ECLI:NL:GHARL:2026:678

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
200.350.988/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:227 BWArt. 1:228 BWWet donorgegevens kunstmatige bevruchting
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging adoptiebeslissing duomoeder ter bescherming belang kind en gelijkstelling positie

De moeder en de duomoeder hadden een relatie van mei 2021 tot eind 2024 en woonden vanaf april 2022 samen. De moeder beviel in 2024 van een kind, verwekt via kunstmatige donorbevruchting met een onbekende donor. De duomoeder verzocht de rechtbank om adoptie van het ongeboren kind, welke op 6 december 2024 werd toegewezen.

De moeder kwam in hoger beroep en verzocht vernietiging van de adoptiebeschikking wegens gewijzigde omstandigheden die het belang van het kind zouden schaden. De duomoeder verzocht afwijzing van het beroep. Het hof toetste het verzoek aan de wettelijke voorwaarden uit artikel 1:227 en Pro 1:228 BW en stelde vast dat aan alle voorwaarden was voldaan.

Het hof benadrukte het belang van het kind bij duidelijkheid over zijn ontstaansgeschiedenis en de wetgeverlijke bedoeling om de positie van de vrouwelijke partner gelijk te stellen aan die van de mannelijke partner. De omgang tussen het kind en de duomoeder verliep goed. De argumenten van de moeder waren onvoldoende om het belang van het kind te schaden.

Het hof besloot geen raadsonderzoek te gelasten en bekrachtigde de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 6 december 2024, waarmee de adoptie door de duomoeder in stand blijft.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de adoptiebeschikking van de duomoeder en wijst het beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.988/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 195067)
beschikking van 5 februari 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. F. Hofstra te Leeuwarden,
en
[verweerster](de duomoeder),
die woont in [Woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. A.J. de Boer te Leeuwarden.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
mr. M.R. Rauwerda(de bijzondere curator),
gevestigd in Leeuwarden,
in hoedanigheid van bijzondere curator.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1.De verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van de procedure tot en met 20 mei 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum. In de tussenbeschikking heeft het hof mr. Rauwerda tot bijzondere curator benoemd. Het hof heeft de bijzondere curator verzocht om schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek van de moeder in te nemen
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een journaalbericht van de bijzondere curator van 22 juli 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 15 augustus 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de duomoeder van 29 augustus 2025.
1.3
De mondelinge behandeling heeft op 11 december 2025 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de duomoeder met haar advocaat;
- de bijzondere curator;
- een vertegenwoordiger van de raad.

2.De feiten

2.1
De moeder en de duomoeder hebben vanaf mei 2021 tot eind 2024 een relatie met elkaar gehad. Vanaf april 2022 tot eind 2024 hebben zij samengewoond.
2.2.
De moeder is [in] 2024 bevallen van [de minderjarige] . De zwangerschap van de moeder is tot stand gekomen door middel van kunstmatige donorbevruchting. De identiteit van de donor is onbekend.
2.3
De duomoeder heeft op 29 mei 2024 aan de rechtbank Noord-Nederland verzocht de adoptie uit te spreken van het op dat moment nog ongeboren kind van de moeder. De moeder staat in het verzoekschrift als belanghebbende benoemd en in het verzoekschrift is vermeld dat de duomoeder en de moeder dezelfde advocaat hebben. Er is een verklaring van de duomoeder en de moeder overgelegd, waarin zij aangeven af te zien van de mondelinge behandeling. Na de geboorte van [de minderjarige] is op 6 december 2024 door de rechtbank Noord-Nederland de adoptie van [de minderjarige] door de duomoeder uitgesproken en de geslachtsnaam van [de minderjarige] vastgesteld op ‘ [geslachtsnaam] ’. De beschikking van 6 december 2024 wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.

3.De omvang van het geschil

3.1
De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd, omdat sinds de indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank Noord-Nederland de omstandigheden dusdanig zijn gewijzigd dat de adoptie niet langer in het belang van [de minderjarige] is.
3.2
De duomoeder voert verweer en zij verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair de moeder niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair haar beroep af te wijzen, dan wel haar dit beroep te ontzeggen.

