ECLI:NL:GHARL:2026:697

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
21-001658-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 420ter SrArt. 126nd SvArt. 27 SrArt. 4 Penitentiaire beginselenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling gewoontewitwassen tot tien maanden gevangenisstraf

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf wegens gewoontewitwassen van in totaal €164.348 gedurende de periode 2018-2022. Het hof vernietigde het vonnis vanwege een andere bewezenverklaring en deed opnieuw recht.

Het bewijs bestond uit financiële analyses van bankrekeningen, contante stortingen, overboekingen via het platform Wise, en contante betalingen voor voertuigen. Verdachte verklaarde dat het contante geld afkomstig was uit een zwarte lotto, leningen van derden en gokwinsten, maar kon deze verklaringen niet concreet of verifieerbaar onderbouwen.

De rechtbank en het hof oordeelden dat het vermoeden van witwassen niet werd weerlegd, mede omdat verdachte niet verscheen in hoger beroep en geen aanvullende informatie gaf. De strafoplegging van tien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf werd door het hof bevestigd, rekening houdend met de ernst, duur en omvang van het witwassen en het ontbreken van verzachtende omstandigheden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf wegens gewoontewitwassen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer:21-001658-25
Uitspraakdatum:9 februari 2026
VERSTEK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 28 maart 2025 met parketnummer 18-013770-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 26 januari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd:
  • vernietiging van het vonnis;
  • bewezenverklaring van het tenlastegelegde;
  • veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte bij vonnis veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest.
Het hof verenigt zich met de beslissing de rechtbank, maar komt tot een (op een ondergeschikt punt) andere bewezenverklaring en uitwerking van de bewijsmiddelen. Daarom zal het hof de beslissing vernietigen. Het hof doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022 te [plaats 1] , althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal,
een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal € 164.348 euro,
( a)
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was dan wel was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerpen(en) voorhanden had(den),
en/of
( b)
- heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat die voorwerpen dan wel dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf
en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van witwassen d.d. 27 oktober 2023, inclusief bijlagen, opgenomen op pagina 4 e.v. van het dossier van Politie Noord-
Nederland met nummer 2023 147557 (onderzoek Glanerbeek) d.d. 22 december 2023, inhoudende – voorzover relevant – de bevindingen van verbalisant [verbalisant] :
Ik, verbalisant [verbalisant] , hoofdagent werkzaam bij de Eenheid Noord-Nederland, verklaar het volgende:
2. aanleiding en verdenking
Door de FIU (Financial Intelligence Unit) zijn meerdere verdachte transacties gemeld die door [verdachte] , geboren op 11 mei 1981, zouden zijn gedaan. De verdachte transacties met betrekking tot [verdachte] zijn met name gerichte op contante stortingen, contante betalingen en het in bezit zijn van contant geld.
3. Onderzoek bankrekeningen
Het onderzoek naar witwassen is gericht op [verdachte] , geboren op 11 mei 1981. In dit proces-verbaal is de onderzoeksperiode van de bankgegevens 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022.
3.1
De bankrekeningen
Door het iCOV zijn de financiële gegevens van [verdachte] verzameld. Hieruit volgt dat hij beschikt over de volgende betaalrekeningen:
• [rekeningnummer]
• [rekeningnummer]
• [rekeningnummer]
De resultaten van deze analyse zijn vergeleken met de door de verdachte opgegeven gegevens aan diverse instanties.
3.2.1
Inkomen
Volgens de iCOV-rapportage verdiende de verdachte over de laatste vijf jaren in totaal netto € 161.635,00.
