ECLI:NL:GHARL:2026:702

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
21-001659-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 36e Wetboek van StrafrechtArt. 126nd Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wegens gewoontewitwassen vastgesteld op €181.903

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 28 maart 2025. Betrokkene werd veroordeeld voor gewoontewitwassen en het wederrechtelijk verkregen voordeel werd door de rechtbank vastgesteld op €181.903. Het hof sluit zich aan bij dit bedrag, maar vernietigt het vonnis omdat de rechtbank niet de juiste wettelijke grondslag hanteerde en de bewijsmiddelen onvoldoende waren uitgewerkt.

Het hof baseert de ontnemingsbeslissing op artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Uit het financieel onderzoek blijkt dat betrokkene aanzienlijke contante stortingen en excessieve contante uitgaven heeft gedaan die niet met legale inkomsten zijn te verklaren. Onder meer zijn contante betalingen voor de aankoop van meerdere voertuigen vastgesteld, evenals stortingen op een bankrekening van betrokkene en zijn zoon, die werden gebruikt voor geldtransfers naar Brazilië.

Getuigenverklaringen, bankgegevens en rapportages tonen aan dat betrokkene het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gebruikt voor persoonlijke uitgaven en investeringen. Het hof stelt het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €181.903 en legt betrokkene de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. Tevens wordt de duur van gijzeling vastgesteld op maximaal 365 dagen.

Het arrest is gewezen door mr. J. Dolfing, mr. T.H. Bosma en mr. M.C. van Linde en uitgesproken op 9 februari 2026.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €181.903 en legt de betalingsverplichting aan de Staat op.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001659-25
Uitspraakdatum: 9 februari 2026
VERSTEK
ONTNEMINGSZAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 28 maart 2025 met parketnummer 18-013770-24 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 26 januari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank Noord-Nederland besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal vordert:
- schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van
€ 181.903,00;
- vaststelling van de betalingsverplichting op een bedrag van € 181.903,00.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

De beslissing

Bij beslissing van 28 maart 2025 heeft de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat vastgesteld op een bedrag van € 181.903,00. De verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op hetzelfde bedrag.
Het hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank, maar omdat het hof (anders dan de rechtbank) de ontnemingsbeslissing baseert op het derde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en de uitgewerkte bewijsmiddelen ontbreken, zal het hof de beslissing vernietigen. Het hof doet opnieuw recht.

