ECLI:NL:GHARL:2026:5057

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
21-004314-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen bevrijdingspoging uit penitentiaire inrichting met brandstichting en vernieling

Verdachte heeft samen met drie medeverdachten geprobeerd een gedetineerde uit de penitentiaire inrichting te Zutphen te bevrijden. Hierbij werden hekwerken vernield en een bestelbus in brand gestoken. De actie was zorgvuldig voorbereid met fakkels, gereedschap en vluchtwagens.

Hoewel niet vaststaat dat verdachte wist om welke gedetineerde het ging, was hij zich bewust van de ernst van de situatie en het langdurige karakter van de gevangenisstraf van de gedetineerde. Het hof acht het handelen ernstig en kwalijk vanwege het gebrek aan respect voor de rechtsorde en de maatschappelijke onrust die is veroorzaakt.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot 24 maanden gevangenisstraf. Het hof bevestigt het vonnis, maar vernietigt het deel over de strafoplegging en legt een gevangenisstraf van 24 maanden op, met aftrek van het voorarrest, vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Daarnaast verklaart het hof diverse in beslag genomen goederen verbeurd en beveelt teruggave van voertuigen aan de rechthebbenden. De verdachte en het Openbaar Ministerie worden niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep voor het onderdeel van de vrijspraak op feit 4.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest voor medeplegen van bevrijdingspoging met brandstichting en vernieling.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004314-20
Uitspraakdatum: 30 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 9 november 2020 met parketnummer 05-780005-20 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 30 juni 2026 en 30 juli 2026 (sluiting onderzoek) en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. Scheffer, advocaat te Amsterdam, hebben aangevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Bij inleidende dagvaarding is aan verdachte onder feit 4 opzetheling van een drietal voertuigen tenlastegelegd, te weten:
  • een bestelauto Opel Vivaro-B, met kenteken [kenteken] , en;
  • een personenauto Toyota C-HR, met kenteken [kenteken] , en;
  • een personenauto Volkswagen Golf, met kenteken [kenteken] .
Bij bovengenoemd vonnis is verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 4 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is zowel door verdachte als door de officier van justitie onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staat tegen deze beslissing voor de verdachte geen hoger beroep open. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
De officier van justitie heeft bij appelmemorie het standpunt ingenomen dat het appel zich niet richt tegen de bewezenverklaring en dus niet tegen de voor feit 4 gegeven vrijspraak. Gelet op dat standpunt, en nu ook het hof niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de behandeling van dit feit, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid Sv en het openbaar ministerie bij gebrek aan belang niet ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover het is gericht tegen de vrijspraak voor feit 4.