Volgens de iCOV-rapportage verdiende de verdachte over de laatste vijf jaren (netto):
2018 2019 2020 2021 2022 totaal
verzamelinkomen iCOV € 26.287 € 27.543 € 28.992 € 58.739 € 20.074 €161.635
Het inkomen in de jaren 2018 tot en met 2021 was afkomstig van [bedrijf 1] . Het inkomen in het jaar 2022 was afkomstig van het UWV. Zie hiervoor onderstaande afbeelding uit de iCOV-rapportage. Opvallend is dat
het inkomen in het jaar 2021 een stuk hoger ligt dan de overige jaren. Dit komt doordat [verdachte] op 25 augustus 2021 een afrekening heeft ontvangen van [bedrijf 1] van 38.863,81 euro. [verdachte] verklaart hierover dat hij
werd ontslagen bij [bedrijf 1] maar dat hij het hier niet mee eens was. Nadat hij een oprotpremie kreeg wilde hij wel akkoord gaan.
Het inkomen op de bankrekeningen van verdachte komt overeen met het inkomen dat bekend is bij het iCOV.
3.2.2
Overboekingen
Overboekingen van/naar derden
Gebleken is dat [verdachte] in de periode 2018 tot en met 2022 in totaal 106.865 euro overmaakt naar derden. Dit is een gesaldeerd bedrag. In werkelijkheid maakt [verdachte] meer over maar ontvangt hij ook een aantal bedragen. Het grootste gedeelte, 106.164,99 euro, wordt overgemaakt via betalingsplatform WISE.
3.2.3
Conclusie
Indien het inkomen uit de iCOV-rapportage wordt afgezet tegen het giraal ontvangen inkomen, dan blijkt dat dit sterk overeenkomt.
4. Indirect witwassen
4.1.
Inleiding
Het doel van het financieel onderzoek in hoofdstuk 4 is na te gaan of er transacties zijn verricht via de bankrekening die wijzen op een contante geldstroom, of dat die transacties juist niet zijn verricht via de bank. Hiertoe worden drie bronnen onderzocht:
1. de contante transacties op de bankrekeningen;
2. de bancaire uitgaven voor kosten levensonderhoud in relatie tot de Nibud-norm;
3. de (excessieve) uitgaven niet gedaan per bank.
Tezamen geven deze drie bronnen duidelijkheid of er sprake is van een onverklaarbaar (contant) vermogen.
4.2.2
Conclusie bron 1 contanten
Uit onderzoek van de bankrekening(en) blijkt:
2018 2019 2020 2021 2022 totaal
geldstorting € 5.111 € 6.355 € 27.580 € 55.276 € 36.876 € 131.198
Uit onderzoek naar bron 1 (contanten) blijkt dat [verdachte] in de onderzoeksperiode totaal 131.198 euro heeft gestort. [...]
[verdachte] heeft verklaard dat het contant gestorte geld afkomstig is uit drie bronnen:
1. De zwarte lotto
2. Geleend geld
3. Gokwinsten
Ad 1. Over het contante geld dat [verdachte] met de zwarte lotto gewonnen zou hebben verklaarde [verdachte] samengevat dat hij hier ongeveer 40.000 euro mee heeft gewonnen. Echter kan hij niet zomaar namen noemen van de personen bij wie hij dit had gewonnen. Hij wil dit eerst met de personen zelf bespreken en hen vragen of ze informatie aan de politie willen geven.
Ad 2. Over het contante geleende geld dat [verdachte] zou hebben geleend verklaarde
[verdachte] samengevat dat hij van verschillende personen geld heeft geleend. Hij heeft dit geld contant in ontvangst genomen en hierna op zijn bankrekening gestort. Van dit geleende geld heeft [verdachte] nog niets terugbetaald. [verdachte] wil geen namen noemen van de personen van wie hij contant geleend geld heeft gekregen. Hij wil dit eerst met de personen zelf bespreken en hen vragen of ze informatie aan de politie willen geven.
