ECLI:NL:GHARL:2026:5062

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
21-000854-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling verkrachting en aanranding minderjarig kind met aangepaste straf en schadevergoeding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 30 juli 2026 het vonnis van de rechtbank Overijssel bevestigd waarin verdachte werd veroordeeld voor meervoudige verkrachting en aanranding van zijn destijds vijfjarige dochter. Het hof vernietigde echter het deel van het vonnis betreffende de strafoplegging en de maatregelen en legde een aangepaste straf op.

Verdachte heeft gedurende ruim drie maanden ernstige seksuele handelingen verricht jegens zijn dochter, waaronder vaginaal en oraal binnendringen. Ondanks verhoren kon verdachte niet verklaren waarom hij tot deze gedragingen kwam. Het hof achtte de feiten volledig aan verdachte toe te rekenen en benadrukte de ernstige impact op het slachtoffer, die blijvende mentale klachten en gedragsveranderingen vertoont.

Op advies van een klinisch psycholoog en de reclassering legde het hof een gevangenisstraf van 42 maanden op, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer gedurende drie jaar. De vordering tot immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij werd toegewezen tot een bedrag van €10.000, gestort op een geblokkeerde rekening met BEM-clausule.

Het hof verwierp het verzoek tot oplegging van een gedragsbeïnvloedende maatregel en benadrukte dat de bijzondere voorwaarden voldoende zijn om het recidiverisico te beperken. De straf en maatregelen zijn gebaseerd op relevante artikelen uit het Wetboek van Strafrecht. Het arrest werd uitgesproken door mr. M.B. de Wit, mr. H.J. Deuring en mr. M.C. van Linde.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf waarvan 12 maanden voorwaardelijk en toewijzing immateriële schadevergoeding van €10.000 aan het minderjarige slachtoffer.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000854-26
Uitspraakdatum: 30 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 2 maart 2026 met parketnummer 08-201529-25 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
op dit moment verblijvende in [locatie P.I. ] , loc. [locatie] te [plaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 juli 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest, en dat aan verdachte een gedragsbeïnvloedende maatregel wordt opgelegd.
Verder heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 15.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.W. Baan, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. M. Adolfs, hebben aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 2 maart 2026, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest. Verder heeft de rechtbank aan verdachte een gedragsbeïnvloedende maatregel opgelegd. De vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 15.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank Overijssel op juiste gronden heeft beslist met betrekking tot de bewezenverklaring. De verweren die in hoger beroep met betrekking tot de bewezenverklaring zijn gevoerd, zijn in de kern gelijk aan de verweren die in eerste aanleg naar voren zijn gebracht. De rechtbank heeft deze verweren gemotiveerd verworpen. Het hof verenigt zich met de motivering van de rechtbank en volstaat ermee de verweren te verwerpen met een verwijzing naar de motivering van de rechtbank, zij het dat die op een onderdeel zal worden aangevuld. Ook de beslissingen van de rechtbank met betrekking tot de strafbaarheid van de feiten, de kwalificaties en de strafbaarheid van verdachte zijn juist. Het hof zal het vonnis in zoverre dan ook bevestigen, met aanvulling van gronden.
Ten aanzien van de oplegging van de straf, de maatregelen en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij komt het hof tot andere beslissingen dan de rechtbank. Die onderdelen van het vonnis zal het hof dus vernietigen.

Aanvullend bewijsmiddel

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte van 3 juli
2025, uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland ONRBC25233 (Maladeta),
doorgenummerde pagina 71 e.v., voorzover inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik heb een dochter [slachtoffer] (5)

