ECLI:NL:GHARL:2026:584

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
200.356.180/01 en 200.360.422/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige ondanks beperkte medewerking

De moeder van een minderjarige geboren in 2009 is het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter die een machtiging tot uithuisplaatsing en de verlenging daarvan heeft verleend. De minderjarige staat sinds september 2023 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) en verblijft sinds april 2025 in een behandelgroep. De GI verzocht de kinderrechter om machtiging tot uithuisplaatsing, welke werd verleend en later verlengd.

De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissingen. Het hof heeft de stukken bestudeerd, waaronder brieven van de Raad voor de Kinderbescherming en een brief en telefonisch contact van de minderjarige zelf. De zitting vond plaats via videoverbinding vanwege weersomstandigheden.

Het hof oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing terecht is verleend omdat er ernstige zorgen waren over het welzijn van de minderjarige, die zich terugtrok, geen hulp toeliet en niet naar school ging. De verlenging is eveneens terecht omdat de minderjarige nog niet thuis kan wonen en weigert medewerking aan behandeling. Wel zijn er kleine positieve ontwikkelingen tijdens verlofmomenten thuis.

Het hof bekrachtigt de beslissingen van de kinderrechter en wijst het beroep van de moeder af. Het belang van de minderjarige staat voorop en een onmiddellijke terugkeer naar huis wordt als niet wenselijk gezien. De GI zal een route uitstippelen voor een stapsgewijze thuisplaatsing, afhankelijk van medewerking van de minderjarige.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing en de verlenging daarvan en wijst het beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummers gerechtshof 200.356.180/01 en 200.360.422/01
(zaaknummers rechtbank Overijssel 330436 en 335974)
beschikking van 3 februari 2026
over de uithuisplaatsing van [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. E. Schriemer in Zwolle
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel(de GI),
die is gevestigd in Zwolle.

1.Samenvatting

In de zaak met zaaknummer 200.356.180/01
De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft een machtiging gegeven om [de minderjarige] uit huis te plaatsen van 27 maart tot 11 september 2025.
In de zaak met zaaknummer 200.360.422/01
De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft de machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen verlengd tot 11 maart 2026.
Het hof beslist dat dat in beide zaken zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder heeft het gezag over [de minderjarige] , geboren [in] 2009. De moeder heeft nog twee zonen die bij haar wonen en een dochter, die tot augustus 2025 bij haar woonde. [de minderjarige] heeft af en toe contact met haar vader.
2.2.
[de minderjarige] staat sinds 11 september 2023 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is verlengd tot 11 september 2026.
2.3.
Op 20 september 2024 heeft de kinderrechter de GI gemachtigd om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de periode van zes maanden. Omdat er op dat moment geen passende accommodatie voor [de minderjarige] beschikbaar was, is deze machtiging niet uitgevoerd, en verlopen.
2.4.
[de minderjarige] verblijft vanaf 1 april 2025 bij een behandelgroep van [naam1] (locatie [naam2] ) in [plaats] .
2.5.
Sinds november 2025 is [de minderjarige] van donderdag tot maandag thuis bij de moeder. [naam3] komt in de thuissituatie twee keer per week langs.

3.De procedures bij de kinderrechter

In de zaak met zaaknummer 200.356.180/01
3.1.
De GI heeft de kinderrechter op 10 maart 2025 verzocht [de minderjarige] uit huis te mogen plaatsen gedurende dag en nacht in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de GI gemachtigd om [de minderjarige] uit huis te plaatsen tot 11 september 2025.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 27 maart 2025.
In de zaak met zaaknummer 200.360.422/01
3.4.
De GI heeft de kinderrechter verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.5.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI gedeeltelijk toegewezen en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 11 maart 2026 en de beslissing over het resterende deel aangehouden tot de mondelinge behandeling van 5 maart 2026.
3.6.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 2 september 2025.

4.De procedures bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter. Zij komt van beide beslissingen in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissingen van de kinderrechter over de machtiging tot uithuisplaatsing in beide zaken vernietigt en de verzoeken van de GI alsnog afwijst.
4.2.
De GI wil dat de beslissingen in beide zaken in stand blijven.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
In de zaak met zaaknummer 200.356.180/01
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift
  • de brieven van de Raad voor de Kinderbescherming (de raad) van 31 oktober 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
  • de stukken van de moeder ingediend op 22 augustus 2025 en 15 oktober 2025
In de zaak met zaaknummer 200.360.422/01
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift
  • een brief van de raad van 28 oktober 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
In beide zaken
4.4.
[de minderjarige] heeft een brief geschreven in de zaak met zaaknummer 200.356.180/01, en heeft op 5 januari 2026 telefonisch gesproken met een raadsheer en griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de uithuisplaatsing.
4.5.
De zitting bij het hof was op 8 januari 2026. Vanwege de weersomstandigheden heeft de zitting via een videoverbinding plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat en een tolk
  • twee vertegenwoordigers van de GI
Ter zitting heeft de advocaat van de moeder mede het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota, die hij op voorhand heeft overgelegd.