Ad 3. Over de contante gokwinsten die [verdachte] zou hebben verdiend verklaart [verdachte] samengevat dat hij wel eens gokte en hiermee wel eens contant geld won. Wat
[verdachte] hiermee heeft verdiend weet hij niet meer. Dit gewonnen geld gaf hij wel eens uit aan dagelijkse uitgaven maar ook spaarde hij een deel en stortte dit dan contant op zijn bankrekening. Hij deed in meerdere casino's zoals bij [naam casino 1] in [plaats 1] , [naam casino 2] in [plaats 2] , in Duitsland, in cafés bij gokautomaten, een casino in [plaats 3] , een casino in België en kaartspellen bij mensen thuis. Er is contact geweest met [naam casino 1] in [plaats 1] . Hier werd aangegeven dat gokwinsten van geregistreerde klanten worden bijgehouden. [verdachte] is geen geregistreerde klant bij hen. [verdachte] verklaarde dat [naam casino 2] in [plaats 2] niet meer bestaat en naar de overige casino's is het niet mogelijk om onderzoek te doen omdat het niet concreet is welke casino's of personen hierbij betrokken waren. Hij kan niet benoemen wat voor bedragen hij in welke periode bij welk casino gewonnen zou hebben. [verdachte] heeft ook geen documentatie van gokwinsten.
[verdachte] heeft in de onderzoeksperiode 131.198 euro contant op zijn bankrekening gestort. De verklaring die [verdachte] over dit contant gestorte geld aflegt is niet concreet en niet verifieerbaar.
4.3
Bron 3: Excessieve uitgaven
4.4.1. 2-
[kenteken 1]
Uit de iCOV-rapportage blijkt dat [verdachte] in de periode van 23 februari 2018 tot en met 25 september 2019 een Volkswagen Golf voorzien van kenteken [kenteken 1] op naam heeft gehad. Op de bankrekeningen van [verdachte] zijn geen afschrijvingen te zien waaruit kan blijken dat het voertuig giraal is betaald. Voor de aankoop van de VW Golf voorzien van kenteken [kenteken 1] moest nog 3.000 euro betaald worden. Volgens [bedrijf 2] [plaats 2] is deze 3.000 euro contant betaald.
4.4.2. 6-
SPJ-03
Uit de iCOV-rapportage blijkt dat [verdachte] in de periode van 20 september 2019 tot en met 15 oktober 2020 een Volkswagen Golf voorzien van kenteken [kenteken 2] op naam heeft gehad. Op de bankrekeningen van [verdachte] zijn geen afschrijvingen te zien waaruit kan blijken dat het voertuig giraal is betaald. Voor de aankoop van de VW Golf voorzien van kenteken [kenteken 2] moest nog 5.500 euro betaald worden. Volgens [bedrijf 2] [plaats 2] is deze 5.500 euro contant betaald.
4.4.3.
[kenteken 3]
Uit de iCOV-rapportage blijkt dat [verdachte] in de periode van 7 april 2021 tot en met 9 april 2021 een Audi A3 Limousine voorzien van kenteken [kenteken 3] op naam heeft gehad. Voor de aankoop van de Audi A3 voorzien van kenteken [kenteken 3] moest 23.500 euro betaald worden. Hiervan is 3.600 euro giraal betaald en 19.900 euro contant betaald. [verdachte] heeft niet concreet en verifieerbaar kunnen verklaren over de herkomst van het contante geld dat hij heeft gebruikt bij de aankoop van dit voertuig. Daar waar hij wel verklaarde, bleken deze verklaringen tegenstrijdig of niet te kloppen.
4.4.4.
[kenteken 4]
Uit de iCOV-rapportage blijkt dat [verdachte] in de periode van 23 december 2021 tot en met 28 december 2021 een Audi A3 Limousine voorzien van kenteken [kenteken 4] op naam heeft gehad. Voor de aankoop van de Audi A3 voorzien van kenteken [kenteken 4] moest nog 4.750 euro betaald worden. Dit bedrag is contant betaald.
5. Conclusie witwassen
Uit paragraaf 4.2 blijkt dat [verdachte] in de onderzoeksperiode 131.198 euro contant heeft gestort. Uit onderzoek blijkt dat dit saldo onverklaarbaar contant aanwezig is geweest.
