De heffingsambtenaar van de gemeente Staphorst stelde bij beschikking van 30 januari 2021 de WOZ-waarde van een woning vast. Belanghebbende diende een bezwaarschrift in tegen deze beschikking, dat door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was.
Belanghebbende stelde hiertegen hoger beroep in bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Tijdens de zitting op 3 september 2025 was alleen de gemachtigde van belanghebbende aanwezig; de heffingsambtenaar was niet verschenen. Het hof overwoog dat het bezwaar tegen de WOZ-waarde van de woning in hetzelfde bezwaarschrift was opgenomen als het bezwaar tegen een andere onroerende zaak, waarvoor reeds eerder een uitspraak was gedaan.
Het hof bevestigde dat de rechtbank terecht het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard en dat de vermeende spanning en frustratie van belanghebbende over de ontvankelijkheid van het bezwaar was geëindigd met de eerdere uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.