ECLI:NL:GHARL:2026:567

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
200.355.066/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:392 BWArt. 21 RvArt. 2.1.2 Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vaststelling kinderalimentatie blijft zonder succes

De rechtbank Gelderland heeft vastgesteld dat de man kinderalimentatie moet betalen aan de vrouw voor hun minderjarige kind, met verschillende bedragen voor drie periodes. De man ging in hoger beroep en verzocht het hof om de alimentatie te verlagen of af te wijzen.

Het hof oordeelt dat de man onvoldoende informatie heeft verstrekt om de behoefte van het kind en zijn draagkracht anders vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan. Zijn argument dat alleen het inkomen van de vrouw moet worden meegewogen, is onvoldoende onderbouwd. Ook heeft hij geen recente inkomensgegevens of draagkrachtberekening overgelegd.

Daarom bekrachtigt het hof de beschikking van de rechtbank. Omdat de man onnodig kosten heeft veroorzaakt door het instellen van hoger beroep zonder voldoende financiële informatie te verstrekken, wordt hij veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de rechtbankbeslissing dat de man kinderalimentatie moet betalen en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.066
(zaaknummer rechtbank Gelderland 421947)
beschikking van 3 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker](de man)
die woont in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam1]
advocaat: mr. B.C. van Hees
en
[verweerder](de vrouw)
die woont in [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam2]
advocaat: mr. Ş. Ayangil.

1.Samenvatting

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft beslist dat de man kinderalimentatie voor hun kind [minderjarige] aan de vrouw moet betalen. De rechtbank heeft daarbij drie periodes onderscheiden en voor elke periode een ander bedrag vastgesteld.
Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

De man en de vrouw zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2021.
[minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De vrouw heeft de rechtbank verzocht om vaststelling van kinderalimentatie voor [minderjarige] van€ 735,- per maand vanaf 1 maart 2022.
3.2.
De rechtbank heeft beslist dat de man:
  • van 7 juli 2023 tot en met 31 december 2023 € 570,- per maand
  • van 1 januari 2024 tot en met 10november 2024 € 582,- per maand
  • vanaf 1 januari 2025 € 310,- per maand
aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, de bedragen in de toekomst steeds bij vooruitbetaling te voldoen.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 18 februari 2025.
4.1.
De procedure bij het hof
4.1.
De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en het verzoek van de vrouw alsnog afwijst, dan wel bepaalt dat de man vanaf 18 februari 2025 of 6 september 2024 € 11,-, € 46,- of een ander lager bedrag per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. De man verzoekt ook veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
4.2.
De vrouw is het niet eens met de man. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift
  • de stukken van de man ingediend op 5 december 2025.
4.4.
De zitting bij het hof was op 16 december 2025. Aanwezig waren:
  • de man met zijn advocaat
  • de vrouw met haar advocaat.

5.De overwegingen voor de beslissing

Wat staat in de wet?
5.1.
Ouders zijn verplicht tot het verstrekken van levensonderhoud aan hun minderjarige kinderen (artikel 1:392 van Pro het Burgerlijk Wetboek).
5.2.
Partijen hebben de plicht de feiten die voor de beslissing van belang zijn volledig en naar waarheid aan te voeren. Als partijen deze verplichting niet naleven, dan kan de rechter daaraan de conclusies verbinden die hij raadzaam vindt (artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
Oordeel hof
5.3.
Het hof is van oordeel dat de man de door de rechtbank vastgestelde alimentatie voor [minderjarige] moet blijven betalen. Het hof heeft daarvoor de volgende redenen.
5.4.
De man heeft het hof onvoldoende informatie gegeven om de behoefte en de draagkracht op een andere manier vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan. Zo is het standpunt van de man dat bij het berekenen van de behoefte van [minderjarige] alleen moet worden uitgegaan van het inkomen van de vrouw onvoldoende onderbouwd. De door de man gemaakte vergelijking met de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 12 juli 2000 [1] is daarvoor onvoldoende en gaat bovendien niet op: zoals de door de vrouw overgelegde foto’s van de man met de vrouw en [minderjarige] aantonen, heeft de man - in tegenstelling tot de situatie in de hiervoor genoemde beschikking - deel uitgemaakt van het leven van [minderjarige] . Er is dan ook geen enkele reden af te wijken van het door de rechtbank gehanteerde uitgangspunt de inkomens van de man en de vrouw te betrekken bij het bepalen van de behoefte van [minderjarige] .
5.5.
Ook voor het standpunt van de man dat hij geen draagkracht heeft om kinderalimentatie voor [minderjarige] te betalen, ontbreekt een voldoende onderbouwing met stukken. Zo heeft de man in hoger beroep geen jaaropgave 2024 verstrekt en ontbreken zijn loonstroken uit 2025 evenals een draagkrachtberekening ter onderbouwing van zijn standpunt. Zonder voldoende recente inkomensgegeven en met alleen bewijsstukken van schulden die de man zou hebben, kan het hof de draagkracht van de man niet op een andere manier vaststellen dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof verwijst in dit verband ook naar artikel 2.1.2 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, waarin een opsomming is gegeven van de door een partij te verschaffen financiële informatie als partijen het niet met elkaar eens zijn over de behoefte of de draagkracht.
5.6.
De grieven falen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen. Dat betekent dat de man de kinderalimentatie voor [minderjarige] moet blijven betalen zoals de rechtbank heeft vastgesteld.
5.7.
Aangezien de man de vrouw onnodig op kosten heeft gejaagd door wel hoger beroep in te stellen, maar geen inzage te (willen) geven in zijn huidige financiële situatie, zodat op voorhand al voor hem (en zijn advocaat) duidelijk had moeten zijn dat bij betwisting door de vrouw zijn standpunten in hoger beroep geen kans van slagen hadden, zal het hof de man veroordelen in de proceskosten van dit hoger beroep. Het hof begroot die kosten op € 1.228,- aan salaris volgens het liquidatietarief (2 procespunten x het toepasselijke tarief hoger beroep (tarief II) van € 614,- per punt) en € 362,- aan griffierecht.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 18 februari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
veroordeelt de man in de kosten van deze procedure van € 1.228,- aan salaris volgens het liquidatietarief en € 362,- aan griffierecht;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, S. Kuijpers en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 3 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.