ECLI:NL:GHARL:2026:705

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
24/717
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar WOZ-waarde woning

De heffingsambtenaar van de gemeente Staphorst stelde bij beschikking van 30 januari 2021 de WOZ-waarde van een woning vast. Belanghebbende diende een bezwaarschrift in tegen deze beschikking, dat door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was.

Belanghebbende stelde hiertegen hoger beroep in bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Tijdens de zitting op 3 september 2025 was alleen de gemachtigde van belanghebbende aanwezig; de heffingsambtenaar was niet verschenen. Het hof overwoog dat het bezwaar tegen de WOZ-waarde van de woning in hetzelfde bezwaarschrift was opgenomen als het bezwaar tegen een andere onroerende zaak, waarvoor reeds eerder een uitspraak was gedaan.

Het hof bevestigde dat de rechtbank terecht het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard en dat de vermeende spanning en frustratie van belanghebbende over de ontvankelijkheid van het bezwaar was geëindigd met de eerdere uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de WOZ-waarde.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/717
uitspraakdatum: 3 februari 2026
Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 25 maart 2024, nummer ZWO 23/664, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Staphorst(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 30 januari 2021 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [woonplaats] voor het jaar 2021 vastgesteld.
1.2.
Het bezwaar van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2025. Daarbij is verschenen en gehoord mr. [naam1] namens belanghebbende. De heffingsambtenaar is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Bij biljet met dagtekening 30 januari 2021 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een aanslag gemeentelijke belastingen opgelegd. Op deze aanslag is naast de WOZ-beschikking voor de woning [adres1] te [woonplaats] ook de WOZ-beschikking voor de onroerende zaak [adres2] te [woonplaats] vermeld.
2.2.
Namens belanghebbende is met dagtekening 11 maart 2021 een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag en daarop vermelde WOZ-beschikkingen. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift op 24 maart 2021 ontvangen.
2.3.
Bij uitspraak op bezwaar van 9 november 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ten aanzien van de [adres2] niet-ontvankelijk verklaard wegens de te late indiening ervan.
2.4.
Bij uitspraak van 10 januari 2023 (zaaknummer ZWO 21/2199) heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende ten aanzien van de [adres2] ongegrond verklaard, omdat de heffingsambtenaar op goede gronden het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens
de te late indiening ervan. Tijdens de behandeling van dat beroep ter zitting heeft de Rechtbank opgemerkt dat de heffingsambtenaar abusievelijk in de uitspraak op bezwaar niet heeft beslist op het bezwaar van belanghebbende tegen de WOZ-waarde en de belastingaanslagen ten aanzien van de [adres1] .
2.5.
Met dagtekening 14 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar alsnog een uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ten aanzien van de [adres1] niet-ontvankelijk geacht op dezelfde gronden als in zijn uitspraak op bezwaar ten aanzien van de [adres2] .
2.6.
De Rechtbank heeft geen vergoeding van immateriële schade toegekend en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.
“De rechtbank ziet echter geen aanleiding om een immateriële schadevergoeding aan eiser toe te kennen. Uit wat hiervoor reeds is overwogen volgt dat de casus in dit beroep van eiser identiek is aan de casus in het beroep van eiser ten aanzien van de [adres2] , die tot de uitspraak van deze rechtbank van 10 januari 2023 heeft geleid. Niet in geschil is dat eiser één bezwaarschrift heeft ingediend tegen de WOZ-waarden van de [adres2] en [adres1] en dat door een omissie aan de zijde van de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de [adres2] niet óók op het bezwaar ten aanzien van de [adres1] is beslist.
(…)
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het vorenstaande dat dit beroep in wezen identiek is aan het beroep waarop door de rechtbank reeds op 10 januari 2023 is beslist en dat sprake is van verknochtheid met de al geëindigde beroepsprocedure met zaaknummer ZWO 21/2199. De veronderstelde spanning en frustratie aan de zijde van eiser over de ontvankelijkheid van zijn bezwaar moet geacht worden te zijn geëindigd met het doen van de uitspraak door de rechtbank in het beroep ten aanzien van de [adres2] .”

3.Geschil

In geschil is of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
De Rechtbank heeft op goede gronden het beroep ongegrond verklaard. Hetgeen belanghebbende hiertegen in hoger beroep heeft aangevoerd brengt het Hof niet tot een ander oordeel.
4.2.
De Rechtbank heeft verder op goede gronden geoordeeld dat de spanning en frustratie bij belanghebbende moet zijn geëindigd met de beslissing van de Rechtbank op 10 januari 2023 omtrent de ontvankelijkheid van het bezwaar. Het bezwaar tegen de onroerende zaak [adres1] te [woonplaats] was immers opgenomen in hetzelfde bezwaarschrift enverstuurd in dezelfde envelop als het bezwaar tegen de [adres2] te [woonplaats] . Hetgeen de Rechtbank verder heeft overwogen met betrekking tot verlenging van termijnen kan aan dit juiste oordeel niet afdoen.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.W.J. de Kort) (R.A.V. Boxem)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.