Vordering

Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 181.903,00. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
In hoger beroep is het openbaar ministerie bij die vordering gebleven.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Betrokkene is bij arrest van dit hof van 9 februari 2026 veroordeeld voor gewoontewitwassen.
Grondslag ontneming
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de onderhavige ontnemingszaak dient te worden gebaseerd op artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Uit de opgemaakte kasopstelling blijkt dat betrokkene uitgaven heeft gedaan die niet met legale inkomsten kunnen worden verklaard. Het hof acht het aannemelijk dat het misdrijf waarvoor betrokkene is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Uit het strafdossier en de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep blijkt dat betrokkene uit het bewezenverklaarde gewoontewitwassen financieel voordeel heeft behaald. Hij heeft daarvan auto’s aangekocht, geld overgemaakt via betaalplatform Wise naar zijn partner in Brazilië alwaar het geld onder meer werd ingezet voor de verbouw van een woning en geld gestort op de bankrekening van zijn zoon [naam 1] . Betrokkenes zoon heeft hierover verklaard dat betrokkene het gestorte geld gebruikte. Betrokkene heeft daarmee geld voorhanden gehad om te besteden en dat ook gedaan.
Bewijsmiddelen
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex art 36e Wetboek van Strafrecht behorende bij het onderzoek Glanerbeek van 27 oktober 2023, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
3.Het onderzoek naar witwassen is gericht op [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1981. In dit proces-verbaal is de onderzoeksperiode van de bankgegevens 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022.
4. Indirect witwassen
4.1
inleiding
Het doel van het financieel onderzoek in hoofdstuk 4 is na te gaan of er transacties zijn verricht via de bankrekening die wijzen op een contante geldstroom, of dat die transacties juist niet zijn verricht via de bank.
Hiertoe worden drie bronnen onderzocht:
1. de contante transacties op de bankrekeningen;
2. de bancaire uitgaven voor kosten levensonderhoud in relatie tot de Nibud-norm;
3. de (excessieve) uitgaven niet gedaan per bank.
Tezamen geven deze drie bronnen duidelijkheid of er sprake is van een onverklaarbaar (contant) vermogen.
4.2
Bron 1: Contanten
De verdachte heeft 131.198 euro gestort.
4.2.2
Conclusie bron 1 contanten
[verdachte] heeft verklaard dat het contant gestorte geld afkomstig is uit drie bronnen:
1. De zwarte lotto
2. Geleend geld
3. Gokwinsten.
De verklaring die [verdachte] over dit contant gestorte geld aflegt is niet concreet en niet verifieerbaar.
Totaal bron 1:131.198 euro aan contant gestort geld uit onbekende bron.
4.3
Bron 2: Kosten levensonderhoud in combinatie met Nibud
Ten voordele van de verdachte is verder geen onderzoek gedaan naar de contant betaalde kosten levensonderhoud.
4.3
Bron 3: Excessieve uitgaven
4.4.1. 2-
[kenteken 1]
Uit de iCOV-rapportage blijkt dat [verdachte] in de periode van 23 februari 2018 tot en met 25 september 2019 een Volkswagen Golf voorzien van kenteken [kenteken 1] op naam heeft gehad. Op de bankrekeningen van [verdachte] zijn geen afschrijvingen te zien waaruit kan blijken dat het voertuig giraal is betaald.
Volgens [bedrijf 1] [plaats] is deze 3.000 euro contant betaald.
Naar aanleiding van bovenstaande bevindingen wordt voor de aankoop van dit voertuig 3.000 euro als excessieve contante uitgave opgevoerd.
4.4.2. 6-
[kenteken 2]
Uit de iCOV-rapportage blijkt dat [verdachte] in de periode van 20 september 2019 tot en met 15 oktober 2020 een Volkswagen Golf voorzien van kenteken [kenteken 2] op naam heeft gehad. Op de bankrekeningen van [verdachte] zijn geen afschrijvingen te zien waaruit kan blijken dat het voertuig giraal is betaald.
Bij de aankoop is één voertuig ingeruild. Voor de aankoop van de VW Golf voorzien van kenteken [kenteken 2] moest nog 5.500 euro betaald worden. Volgens [bedrijf 1] [plaats] is deze 5.500 euro contant betaald.
Naar aanleiding van bovenstaande bevindingen wordt voor de aankoop van dit voertuig 5.500 euro als excessieve contante uitgave opgevoerd.
4.4.3.
[kenteken 3]
Uit de iCOV-rapportage blijkt dat [verdachte] in de periode van 7 april 2021 tot en met 9 april 2021 een Audi A3 Limousine voorzien van kenteken [kenteken 3] op naam heeft gehad. Uit gegevens van de RWD blijkt dat het voertuig van 9 april 2021 tot en met 23 december 2021 op naam heeft gestaan van [naam 2] . Dit betreft de moeder van [verdachte] .
[verdachte] gebruikte het voertuig ten tijde dat deze op naam stond van zijn moeder.
Op 7 april 2021 is de volgende melding gedaan bij de FIU: melding door [bedrijf 2] van een contante betaling van 19.900 euro bij aankoop van een voertuig.
Uit een vordering op basis van artikel 126nd Wetboek van Strafvordering bij [bedrijf 2] , waar het voertuig is aangekocht, blijkt dat het voertuig op 7 april 2021 is aangekocht door [verdachte] . Er zijn geen voertuigen op ingeruild. Voor de aankoop van de Audi A3 voorzien van kenteken [kenteken 3] moest 23.500 euro betaald worden. Hiervan is 3.600 euro giraal betaald en 19.900 euro contant betaald.
Voor de aankoop van dit voertuig wordt 19.900 euro als excessieve contante uitgave opgevoerd.
4.4.4.
[kenteken 4]
Uit de iCOV-rapportage blijkt dat [verdachte] in de periode van 23 december 2021 tot en met 28 december 2021 een Audi A3 Limousine voorzien van kenteken [kenteken 4] op naam heeft gehad. Uit gegevens van de RDW blijkt dat het voertuig van 28 december 2021 tot en met 28 mei 2022 op naam heeft gestaan van [naam 2] . Dit betreft de moeder van [verdachte] .