4.De motivering van de beslissing

4.1
Het verzoek tot adoptie moet worden getoetst aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de artikelen 1:227 en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.2
Op grond van artikel 1:227 lid 1 BW Pro geschiedt adoptie door een uitspraak van de rechtbank op een gezamenlijk verzoek van twee personen of op verzoek van één persoon.
Op grond van artikel 1:227 lid 2 BW Pro kan het verzoek door de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder alleen worden gedaan als hij (zij) ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met die ouder heeft samengeleefd. Deze voorwaarde geldt niet als het kind is of wordt geboren binnen de relatie van de adoptant en die ouder. Van deze situatie is hier sprake.
4.3
Op grond van lid 4 van artikel 1:227 BW Pro wordt het verzoek, als het kind is of wordt geboren binnen de relatie van de adoptant en de ouder, en het kind door en ten gevolge van kunstmatige donorbevruchting als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting is verwekt en een door de stichting, bedoeld in die wet, ter bevestiging hiervan afgegeven verklaring wordt overgelegd waaruit blijkt dat de identiteit van de donor aan de vrouw bij wie de kunstmatige donorbevruchting heeft plaatsgevonden onbekend is, toegewezen, tenzij de adoptie kennelijk niet in het belang van het kind is of niet is voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 1:228 BW Pro.
4.4
Bij het verzoekschrift is een verklaring van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting overgelegd waaruit blijkt dat de identiteit van de donor onbekend is.
Dit betekent dat de adoptie wordt toegewezen, tenzij de adoptie kennelijk niet in het belang van het kind is of niet is voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 1:228 BW Pro. Het hof stelt op basis van de stukken vast dat aan alle voorwaarden van artikel 1:228 BW Pro is voldaan, met uitzondering van de voorwaarde onder f. Op grond van lid 3 van artikel 1:228 BW Pro geldt deze voorwaarde echter niet omdat [de minderjarige] is geboren binnen de relatie van de moeder met de duomoeder, zijnde een levensgezel van gelijk geslacht. Dan zal het hof nog moeten oordelen over de vraag of de adoptie kennelijk niet in het belang van [de minderjarige] is.
4.5
Voor de vrouwelijke partner van de biologische moeder van een kind geldt sinds 2009 niet meer de voorwaarde van drie aaneengesloten jaren van samenleving en ook niet de voorwaarde van een jaar voorafgaande verzorging en opvoeding van het kind. Hierdoor kan de vrouwelijke partner van de biologische moeder direct juridisch ouder worden en kan de adoptie al voor de geboorte van het kind worden verzocht. De bedoeling van de wetgever is om de positie van een vrouwelijke partner zoveel mogelijk gelijk te stellen aan die van een mannelijke partner van de biologische moeder.
4.6
[de minderjarige] is verwekt ten gevolge van kunstmatige donorbevruchting.
Dit bevruchtingstraject zijn de moeder en de duomoeder bewust samen aangegaan. Na de succesvolle bevruchting hebben zij met een gezamenlijke advocaat een verzoek tot adoptie ingediend; de duomoeder als verzoeker en de moeder als belanghebbende. De bevruchting en de geboorte van [de minderjarige] vonden plaats gedurende de relatie tussen de moeder en de duomoeder. De duomoeder was aanwezig bij de geboorte van [de minderjarige] [in] 2024 en partijen hebben in de periode daarna gezamenlijk in gezinsverband voor [de minderjarige] gezorgd. De moeder en de duomoeder hebben beiden de geboorte van [de minderjarige] gewenst en zij wilden hem beiden verzorgen en opvoeden. Na de beëindiging van de relatie is er door de moeder begeleide omgang voor [de minderjarige] en de duomoeder opgestart bij [naam] . Ten tijde van de behandeling ter zitting verliep die omgang al ongeveer tien maanden op een goede manier. De duomoeder ziet [de minderjarige] een keer per twee weken gedurende twee uren. Voor de geboorte van [de minderjarige] was er intended family life tussen [de minderjarige] en de duomoeder en na zijn geboorte daadwerkelijk family life tussen hen. [de minderjarige] heeft voor zijn ontwikkeling en identiteitsvorming belang bij kennis over en vastlegging van zijn ontstaansgeschiedenis.
4.7
Gezien de feitelijke gang van zaken rondom de geboorte van [de minderjarige] , het belang van [de minderjarige] bij duidelijkheid hierover en de bedoeling van de wetgever om de positie van een vrouwelijke partner zoveel mogelijk gelijk te stellen aan die van een mannelijke partner van de biologische moeder (waarbij de afstammingsband tussen een vader en een kind bij het einde van de relatie ook niet wordt verbroken), oordeelt het hof dat dat de rechtbank het verzoek tot adoptie op goede gronden heeft toegewezen.
4.8
De argumenten die de moeder in hoger beroep tegen de adoptie heeft aangevoerd, zijn – nog afgezien van de vraag of zij die voldoende heeft onderbouwd – niet toereikend om tot het oordeel te komen dat de adoptie door de duomoeder kennelijk niet in het belang van [de minderjarige] is. Uit het voorgaande volgt dat het hof zich voldoende voorgelicht acht om een beslissing te nemen. Om die reden zal het hof geen raadsonderzoek gelasten, zoals door de moeder ter zitting is gesuggereerd. Het hof zal daarom de bestreden beschikking in stand laten (bekrachtigen).

5.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 6 december 2024;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.H.P. Selcraig, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en
mr. J.G. Knot, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 5 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.