Het vonnis

De rechtbank heeft bij vonnis van 9 november 2020, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van:
  • medeplegen van poging tot opzettelijk iemand, op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid beroofd, bevrijden (feit 1), en;
  • medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is (feit 2), en;
  • medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen (feit 3);
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank beslist op het beslag.
Verder heeft de rechtbank de benadeelde partij de Staat der Nederlanden niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en bepaald dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden en juiste wijze heeft beslist en zal het vonnis bevestigen behalve voor zover het de strafoplegging (daaronder begrepen de beslissing op het beslag) betreft. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een deels andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Voor wat betreft de overige onderdelen van het vonnis brengt hetgeen in hoger beroep aan de orde is geweest, het hof niet tot andere overwegingen of beslissingen dan de rechtbank zodat het vonnis voor het overige zal worden bevestigd.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarbij heeft de advocaat-generaal rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht verdachte dezelfde straf op te leggen als door de rechtbank is opgelegd. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat de poging tot bevrijding van de gedetineerde zonder geweld heeft plaatsgevonden en dat de redelijke termijn in hoger beroep fors is overschreden.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten geprobeerd een gedetineerde uit de penitentiaire inrichting (hierna: P.I.) [locatie] , locatie [plaats] te bevrijden. Om dit voor elkaar te krijgen hebben zij hekwerken van de P.I. vernield en een bestelbus, die zij voor dat doel tegen een buitendeur van de P.I. hadden geparkeerd, in brand gestoken. Daarbij is sprake geweest van een zorgvuldige voorbereiding. Zo hadden de verdachten fakkels en meerdere soorten geschikt gereedschap bij zich om de hekken te forceren en stonden er (vlucht)auto’s voor hen klaar. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte vooraf wist dat de gedetineerde die zij zouden gaan bevrijden [naam] was, die wegens meervoudige moord is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf en deel uitmaakt van een criminele groepering. Uit de omstandigheid dat de verdachten vanuit [land] naar Nederland zijn afgereisd om door middel van een goed voorbereide actie een gedetineerde te laten ontsnappen uit de P.I., leidt het hof wel af dat verdachte wist dat het om een persoon ging die veroordeeld was tot een langdurige gevangenisstraf én met een netwerk dat in staat is en over de middelen beschikt om een dergelijke bevrijdingsactie te initiëren. Dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte vooraf wist om welke gedetineerde het precies ging, maakt het feit daarom niet minder ernstig of verwijtbaar. Dat het uiteindelijk om [naam] blijkt te zijn gegaan, is een risico dat volgt uit hetgeen verdachte heeft gedaan en dus geheel voor zijn rekening komt.
Het hof vindt het zeer ernstig en zorgwekkend dat verdachte heeft ingestemd met en het uitvoeren van de bevrijdingsactie en aldus met zijn handelen heeft geprobeerd de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing te frustreren. Zijn handelen getuigt van een gebrek aan respect voor de rechtsorde. Het hof neemt dit verdachte kwalijk. Daarnaast hebben verdachten met hun handelen materiële schade voor de P.I. veroorzaakt en voor maatschappelijk onrust gezorgd, zowel in en rond [plaats] , maar ook in de plaatsen waar zij na afloop van de bevrijdingsactie kleding hebben gedumpt en van auto zijn gewisseld, als ook waar zij langs hun vluchtroute zijn geweest en uiteindelijk zijn aangehouden.
Bij de strafoplegging neemt het hof als uitgangspunt dat op het bevrijden van een gevangene, gelet op het bepaalde in artikel 191 van Pro het Wetboek van Strafrecht, een maximale gevangenisstraf van vier jaar staat. Nu de bevrijdingsactie niet is gelukt, is er sprake van een poging. In de wet is bepaald dat het strafmaximum bij een poging met een derde wordt verminderd. Verder houdt het hof bij de strafmaat rekening met de omstandigheid dat de brandstichting van de bestelauto en de vernieling van het hekwerk van de P.I. weliswaar afzonderlijke strafbare feiten zijn en die ook afzonderlijk bewezen zijn verklaard, maar onderdeel uitmaken van een en dezelfde bevrijdingspoging en dus samen één feitencomplex vormen. Het hof is echter van oordeel dat geen sprake is van soortgelijke handelingen die voortkomen uit één ongeoorloofd wilsbesluit zodat het hof dit feitencomplex juridisch gezien niet aanmerkt als een voortgezette handeling, maar als meerdaadse samenloop. Verder weegt het hof bij de strafoplegging mee dat enkel geweld is gebruikt tegen goederen en niet tegen personen en dat de verdachten niet de opdrachtgevers waren van deze bevrijdingspoging, maar slechts de uitvoerenden. Omdat de verdachten allen een essentieel aandeel in en een gelijkwaardige rol hebben gehad bij de bevrijdingspoging, komt het hof bij alle verdachten tot dezelfde strafoplegging.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op het bovenstaande, en in het bijzonder vanwege de ernst van de feiten, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van substantiële duur met zich meebrengt.
Alles afwegende acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Het hof is evenwel van oordeel dat de straf dient te worden gematigd vanwege het feit dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. In hoger beroep is de redelijke termijn met drie jaar, acht maanden en vijftien dagen overschreden. Het hoger beroep is immers ingesteld op 16 november 2020 en dit arrest wordt gewezen op 30 juli 2026. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafmaat en verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, opleggen.

Beslag

De onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen, te weten een zwarte Fostex muts, een zwarte Kenzo pet, een zwart Nike-shirt, een zwarte Nike jas, witte Samsung oordopjes en een zwarte Primark joggingbroek, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. De kledingstukken betreffen voorwerpen waarmee is getracht de opsporing van de bewezenverklaarde misdrijven te belemmeren.
De onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggeven goederen, te weten twee papieren met administratie en/of telefoonnummers, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het bewezenverklaarde is voorbereid.
Ten aanzien van de inbeslaggenomen nog niet teruggegeven auto’s, te weten: een witte Opel; Vivaro, een grijze Toyota C-Hr en een zwarte Peugeot zal de teruggave worden gelast aan de rechthebbenden, zijnde de eigenaren of verzekeraars van de auto’s, nu zich daartegen geen strafvorderlijk belang verzet.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 33, 33a, 45, 47, 57, 157, 191 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Verklaartde verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 tenlastegelegde.
Vernietigthet vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
een zwarte Fostex muts, een zwarte Kenzo pet, een zwart Nike-shirt, een zwarte Nike jas, witte Samsung oordopjes, een zwarte Primark joggingbroek en twee stukken papier met administratie en/of telefoonnummers.
Gelast de
teruggaveaan rechthebbenden van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een Opel Vivaro, een Toyota C-Hr en een Peugeot 308.
Bevestigthet vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige.
Aldus gewezen door
mr. A. van Maanen, voorzitter,
mr. O.G. Schuur en mr. M. van Kuilenburg, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.J.H. van Vliet, griffier,
en op 30 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.