De kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland heeft een machtiging gegeven om de minderjarige uit huis te plaatsen tot 12 april 2026. De vader is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan, maar het hof heeft de machtiging bekrachtigd.
De minderjarige is sinds april 2023 onder toezicht gesteld en heeft meerdere keren van verblijfplaats gewisseld. Er zijn langdurige zorgen over haar welzijn, waaronder getuige zijn van ouderlijke ruzies, onvoldoende verzorging, en vermoedens van drugsgebruik in de thuissituatie. Ambulante hulpverlening heeft geen structurele verbetering kunnen bewerkstelligen.
Het hof stelt vast dat de vader onvoldoende in staat is om aan de behoeften van de minderjarige te voldoen en dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is voor haar verzorging en opvoeding. De minderjarige heeft zelf aangegeven haar vertrouwde omgeving te missen, maar het hof benadrukt de positieve ontwikkelingen sinds de uithuisplaatsing.
De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd, en het hof wijst andere verzoeken af. Het belang van de minderjarige staat centraal, waarbij stabiliteit en een veilige omgeving essentieel zijn voor haar verdere ontwikkeling.