft niet het vertrouwen dat het de moeder in de thuissituatie nu ineens wel gaat lukken om de kinderen de dagelijkse verzorging en opvoeding te bieden die zij nodig hebben, ook niet met hulpverlening. Sinds kort krijgt de moeder ondersteuning van [instelling4] . Die helpen haar met praktische zaken. Los daarvan is niet gebleken dat de moeder de afgelopen jaren heeft gewerkt aan haar persoonlijke problematiek.
5.6
De moeder heeft het hof subsidiair gevraagd om een deskundige als bedoeld in artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te benoemen. De moeder wil graag dat een onafhankelijke gedragsdeskundige gaat onderzoeken wat haar opvoedvaardigheden zijn en of gekomen kan worden tot terugplaatsing van de kinderen of tot een uitgebreidere omgangsregeling. Op grond van artikel 810a lid 2 Rv benoemt de rechter in zaken als deze op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Een dergelijk verzoek moet voldoende concreet zijn. Het hof zal geen deskundige benoemen. Van belang is allereerst dat het verzoek van de moeder uitsluitend in zeer algemene bewoordingen en niet eenduidig is geformuleerd. Ook is het weinig onderbouwd. Niet duidelijk is geworden waarop het onderzoek zich in deze zaak specifiek zou moeten richten en op welke wijze dat onderzoek zou moeten plaatsvinden. Opmerkelijk is verder dat in het beroepschrift wordt gevraagd om de raad de beoogde
contra-expertise te laten doen, terwijl de raad op verzoek van de GI het voornemen om de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing na twee jaar te verlengen al heeft getoetst en akkoord bevonden. Verder speelt mee dat de GI in deze zaak van alles heeft geprobeerd om de opvoedvaardigheden van de moeder en de daarmee samenhangende mogelijkheid tot terugplaatsing van de kinderen te onderzoeken, maar dat dat door de houding, althans persoonlijke (on)mogelijkheden van de moeder allemaal niet is gelukt. Het hof passeert de stelling van de moeder dat niet is voldaan aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Nu eerdere trajecten en onderzoeken door eigen toedoen van de moeder niet hebben kunnen plaatsvinden, ziet het hof geen aanleiding voor een contra-expertise.
Het hof is verder van oordeel dat de belangen van de kinderen zich verzetten tegen een nader onderzoek. [minderjarige1] en [minderjarige2] hebben duidelijkheid nodig. Het hof is van oordeel dat [instelling3] op basis van de beschikbare informatie een zorgvuldig perspectiefonderzoek heeft gedaan. De periode van onzekerheid die [minderjarige1] en [minderjarige2] kunnen overbruggen zonder ernstige schade in hun ontwikkeling op te lopen is ruimschoots verstreken. De kinderen wonen al meer dan 2,5 jaar bij de pleegouders, waar het goed met hen gaat. [minderjarige1] en [minderjarige2] hebben bij de pleegouders thuis een aantal inhaalslagen gemaakt in hun ontwikkeling, met name op school en op sociaal vlak. De kinderen krijgen bij de pleegouders de structuur en stabiliteit die zij nodig hebben. [minderjarige1] en [minderjarige2] hebben er inmiddels beiden vrede mee dat zij bij de pleegouders blijven wonen. De pleegouders bieden hun die mogelijkheid ook. Daarom ligt het perspectief van de kinderen bij de pleegouders. De uitkomsten van een onderzoek naar de opvoedvaardigheden van de moeder, ook al zijn die positief, zullen dat in de gegeven situatie niet veranderen. Het belang van [minderjarige1] ( bijna 11 ) en [minderjarige2] ( bijna 9 ) bij rust in en zekerheid over hun alternatieve opvoedsituatie is nu van doorslaggevende betekenis.
5.7
Uitbreiding van de omgangsregeling ligt niet ter beoordeling aan het hof voor, zodat enkel dat geen reden is voor de benoeming van een deskundige zoals de moeder wenst. Op de zitting en uit de stukken is het hof gebleken dat uitbreiding van de omgang de aandacht van de GI heeft, net als de noodzaak van de begeleiding. Beide kinderen hebben aangegeven dat de bezoekmomenten wel langer mogen duren. Binnenkort neemt ’ [instelling5] de begeleiding van de omgang over en dan zal worden bezien wat de mogelijkheden zijn. Naast de wekelijkse bezoeken is de moeder welkom bij activiteiten op school en sportwedstrijden en zijn andere uitjes in overleg met de GI ook mogelijk.
5.8
Daarom zal de beslissing van de kinderrechter over de uithuisplaatsing in stand blijven (worden bekrachtigd). Aangezien het perspectief van de kinderen binnen pleegzorg ligt, ziet het hof geen reden om de uithuisplaatsing in duur te beperken.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 22 juli 2025 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] en [minderjarige2] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. C. Coster, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en E. Leentjes, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier en is in het openbaar uitgesproken op
29 januari 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 1:265c lid 2 BW.