ECLI:NL:GHARL:2026:658

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
21-000735-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na verduistering van gelden hoogbejaarde man

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 31 januari 2023. Betrokkene werd veroordeeld wegens meermalen gepleegde verduistering van gelden van een hoogbejaarde man. De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €106.259,13 en de verplichting opgelegd dit bedrag aan de Staat te betalen, met een gijzelingstermijn van maximaal 1080 dagen.

Tijdens de zitting van het hof op 21 januari 2026 zijn de standpunten van betrokkene en haar raadsman besproken, evenals de vordering van de advocaat-generaal tot bevestiging van het vonnis. Het hof heeft de gronden van de rechtbank zorgvuldig onderzocht en is van oordeel dat deze juist en toereikend zijn.

Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank en neemt de motieven over. Er is geen aftrek verleend voor de nog niet betaalde schadevergoedingsmaatregel, omdat eventuele verrekening in de executiefase kan plaatsvinden. Hiermee wordt de ontnemingsvordering gehandhaafd en de betalingsverplichting aan de Staat bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank en legt de ontnemingsvordering van €106.259,13 met gijzelingstermijn van 1080 dagen op.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000735-23
Uitspraakdatum: 4 februari 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 31 januari 2023 met parketnummer 16-134498-20 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 21 januari 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank Midden-Nederland besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en haar raadsman, mr. M.P.K. Ruperti, hebben aangevoerd.

Beslissing

De rechtbank heeft bij vonnis van 31 januari 2023, waartegen het hoger beroep is gericht, het door betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op € 106.259,13. De duur van de gijzeling is daarbij bepaald op 1080 dagen.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist en daarvoor de goede gronden heeft aangenomen. Het hof bevestigt daarom de beslissing met overneming van die gronden.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. L.J. Hofstra en mr. M.B. de Wit, in aanwezigheid van de griffier mr. I.E. van Zalen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 4 februari 2026.