5.Het oordeel van het hof

5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] . De kinderrechter kan een machtiging ook verlengen.
In de zaak met zaaknummer 200.356.180/01
5.2.
De machtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] liep van 27 maart 2025 tot 11 september 2025 en is dus al verlopen. Toch moet het hof nog toetsen of de machtiging wel mocht worden gegeven.
5.3.
De kinderrechter heeft terecht de machtiging aan de GI gegeven. Er bestonden ernstige zorgen om [de minderjarige] . Zij sloot zich regelmatig op in haar kamer, blokkeerde de deur en kwam alleen haar kamer uit als er geen andere mensen dan haar moeder in de buurt waren. Zij douchte lang en vaak, soms meerdere keren per dag en soms met haar kleding aan. Ook ging [de minderjarige] al een langere tijd niet naar school waardoor zij geen contact had met leeftijdsgenoten en zich niet verder ontwikkelde. [de minderjarige] liet geen hulpverlening toe zodat er geen zicht was op hoe het met haar ging. Onder deze omstandigheden was het nodig om haar uit huis te plaatsen in een behandelgroep om de bestaande patronen te kunnen doorbreken en vast te kunnen stellen wat zij nodig had. De beslissing van de kinderrechter zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd).
In de zaak met zaaknummer 200.360.422/01
5.4.
Deze machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] loopt tot 11 maart 2026.
5.5.
De machtiging aan de GI is terecht verlengd, omdat [de minderjarige] nog niet thuis kan wonen. Daarvoor noemt het hof de volgende redenen.
5.6.
Uit de stukken en wat op de zitting is besproken, is duidelijk geworden dat het oorspronkelijke doel van de uithuisplaatsing, namelijk diagnostiek en behandeling van de problematiek van [de minderjarige] , niet is behaald op de behandelgroep waar [de minderjarige] verblijft. Hoewel [de minderjarige] eerst open leek te staan voor plaatsing op de behandelgroep, bleek dat niet het geval te zijn en gaf zij aan weer volledig thuis te willen wonen. Op de behandelgroep weigert [de minderjarige] elke vorm van medewerking en communiceert zij niet met de staf of medebewoners. Het hof ziet wel dat er de afgelopen periode op de momenten dat [de minderjarige] thuis was kleine stapjes zijn gezet; [de minderjarige] komt thuis iets meer uit haar kamer, gaat soms ook naar buiten en wil eigenlijk weer naar school, voor haar algemene ontwikkeling. [naam3] komt twee keer per week thuis en krijgt daar ook zicht op de interacties tussen [de minderjarige] en haar familie. Naar het oordeel van het hof heeft de uithuisplaatsing, hoewel niet het beoogde, wel effect gehad door een compleet vastgelopen situatie te doorbreken.
5.7.
Ter zitting is gebleken dat de GI een week na de zitting bij het hof evaluerend overleg zou voeren met de betrokken instanties ( [naam3] en de behandelgroep). De GI heeft op de zitting bij het hof niet vooruit willen lopen op de uitkomst van dit overleg, maar heeft bevestigd dat er gekeken zal worden naar opties zoals uitbreiding van het verlof en het stapsgewijs toewerken naar thuisplaatsing. De GI heeft hierbij benadrukt dat elke volgende stap zal vallen of staan met [de minderjarige] zelf. Zolang er zorgen over haar ontwikkeling bestaan en [de minderjarige] elke medewerking aan diagnostiek en/of behandeling weigert, blijft het voor de GI heel lastig om de juiste volgende stap te bepalen.
5.8.
Het hof is van oordeel dat het ook nu nog voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] noodzakelijk is dat zij uit huis kan worden geplaatst. Het vernietigen van de bestreden beschikking is niet in het belang van [de minderjarige] . [de minderjarige] zou dan met onmiddellijke ingang voltijds terug naar huis gaan, terwijl de moeder zelf aangeeft dat dat geen goede optie is. Zowel de moeder, als de GI vinden dat thuisplaatsing stapsgewijs zal moeten plaatsvinden. Het hof gaat ervan uit dat de GI op basis van bovengenoemd overleg een route zal uitstippelen die in het belang van [de minderjarige] is, voor de resterende periode van de huidige machtiging tot uithuisplaatsing, tot 11 maart 2026, en mogelijk ook daarna. De beslissing van de kinderrechter zal dus in stand blijven (worden bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
in de zaak met zaaknummer 200.356.180/01
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 27 maart 2025 ten aanzien van de beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ;
in de zaak met zaaknummer 200.360.422/01
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 2 september 2025 ten aanzien van de beslissing over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. L. van Dijk en mr. K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.