Uit paragraaf 4.4 blijkt dat [verdachte] 33.150 euro heeft uitgegeven aan aanschafkosten van diverse voertuigen.
Uit onderzoek blijkt dat dit saldo onverklaarbaar contant aanwezig is geweest. Voorgaande betekent dat [verdachte] een onverklaarbaar vermogen van 164.348 euro heeft gehad.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 oktober 2023, opgenomen op pagina 126 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend – voorzover relevant – de bevindingen van verbalisant [verbalisant] :
In het onderzoek naar witwassen door verdachte [verdachte] is gebleken dat hij in de onderzoeksperiode eigenaar is geweest van vier verschillende voertuigen. Dit betreffen de volgende voertuigen:
1. VW Golf voorzien van kenteken [kenteken 1]
2. VW Golf voorzien van kenteken [kenteken 2]
3. Audi A3 voorzien van kenteken [kenteken 3]
4. Audi A3 voorzien van kenteken [kenteken 4] .
Om te onderzoeken hoe deze voertuigen zijn betaald zijn op basis van artikel 126nd Wetboek van Strafvordering vorderingen gedaan bij autogarages waar de vier voertuigen zijn aangeschaft.
Er moest voor de aankoop van de VW Golf voorzien van kenteken [kenteken 1] nog 3.000 euro betaald worden. Volgens [bedrijf 2] [plaats 2] is deze 3.000 euro contant betaald.
Er moest voor de aankoop van de VW Golf voorzien van kenteken [kenteken 2] nog 5.500 euro betaald worden. Volgens [bedrijf 2] [plaats 2] is deze 5.500 euro contant betaald.
Voor de aankoop van de Audi A3 voorzien van kenteken [kenteken 3] moest 23.500 euro betaald worden. Hiervan is 3.600 euro giraal betaald en 19.900 euro contant betaald.
Er moest voor de aankoop van de Audi A3 voorzien van kenteken [kenteken 4] nog 4.750 euro betaald worden. Volgens [bedrijf 3] is deze 4.750 euro contant betaald.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 september 2023, opgenomen op pagina 247 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als opmerking/vraag van verbalisant [verbalisant] (O/V) en als antwoord van verdachte (A):
O: De bank meldt het volgende:
‘De contante gelden worden aangewend voor diverse (consumptieve) betalingen waarbij voor een groot gedeelte gebruikt is gemaakt van de betaalmogelijkheid ‘WISE’ waardoor de begunstigde onbekend is. Via betaalplatform WISE is tussen 13-10-2020 en 04-07-2022 in 76 transacties een totaalbedrag van 116.942,78 euro overgeboekt waarvan de heer [verdachte] geen documentatie en/of facturen kan aanleveren. Dit wordt separaat gemeld.’
V: Wat kun je hier over zeggen?
A: Facturen van Wise heb ik wel screenshots van gemaakt. Om dat vrouwtje te laten zien wat ik verstuurde. Ik heb haar ook wel gezegd dat het mij soms te veel werd. Zij heeft daar een huis. En dat is ook echt mooi geworden. Ik heb mij daar eigenlijk in mee laten slepen.
V: Uit onderzoek naar jouw bankrekeningen blijkt dat jij in de periode van 2018 tot en met 2022 totaal 107.612 euro overmaakt via Wise. Waar is dit geld precies naartoe gegaan?
A: Brazilië. Naar mijn vrouw. Ik heb ook wel documentatie ja. Ik heb een aantal screenshots van Wise betalingen naar de bank gestuurd. Alles wat ik via Wise heb overgemaakt was voor dat vrouwtje.
V: Uit gegevens van de RDW blijkt dat jij in de periode van 23 februari 2018 tot en met 25 september 2019 een Volkswagen Golf voorzien van kenteken [kenteken 1] op naam hebt gehad. Wat kun je hier over zeggen?
A: Klopt.
V: Wat heeft deze auto gekost?
A: 16.000/ 16.500 zoiets.
V: Hoe heb je deze auto betaald?
