ECLI:NL:GHARL:2026:580

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
200.356.327/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie: vaststelling draagkracht en behoefte minderjarige

De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland inzake kinderalimentatie voor een minderjarige geboren in 2024. De vrouw vordert een bijdrage van € 485,- per maand van de man, die geen verweer voerde in eerste aanleg. Het hof stelt de ingangsdatum van de alimentatie vast op de geboortedatum van het kind.

Het hof beoordeelt dat de man en vrouw niet in gezinsverband hebben geleefd en bepaalt de behoefte van het kind op basis van de inkomens van beide ouders. De behoefte wordt vastgesteld op € 218,- per maand in 2024, oplopend tot € 243,- in 2026. De draagkracht van de vrouw wordt berekend op € 136,- per maand, die van de man op € 25,- tot 1 september 2025 en daarna op een fictieve verdiencapaciteit van € 116,- en € 121,50.

Het hof concludeert dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat hij niet in staat is om meer te verdienen en dat hij zich onvoldoende inspant om in de onderhoudsbehoefte te voorzien. Daarom wordt de zorgkorting niet toegepast. Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en bepaalt de alimentatiebedragen conform de draagkrachtberekeningen.

Uitkomst: Het hof stelt de kinderalimentatie vast op een lager bedrag, rekening houdend met de draagkracht van de man en de behoefte van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.327
(zaaknummer rechtbank Gelderland 446225)
beschikking van 3 februari 2026
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. B. Eijgelsheijm,
en
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. N.R. Breman-Kleine.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 28 maart 2025, uitgesproken onder zaaknummer 446225, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 27 juni 2025;
  • het verweerschrift met producties;
  • een journaalbericht namens de vrouw van 24 november 2025 met een productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 5 december 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat,
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw zijn de ouders van [minderjarige] , die is geboren [in] 2024.
3.2
De man heeft [minderjarige] erkend. [minderjarige] woont bij de vrouw.
3.3
De vrouw heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de man € 485,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) aan haar dient te betalen en wel met ingang van [datum] 2024. dan wel 28 november 2024, dan wel een bedrag vast te stellen met ingang van een datum als de rechtbank juist oordeelt.
Dit verzoekschrift is door de rechtbank op 14 januari 2025 ontvangen.
3.4
De man heeft in de procedure bij de rechtbank geen verweer gevoerd.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van [datum] 2024 vastgesteld op € 485,- per maand.
4.2
De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof om deze beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de door hem te betalen kinderalimentatie vast te stellen op € 25,- per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.
4.3
De vrouw voert verweer. De vrouw vraagt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep dan wel dit verzoek af te wijzen dan wel een bijdrage vast te stellen met ingang van [datum] 2024 als het hof juist oordeelt.

5.De motivering van de beslissing

Ingangsdatum
5.1
Artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
5.2
Het hof hanteert als ingangsdatum van de onderhoudsverplichting de geboortedatum van [minderjarige] , dus [geboortedatum] 2024. De man heeft [minderjarige] voorafgaand aan zijn geboorte erkend en zou daarmee op de hoogte moeten zijn geweest van zijn onderhoudsverplichting ten opzichte van [minderjarige] . Daarbij komt dat de vrouw de man vrij kort na de geboorte van [minderjarige] de man al heeft gevraagd een onderhoudsbijdrage voor [minderjarige] te betalen.
Behoefte
5.3
Het hof dient allereerst vast te stellen of partijen met elkaar in gezinsverband hebben geleefd. De vrouw meent dat dit het geval is, maar stelt ook dat de samenwoning voor de geboorte van [minderjarige] is verbroken. Daaruit leidt het hof af dat de man, de vrouw en [minderjarige] niet met elkaar in gezinsverband hebben geleefd.
5.4
De expertgroep adviseert in 3.2.5 van het Rapport Alimentatienormen januari 2025 in die situatie het volgende:

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.
5.5
Het hof zal de behoefte van [minderjarige] vaststellen op basis van de inkomensgegevens van eind 2024, omdat in die tijd de relatie van partijen is beëindigd.
5.6
De man ontving op dat moment een Ziektewet-uitkering van € 540,- bruto per week (productie 3 bij het beroepschrift). Anders dan de man in zijn berekening heeft gedaan, vermeerdert het hof deze uitkering niet met vakantietoeslag. Ziektewet-uitkeringen van het UWV zijn inclusief 8% vakantiegeld.
Blijkens de aangehechte behoefteberekening bedraagt het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op basis van dit inkomen € 1.737,- per maand. Op basis van het inkomen van de man bedroeg de behoefte van [minderjarige] in 2024 € 188,- per maand.
5.7
De vrouw ontving eind 2024 een WAZO-uitkering (Wet Arbeid en Zorg) van € 493,- bruto per week. Het vakantiegeld is al inbegrepen bij deze uitkering, zodat dit niet afzonderlijk bij de uitkering wordt opgeteld. Het NBI wordt wel vermeerderd met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Blijkens de aangehechte behoefteberekening bedraagt het NBI van de vrouw op basis van het voorgaande € 1.622,- per maand. De behoefte van [minderjarige] op basis van de inkomensgegevens van de vrouw in 2024 bedroeg € 248,- per maand.
5.8
Overeenkomstig de aanbevelingen van de expertgroep zal het hof het gemiddelde van de behoefte bij de man en de behoefte bij de vrouw als uitgangspunt nemen. Dat betekent dat de behoefte van [minderjarige] in 2024 € 218,- per maand was. Na indexering bedraagt de behoefte van [minderjarige] in 2025 € 232,- per maand en in 2026 € 243,- per maand.
Draagkracht vrouw
5.9
Het hof becijfert de draagkracht van de vrouw aan de hand van de door de vrouw overgelegde uitkeringsspecificaties van juni 2025 (productie A bij het verweerschrift). Hieruit blijkt dat de vrouw een Ziektewetuitkering ontvangt van € 506,45 bruto per week. Zoals hiervoor al is overwogen, is in de Ziektewetuitkering de vakantietoeslag al inbegrepen.
5.1
Blijkens de aangehechte draagkrachtberekening bedraagt het NBI van de vrouw op basis van deze gegevens € 2.149,- per maand en haar draagkracht € 136,- per maand.
Draagkracht man tot 1 september 2025
5.11
De man ontving tot 1 september 2025 een WW-uitkering van € 2.155,60 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag (productie 8 bij het beroepschrift). Op basis van dit inkomen bedroeg het NBI van de man € 1.750,- per maand en was zijn draagkracht € 25,- per maand.
5.12
De man en de vrouw beschikken samen over onvoldoende draagkracht om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. Daarom kan de zorgkorting niet worden verzilverd. Met andere woorden: de draagkracht van de man wordt niet verminderd met de zorgkosten die hij voor [minderjarige] maakt.
Draagkracht man met ingang van 1 september 2025
5.13
Sinds half september 2025 werkt de man met een nul-urencontract gemiddeld 20 uur per week bij een klantcontactcentrum. De man hoopt die uren uit te breiden, maar dat was ten tijde van de mondelinge behandeling op 5 december 2025 nog niet het geval. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zijn inkomen vergelijkbaar is met de hoogte van zijn WW-uitkering, maar hiervan heeft hij geen stukken overgelegd.
5.14
Het hof overweegt dat de man onderhoudsplichtig is om (samen met de vrouw) te voorzien in de behoefte van [minderjarige] . Dat betekent dat van de man mag worden verwacht dat hij zich inspant om zo veel mogelijk in die behoefte te voorzien. Daarvan is in deze situatie naar het oordeel van het hof (nog) niet gebleken. De man heeft weliswaar gesteld dat hij met zeven instanties te maken heeft waar hij tijdens kantooruren afspraken mee heeft, maar de man heeft deze stelling op geen enkele wijze nader onderbouwd. Evenmin heeft de man onderbouwd waarom hij niet in staat kan worden geacht om meer dan twintig uur per week te werken. Tot slot heeft de man geen inzage gegeven in zijn huidige inkomen, terwijl hij ten tijde van de mondelinge behandeling al twee maanden bij zijn huidige werkgever werkte. Het had op de weg van de man gelegen om bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst, salarisstrook of bankafschrift over te leggen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hof het huidige inkomen van de man niet kan vaststellen en dus moet uitgaan van een verdiencapaciteit. Het hof neemt in deze situatie aan dat de man in staat moet worden geacht om te voorzien in de helft van de behoefte van [minderjarige] , dus € 116,- per maand in 2025 en € 121,50 per maand in 2026. De man heeft niet, of in ieder geval onvoldoende, onderbouwd dat hij hiertoe niet in staat is. Doordat het hof uitgaat van een fictieve verdiencapaciteit kan de man geen aanspraak maken op zorgkorting.

6.De slotsom

Op grond van wat hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7.Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een berekening van de behoefte van [minderjarige] , de draagkracht van de vrouw en de draagkracht van de man tot 1 september 2025 gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 28 maart 2025 en, opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal betalen:
  • € 25,- per maand met ingang van [datum] 2024;
  • € 116,- per maand met ingang van 1 september 2025; en
  • € 121,50 per maand met ingang van 1 januari 2026;
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, S. Kuijpers en C.M. Schönhagen en is op 3 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.