Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 3 februari 2026 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 28 mei 2025. Verdachte werd veroordeeld voor verkrachting van een minderjarige tussen twaalf en zestien jaar, aanranding van een minderjarige onder twaalf jaar, en (poging tot) gekwalificeerde opzetaanranding, allen voorafgegaan door en vergezeld van dwang en geweld.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 42 maanden op, met aftrek van voorarrest, en een vrijheidsbeperkende maatregel van drie jaar, waaronder een contactverbod en locatieverbod. De vordering van een van de benadeelden werd toegewezen, terwijl de andere vordering deels werd afgewezen en in hoger beroep naar beneden bijgesteld.
Het hof heeft het bewijs aangevuld met de bekennende verklaring van verdachte tijdens de zitting van 20 januari 2026, waarin hij het eerste feit bekende. De bewijsverweren in hoger beroep faalden, en het hof zag geen reden om af te wijken van de straf en de beslissingen over de vorderingen.
Het vonnis is derhalve in zijn geheel bevestigd met de bewijsaanvulling, waarbij de straf en vrijheidsbeperkende maatregelen ongewijzigd blijven.