A: Ik geloof dat ik een auto had ingeruild en wat toebetaald had.
V: Uit onderzoek naar jouw bankrekeningen blijkt dat deze auto niet via jouw bankrekeningen is betaald. Wat kun je daar over zeggen?
A: Ik heb er een auto op ingeruild en zou wat toebetaald hebben. Cash.
V: Uit gegevens van de RDW blijkt dat jij in de periode van 20 september 2019 tot en met 15 oktober 2020 een Volkswagen Golf voorzien van kenteken [kenteken 2] op naam hebt gehad. Wat kun je hier over zeggen?
A: Die andere Golf had ik ingeruild.
V: Uit gegevens van de RDW blijkt dat jij in de periode van 7 april 2021 tot en met 9 april 2021 een Audi A3 Limousine voorzien van kenteken [kenteken 3] op naam hebt gehad.
Door [bedrijf 3] [plaats 5] is een melding gedaan van de aankoop van dit voertuig. In deze melding staat dat het factuurbedrag 23.500 euro betrof. Dat hiervan 19.900 euro contant is betaald. Wat kun je hier over zeggen?
A: Dan klopt dat ja.
V: Uit gegevens van de RDW blijkt dat jij in de periode van 23 december 2021 tot en met 28 december 2021 een Audi A3 Limousine voorzien van kenteken [kenteken 4] op naam hebt gehad. Wat kun je daar over zeggen?
A: Die andere had ik ingeruild.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 september 2023, opgenomen op pagina 260 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als vraag van verbalisant [verbalisant] (V) en als antwoord van verdachte (A):
V: En de vrouw waar je het over had. Hoe heet je vrouw?
A: [naam] . In Brazilië ben ik met haar getrouwd, maar ze gebruikt niet mijn achternaam.
V: Ze vroeg eigenlijk om een hele hoop geld, die jij aan haar moest betalen?
A: Zij is architect en zij heeft een bouwtekening gemaakt. Ze ging haar huis verbouwen.
V: Waar was dat huis?
A: [plaats 4] .
V: Dus jij was haar subsidie?
A: Ja, op dat moment wel. Het is begonnen met een zak voer voor de 6 honden.
V: Hoe veel heb je in totaal aan haar betaald?
A: Ik heb een Wise account en dat heb jullie kunnen inzien. Alles was via dat Wise account is verstuurd is naar haar gegaan.
V: Je hebt gister verklaard dat je 107.612 euro hebt overgemaakt via Wise. Waar is dit geld precies naartoe gegaan?
A: Allemaal naar Brazilië. Dat account heb ik alleen aangevraagd om naar Brazilië over te maken.
V: Wat bedoel je daar mee?
A: Dat gaat naar haar, naar [naam] .

Bewijsoverweging

De rechtbank heeft in het vonnis het volgende (cursief weergegeven) overwogen.
‘Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat komt vast te staan dat het in de
tenlastelegging vermelde geldbedrag middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig
is en dat de verdachte dat ook wist of redelijkerwijs kon vermoeden. Het onderzoek in de
onderhavige strafzaak heeft geen direct bewijs opgeleverd voor een criminele herkomst van
het in de tenlastelegging opgenomen geldbedrag. Indien op grond van de beschikbare
bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het voorwerp, te weten het
geldbedrag, en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien de vastgestelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Als zo’n geval zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de gelden die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de voorwerpen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Vermoeden van witwassen
Op grond van de inhoud van het dossier stelt de rechtbank het volgende vast. Uit onderzoek
naar de verschillende betaalrekeningen die op naam van verdachte staan blijkt dat verdachte in de periode van 2018 tot en met 2022 in totaal € 131.198,- aan contante geldbedragen heeft gestort. De verdachte heeft in dezelfde periode een gesaldeerd bedrag van in totaal € 106.865,- overgemaakt naar derden, waarvan het grootste gedeelte, te weten € 106.164,99, is overgemaakt via betalingsplatform Wise. Daarnaast heeft verdachte in voornoemde periode diverse voertuigen in eigendom gehad, die verdachte (deels) middels contant geld heeft aangeschaft. Verdachte heeft in voornoemde periode ten behoeve van de aanschaf van een viertal voertuigen in totaal € 33.150,- contant betaald. Uit de iCOV-bevraging blijkt dat de verdachte in de periode van 2018 tot en met 2022 een netto inkomen heeft genoten van in totaal € 161.635,-. De verdachte heeft dit inkomen giraal ontvangen en niet is gebleken van contante legale inkomsten. De in voornoemde periode door verdachte gedane contante geldstortingen en de contante geldbedragen waarmee verdachte (deels) meerdere voertuigen heeft gefinancierd hebben naar het oordeel van de rechtbank een zodanige omvang dat zij niet verklaard kunnen worden uit de van hem bekend zijnde legale inkomsten. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een vermoeden van witwassen.