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich in een periode van ruim drie maanden meerdere keren schuldig gemaakt aan verkrachting en aanranding van zijn dochter [slachtoffer] , destijds een vijfjarige kleuter.
Verdachte heeft vergaande seksuele handelingen bij [slachtoffer] verricht, waaronder het vaginaal en oraal binnendringen van haar lichaam met zijn geslachtsdeel. Voor deze handelingen heeft hij beperkt openheid van zaken gegeven en slechts deels verantwoordelijkheid genomen. Verdachte heeft in geen van zijn verhoren kunnen verklaren waarom hij tot zijn bewezen verklaarde handelen is gekomen. Het seksueel misbruik is gestopt nadat [slachtoffer] over het seksueel misbruik heeft verteld aan haar opa en oma en niet op initiatief van verdachte zelf. Kennelijk heeft hij bij herhaling zijn eigen behoeften vooropgesteld boven het welzijn van [slachtoffer] en ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zij in hem, als vader, had.
Seksueel misbruik maakt niet alleen op grove wijze inbreuk op de lichamelijke integriteit van slachtoffers, maar de ervaring leert dat de slachtoffers nog lang mentale klachten kunnen ondervinden als gevolg van gevoelens van schaamte, angst en onveiligheid die zijn veroorzaakt door het seksueel misbruik. Bij minderjarige slachtoffers betekent dit veelal dat de normale seksuele ontwikkeling wordt verstoord. [slachtoffer] zal in haar verdere leven blijvend worden geconfronteerd met het feit dat de eerste persoon met wie zij seksueel contact heeft gehad, haar eigen vader is.
Ter zitting in hoger beroep is door de advocaat van de benadeelde partij een toelichting gegeven op het verzoek tot schadevergoeding. Daarbij is naar voren gebracht dat de impact van het misbruik groot is en dat zich bij [slachtoffer] gedragsveranderingen voordoen, die verband houden met haar emotieregulatie. Zij zoekt voortdurend grenzen op en is aan het onderzoeken wie ze kan vertrouwen. [slachtoffer] heeft neurotherapie gehad en ontvangt passende hulp van Accare, waarbij nog wordt onderzocht welke vorm van traumabehandeling ze zal moeten volgen.
Het hof heeft gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 15 juni 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Verder heeft het hof kennisgenomen van een Pro Justitia-rapport van 15 december 2025. De klinisch psycholoog heeft bij verdachte geen stoornis vastgesteld, maar wel geconstateerd dat hij een problematische copingstijl hanteert en weinig zicht heeft op zijn gevoelens. Het hof ziet daarin – anders dan de psycholoog adviseert – geen aanleiding om het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Daarbij neemt het hof enerzijds in aanmerking dat bij verdachte geen stoornis is vastgesteld en anderzijds dat de problematische copingstijl niet heeft afgedaan aan het inzicht van verdachte in het grensoverschrijdende karakter van zijn gedragingen, zo blijkt uit zijn verklaringen. De klinisch psycholoog acht aannemelijk dat die problematische copingstijl en het weinig zicht hebben op eigen gevoelens in enige mate een rol hebben gespeeld bij het bewezenverklaarde. Daarbij schrijft de klinisch psycholoog te menen dat verdachte nog enige vrijheid van denken, voelen en handelen had, maar dat dit niet afdoende was om tot andere keuzes te komen. Voor de conclusie dat verdachte niet tot andere keuzes kon komen ziet het hof onvoldoende onderbouwing en het hof acht dit bezien in het licht van het dossier en hetgeen is besproken ter terechtzitting ook niet aannemelijk. In de omstandigheid dat de problematische copingstijl en het weinig zicht hebben op de eigen gevoelens mogelijk in enige mate een rol heeft gespeeld, ziet het hof alles overziend geen reden verdachte slechts in beperkte mate verantwoordelijk te houden voor zijn gedragingen. Naar het oordeel van het hof kunnen de feiten volledig aan verdachte worden toegerekend.
De klinisch psycholoog adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan in elk geval reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde verbonden. In overweging wordt gegeven om daarnaast met (ambulante) behandeling in te zetten op het versterken van de probleemoplossende vaardigheden.
Het hof heeft verder kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 23 december 2025 en een aanvulling daarop van 14 juli 2026. De reclassering schat, evenals de klinisch psycholoog, de kans op recidive in als laaggemiddeld. Normaal gesproken adviseert de reclassering geen reclasseringsinterventies bij een laag recidiverisico, maar volgens de reclassering zal het risico op herhaling verder worden verkleind als een kortdurende forensische behandeling wordt ingezet. Het advies is daarom om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, vermijden van contact met zijn dochter en het geven van toestemming voor het raadplegen van referenten. Verdachte heeft verklaard open te staan voor behandeling om nieuw delictgedrag te voorkomen.