Op de bankrekening van [verdachte] is op 28 mei 2022 een bijschrijving te zien van 20.000 euro afkomstig van [bedrijf 2] met hierbij de omschrijving: Inkoop Audi A3 [kenteken 4] . Hieruit kan worden opgemaakt dat ondanks het voertuig op naam stond van de moeder van [verdachte] , deze eigendom was van [verdachte] .
Uit een vordering op basis van artikel 126nd Wetboek van Strafvordering bij [bedrijf 2] , waar het voertuig is aangekocht, blijkt dat het voertuig op 23 december 2021 is aangekocht door verdachte [verdachte] . Het voertuig voorzien van kenteken [kenteken 3] met een waarde van 21.199 euro is hierop ingeruild. Voor de aankoop van de Audi A3 voorzien van kenteken [kenteken 4] moest daardoor nog 4.750 euro betaald worden. Dit bedrag is contant betaald.
Voor de aankoop van dit voertuig wordt 4.750 euro als excessieve contante uitgave opgevoerd.
4.4.5.
Conclusie bron 3 excessieve uitgaven
Als de excessieve contante betalingen van bovenstaande voertuigen bij elkaar worden opgeteld dan is het totaalbedrag 33.150 euro.
5.
Conclusie witwassen
Als bron 1 tot en met 3 getotaliseerd worden dan blijkt het volgende:
Bron 1: contanten
storting contanten € 131.198
Bron 3: excessieve contante uitgaven
zoals aankoop auto
€ 33.150
Onverklaarbare contanten € 164.348.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september 2024 met documentcode JM53, los opgenomen, behorende bij het onderzoek Glanerbeek/NN3R023045, BHV-nummer 2023147557, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
1. Inleiding
Op 26 augustus 2024 verklaarde de ex-partner van verdachte [verdachte] dat verdachte [verdachte] ook de bankrekening van hun zoon [naam 1] zou hebben gebruikt. [naam 1] zou geld op zijn bankrekening hebben gestort. Dit geld ging dan naar Brazilië.
Op 17 september 2024 werd [naam 1] als getuige gehoord. [naam 1] verklaarde dat zijn vader hem vroeg een bankrekening te openen omdat hij zelf geen geld meer kon storten. [naam 1] heeft toen een bankrekening [rekeningnummer] geopend.
2. Bankrekening [rekeningnummer]
Getuige [naam 1] heeft de transacties van bankrekening [rekeningnummer] , in de periode van 8 maart 2021 tot en met 25 februari 2022, aan ons overgedragen om deze te kunnen onderzoeken.
Uit onderzoek blijkt het volgende:
2.1.
Contante stortingen
08-03-2021 3.035 euro
11-03-2021 2.000 euro
09-07-2021 720 euro
20-11-2021 2.500 euro
20-11-2021 2.500 euro
20-11-2021 1.800 euro
28-01-2022 2.500 euro
01-02-2022
2.500 euro
Totaal 17.555 euro
3. Conclusie
In het proces-verbaal witwassen wordt gesteld dat alle contante stortingen onverklaarbaar contant aanwezig zijn geweest. Dit betreft een bedrag van 131.198 euro. Ditzelfde geldt voor de 17.555 euro die door [naam 1] en verdachte [verdachte] op bankrekening [rekeningnummer] is gestort. Dit bedrag verhoogt de kasopstelling.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 september 2024 met documentcode JM52, los opgenomen, behorende bij het onderzoek Glanerbeek/NN3R023045, BHV-nummer 2023147557, inhoudend als vraag van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (V) en als antwoord van getuige [naam 1] (A):
V: Je moeder heeft verklaard dat jij geld moest storten op de rekening van je vader. Wat kun je daar over zeggen?
A: Nee, op mijn eigen rekening.
V Hoe ging dat precies?
A: Dat is 3 jaar geleden ongeveer. Mijn vader vroeg of ik een bankrekening wilde openen. Ik heb een bankrekening geopend en toen vroeg hij of ik geld wilde storten. Mijn vader gaf mij contant geld en dat heb ik dan gestort.
V: Waar haalde jij dit geld vandaan?
A: Ik weet niet waar hij het vandaan haalde, maar ik kreeg het van hem en toen heb ik het gestort. Ik heb dit 2 keer gedaan geloof ik en toen heb ik het pasje aan hem gegeven en toen stortte hij zelf geld. Hij gebruikte mijn pasje dus. Hij nam hem ook wel mee naar het buitenland We gebruikten ook wel in tijd gezamenlijk de rekening, want ik kon gewoon via de app bij de bank.
V: Op welke rekening moest je dat storten?
A: Bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer] .
V: Hoelang heeft je vader gebruik gemaakt van die rekening?
A: Ik denk in het begin toen hij naar Brazilië ging. Ik denk ongeveer 3 tot 6 manden. Volgens mij kon hij toen zelf geen geld storten en toen heeft hij mijn bank gebruikt.
V: Wat is er met dit geld gebeurd wat gestort werd?
A: Dit ging naar een rekening van hem.
V: Wat kreeg jij hiervoor als je geld op de rekening stortte?
A: Niks
V: Je moeder heeft verklaard dat je vader jouw bankrekeningen gebruikte. Wat kun je daarover zeggen?
A: Dat klopt, wat ik net verteld heb.
V: Wat deed je vader met jouw rekeningen?
A: Hij stortte geld op die rekening en maakte dit geld over na zijn eigen rekening. Het
kan ook wel eens voorgekomen zijn dat hij pinde in het buitenland voor dagelijkse
dingen.
Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel
Voorgaande betekent het dat betrokkene een onverklaarbaar vermogen heeft gehad van 181.903 euro, gebaseerd op de volgende berekening:
€ 164.348,00 (totale kasopstelling)
€ 17.555,00(contante stortingen op rekening [rekeningnummer] )
€ 181.903,00
Het hof stelt op grond van de voorgaande bewijsmiddelen het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 181.903,00.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Het hof stelt de verplichting tot betaling aan de Staat vast op het hiervoor genoemde bedrag.

Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
181.903,00 (honderdeenentachtigduizend negenhonderddrie euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 181.903,00 (honderdeenentachtigduizend negenhonderddrie euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 365 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Dolfing, mr. T.H. Bosma en mr. M.C. van Linde, in aanwezigheid van de griffier mr. I.N. Koers en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 9 februari 2026.