De verklaring van verdachte
Gelet op het vermoeden van witwassen mag vervolgens van verdachte worden verlangd dat
hij een verklaring geeft voor de herkomst van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken. Over de contante geldstortingen op de bankrekening(en) van verdachte en de door verdachte (deels) middels contact geld gefinancierde voertuigen heeft verdachte bij de politie verklaard dat deze contante gelden afkomstig zijn uit in een zwarte lotto gewonnen geldbedragen, leningen van verschillende personen en winsten uit gok- en kansspelen. Desgevraagd heeft verdachte echter geen namen van personen, documentatie of anderszins informatie willen of kunnen overleggen waarmee de verklaring van verdachte kon worden geverifieerd. Ook nadat het onderzoek ter zitting op verzoek van verdachte is heropend heeft hij op geen enkele wijze een onderbouwing gegeven van zijn stellingen.
Conclusie
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte het witwasvermoeden niet heeft kunnen weerleggen. Nog daargelaten of de door verdachte afgelegde verklaring over de herkomst van het contante geld aannemelijk is, heeft te gelden dat de door verdachte gegeven verklaring niet concreet en op geen enkele wijze verifieerbaar is gebleken. De legale inkomsten van verdachte zoals die bekend zijn geworden uit de iCOV-bevraging in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022 staan in geen enkele verhouding tot het bezit, de stortingen en de uitgaven van de hiervoor genoemde geldbedragen. Het dossier bevat ook geen enkele andere aanwijzing dat het geldbedrag genoemd in de tenlastelegging een legale herkomst heeft. De rechtbank is daarom van oordeel dat het niet anders kan dan dat het tenlastegelegde geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat ook wist. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van het in de tenlastelegging genoemde totaalbedrag, terwijl de verdachte van het plegen daarvan een gewoonte heeft gemaakt.’
Het hof is van oordeel dat de rechtbank een juiste afweging heeft gemaakt, neemt deze over en voegt daar aanvullend aan toe dat verdachte ook in de procedure in hoger beroep niet ter terechtzitting is verschenen om zijn verklaring over de via Wise overgeboekte geldstroom, de cashbetalingen, stortingen en de leningen nader toe te lichten. Daarmee doet zich ook in hoger beroep voor dat, zoals de rechtbank al op juiste gronden overwoog, heeft te gelden dat de door verdachte gegeven verklaring niet concreet en op geen enkele wijze verifieerbaar is gebleken.