Gelet op de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, is het hof van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof heeft bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf met name gelet op de aard van de bewezen verklaarde gedragingen, de leeftijd van het slachtoffer en de pleegperiode. In het licht daarvan acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden passend en geboden. Het hof acht het van belang dat verdachte behandeling ondergaat om het risico op herhaling te beperken, temeer nu verdachte zegt niet te weten waarom hij tot het bewezenverklaarde is gekomen. Daarom zal het hof 12 maanden van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, met daaraan verbonden als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met [slachtoffer] gedurende een proeftijd van 3 jaren.
Hoewel de reclassering in haar rapporten als inkleding van de bijzondere voorwaarde heeft geadviseerd dat contact tussen verdachte en zijn dochter onder toezicht van een volwassene mogelijk moet blijven, is ter zitting in hoger beroep gebleken dat contact op dit moment voor [slachtoffer] onwenselijk is. Het hof acht het daarom aangewezen om op dit moment een algeheel en onverkort contactverbod als bijzondere voorwaarde op te nemen. Daarbij merkt het hof op dat, indien binnen de proeftijd mocht blijken dat het gewenst is om toch contact tussen verdachte en zijn dochter tot stand te brengen, het altijd mogelijk is voor het openbaar ministerie of verdachte om wijziging van de voorwaarden door de rechter te verzoeken.
Het hof ziet geen aanleiding om de eveneens geadviseerde voorwaarde van toestemming voor het raadplegen van referenten op te leggen en zal dit dus achterwege laten.
Het hof zal ten slotte – anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd en de rechtbank heeft opgelegd - geen gedragsbeïnvloedende maatregel aan verdachte opleggen. Naar het oordeel van het hof worden met oplegging van de hiervoor besproken bijzondere voorwaarden de risico’s op herhaling voldoende ingeperkt.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 15.000,- ingediend, betreffende immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd.
Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 6:106, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek slechts een vergoeding voor immateriële schade kan worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Hiervan is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in persoon op andere wijze sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept, de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Door zijn handelen heeft verdachte een dusdanige inbreuk op een fundamenteel recht - het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer - gemaakt, dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek dient te worden beschouwd. De vordering is daarom voor toewijzing vatbaar.
Bij de begroting van de hoogte van de schade heeft het hof aansluiting gezocht bij categorie 15.2, onder b, van de zogeheten ‘Rotterdamse Schaal.’ Op grond daarvan is een schadevergoeding in de bandbreedte van € 6.000,- tot € 12.500,- geïndiceerd. Gelet op alle omstandigheden van dit geval stelt het hof de immateriële schadevergoeding in de onderhavige zaak naar billijkheid vast op een bedrag van € 10.000,-. Het hof zal de vordering tot dat bedrag toewijzen en de benadeelde partij wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Het hof zal voorts, omdat de benadeelde nog minderjarig is, bepalen dat de aan haar te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van de haar te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM (Belegging, Erfenis en andere gelden
Minderjarigen)-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de
belangen van de minderjarige. De minderjarige en de wettelijke vertegenwoordiger kunnen
daarom slechts met toestemming van de kantonrechter hierover beschikken tot zij 18 jaar is.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 249, 250 en 254 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en maatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
42 (tweeënveertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • verdachte zich na uitnodiging bij de Reclassering Nederland meldt op de door hen aangegeven tijdstippen en locaties, en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak, zolang en waar de reclassering dat nodig vindt. Dit kan ook huisbezoeken inhouden. Verdachte volgt de aanwijzingen op die hem door of namens de reclassering gegeven worden, voor zover niet reeds in andere voorwaarden benoemd.
  • verdachte zich ambulant (zonder opname) gedurende de proeftijd laat behandelen door [kliniek] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag en het bevorderen van een verbeterde copingstijl.
  • verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2019.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
  • meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 10.000,- (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,- (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 75 (vijfenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 februari 2025.
Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden
gestort op een op naam van [slachtoffer] (geboren op 13 september 2019) te openen
bankrekening met een BEM-clausule.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. H.J. Deuring en mr. M.C. van Linde, in aanwezigheid van de griffier, D.D. Drost, en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 30 juli 2026.