ECLI:NL:GHARL:2026:693

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
Wahv 200.359.958/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging matiging bestuursrechtelijke sanctie voor vasthouden mobiel tijdens rijden

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd met een boete van €240 wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de A28 in Assen. De kantonrechter mat deze sanctie tot €180 vanwege overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en kende een proceskostenvergoeding toe.

In hoger beroep voerde de gemachtigde aan dat de telefoon in een houder zat en niet uit de hand werd bediend, hetgeen volgens hem onvoldoende door de officier van justitie was bewezen. Het hof oordeelde echter dat de verklaring van de ambtenaar, die de betrokkene met een Samsung-telefoon in de hand aan het oor zag, overtuigend was en dat de foto van de houder slechts een ontkenning betrof die onvoldoende was om twijfel te zaaien.

Verder stelde het hof vast dat de redelijke termijn in hoger beroep niet was overschreden, omdat de vertraging grotendeels aan de gemachtigde te wijten was die het hoger beroepschrift naar de verkeerde afdeling had gestuurd en pas na bijna twee jaar navraag deed. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de matiging van de sanctie tot €180 en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.359.958/01
CJIB-nummer
: 237794280
Uitspraak d.d.
: 6 februari 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordNederland van 31 augustus 2023, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 180,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 866,25.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor:
“als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 november 2020 om 15:56 uur op de A28 in Assen met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De kantonrechter heeft het sanctiebedrag gematigd naar € 180,- in verband met overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de mobiele telefoon van de betrokkene in een houder zat. Al vanaf het begin is uitgelegd en onderbouwd dat de betrokkene haar mobiele telefoon bediende vanaf een houder links van het stuur. Een foto daarvan is meegestuurd bij het pleidooi voor de zitting van de kantonrechter. Als aannemelijk is gemaakt dat de betrokkene
geen mobiel elektronisch apparaat vanuit de hand heeft bediend, ligt het op de weg van de
advocaat-generaal om te bewijzen dat dit wel het geval was. Hierin is de advocaat-generaal niet geslaagd. De kantonrechter gaat hieraan voorbij. De betrokkene heeft wel gebeld, zoals zij ook heeft verklaard, maar via de bluetooth. Dat laatste is niet genoteerd door de ambtenaar. Misschien heeft de ambtenaar de houder aangezien als oor. Er is geen controle uitgevoerd of het daadwerkelijk ging om een mobiel elektronisch apparaat.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een Samsung met de linkerhand vasthield. Ik zag namelijk dat telefoon aan de linkeroor. Bij de staandehouding zag ik dat het een Samsung betrof die ik herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend heeft vastgehouden.
Verklaring betrokkene: Ik werd gebeld.”
5. Het hof ziet in wat de gemachtigde aanvoert geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de betrokkene met haar linkerhand een telefoon tegen haar linkeroor hield.
De stelling dat de mobiele telefoon in de houder zat is in feite een enkele ontkenning van de gedraging. Dit is onvoldoende om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. De daarbij overgelegde foto van een mobiele telefoon in een houder links van het stuur, maakt dit niet anders. Een controle of het daadwerkelijk ging om een mobiel elektronisch apparaat is niet vereist. De ambtenaar heeft de Samsung die hij bij de staandehouding zag herkend als het apparaat, dus de telefoon, die de bestuurder rijdend heeft vastgehouden. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
6. Het hof stelt verder vast dat de redelijke termijn van berechting in hoger beroep niet is overschreden. De redelijke termijn van berechting kan langer zijn dan twee jaren indien de duur van de procedure in overwegende mate aan de betrokkene of diens gemachtigde is toe te rekenen (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Daar is in dit geval sprake van. Uit het dossier blijkt dat de gemachtigde op 31 oktober 2023 hoger beroep heeft ingesteld. Op
5 september 2025 heeft de gemachtigde navraag gedaan bij het hof over dit hoger beroep. Uit een
e-mailbericht van de griffier van de rechtbank van 29 september 2025 blijkt dat het hoger beroepschrift niet (tijdig) in behandeling is genomen, omdat het was verzonden naar de verkeerde afdeling (de strafgriffie). Het hoger beroepschrift is vervolgens alsnog in behandeling genomen. Als een beroepschrift bij de verkeerde afdeling binnenkomt, bestaat de verplichting dit stuk door te sturen naar de juiste afdeling. Gelet op deze verplichting kan het een gemachtigde in beginsel niet worden tegengeworpen dat het hoger beroepschrift niet is (door)gestuurd naar de juiste afdeling. Dit is in dit geval echter anders. De gemachtigde kon namelijk weten dat hij het hoger beroepschrift naar een verkeerde afdeling had verzonden. In het dossier bevindt zich namelijk een e-mail van 28 augustus 2023 van de griffier van de rechtbank Noord-Nederland aan de gemachtigde waarin is aangegeven dat de griffie meerdere malen e-mail van de gemachtigde heeft ontvangen via de roladministratie van de afdeling Civiel, Handelskamer. De gemachtigde wordt verzocht om e-mails die bestemd zijn voor Mulderzaken rechtstreeks aan het mailadres bestuursrecht.mulderzaken.rb-nnl@rechtspraak.nl te richten. Van een professioneel gemachtigde mag bovendien worden verwacht dat hij, wanneer hij geen bevestiging van de ontvangst van een hoger beroepschrift ontvangt, op enig moment binnen een redelijk korte termijn na de verzending van een hoger beroepschrift contact opneemt met de griffie van de rechtbank om na te vragen of het hoger beroepschrift is ontvangen. De gemachtigde heeft bijna twee jaar na het indienen van het hoger beroepschrift pas navraag gedaan naar de ontvangst en behandeling van dit hoger beroepschrift. Gesteld noch gebleken is dat de gemachtigde niet veel eerder navraag had kunnen doen. De lange duur van de procedure is daarmee in overwegende mate aan de gemachtigde toe te rekenen.
7. Beslist wordt daarom als volgt.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.