In het bijzonder heeft het hof in aanmerking genomen dat verdachte ten tijde van het politieonderzoek niet meer heeft gereageerd op een uitnodiging en afspraak om met concrete informatie te komen. Verbalisant [verbalisant] heeft daarover in zijn proces-verbaal van bevindingen het volgende over gerelateerd: ‘Op 23 september 2023 en 24 september is verdachte [verdachte] verhoord. Tijdens deze verhoren heeft verdachte [verdachte] samengevat verklaard dat het contante geld dat hij in de onderzoeksperiode heeft gestort afkomstig is van winsten uit een zwarte lotto en geleend geld van mensen. Tijdens de verhoren is verdachte [verdachte] gevraagd wie deze mensen zijn en hoe we zijn verklaring kunnen verifiëren. Verdachte [verdachte] verklaarde de namen van deze mensen niet direct te kunnen geven omdat hij dit eerst met deze mensen wil overleggen of hij de namen van deze mensen mag noemen. Hierover zijn met verdachte [verdachte] duidelijke afspraken gemaakt. Verdachte [verdachte] zou binnen twee weken per e-mail laten weten welke getuigen wij zouden kunnen benaderen om zijn verklaring te verifiëren. Ook zou hij laten weten als er geen getuigen zouden zijn. Om verdachte [verdachte] tegemoet te komen werd met hem afgesproken dat de twee weken in zouden gaan op het moment dat hij zijn in beslag genomen mobiele telefoon terug zou krijgen. Verdachte [verdachte] heeft op 6 oktober 2023 zijn mobiele telefoon opgehaald. Op 5 oktober 2023 stuurde ik tevens een mail waarin ik verdachte [verdachte] opnieuw heb gevraagd van zich te laten horen met betrekking tot de getuigen die hij zou benaderen en zijn verklaring zouden kunnen verifiëren. Verdachte [verdachte] heeft tot op heden, 24 oktober 2023, niets van zich laten horen.’
Het hof is op grond van het voorgaande met de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van het in de tenlastelegging genoemde totaalbedrag, terwijl verdachte van het plegen daarvan een gewoonte heeft gemaakt.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022 in Nederland, meermalen, meerdere geldbedragen van in totaal € 164.348 euro,
- voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, en
- gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist, dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
De rechtbank heeft in het vonnis de strafoplegging als volgt gemotiveerd (cursief weergegeven):
‘De verdachte heeft zich gedurende een periode van vijf jaren schuldig gemaakt aan
gewoontewitwassen. De verdachte heeft in de periode van 2018 tot en met 2022 op meerdere tijdstippen meerdere (grote) contante geldbedragen verworven, voorhanden gehad en gestort op zijn betaalrekening(en). De verdachte heeft een groot deel van de door hem gestorte geldbedragen vervolgens middels betaalplatform Wise overgemaakt naar derden. Ook heeft de verdachte in voornoemde periode meerdere voertuigen aangeschaft, (deels) gefinancierd
middels contant geld.
Verdachte heeft op die manier geprofiteerd van gelden die op illegale wijze zijn verkregen. De frequentie, duur en omvang van het witwassen maken dit een ernstig strafbaar feit. Het witwassen van crimineel geld vormt immers een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële economische verkeer aan, omdat de inkomsten uit misdrijven op deze manier aan het zicht van justitie worden onttrokken. Witwassen betreft daarnaast een misdrijf dat onlosmakelijk is verbonden met zeer ernstige vormen van (georganiseerde) criminaliteit. Op deze vorm van ondermijning is moeilijk grip te krijgen omdat met de investering van criminele verdiensten in het legale bedrijfsleven steeds meer verwevenheid tussen de boven- en onderwereld ontstaat. Verdachte lijkt uitsluitend en ongeremd gedreven te zijn geweest door eigen materieel gewin en instandhouding van zijn eigen bestedingspatroon, zonder zich te bekommeren om de effecten van zijn gedragingen voor de samenleving waar hij deel van uitmaakt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere strafmodaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Alles overziend is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden passend en geboden is.’
Het hof sluit aan bij deze motivering en neemt deze over. In de procedure in hoger beroep is niet van omstandigheden gebleken die maken dat een andere straf aan verdachte zou moeten worden opgelegd. Verdachte wordt daarom in de procedure in hoger beroep ook veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 63 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
10 (tien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Dolfing, mr. T.H. Bosma en mr. M.C. van Linde, in aanwezigheid van de griffier mr. I.N. Koers en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 9 februari 2026.