ECLI:NL:GHARL:2026:723

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
21-002658-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor aanranding met opgelegde gevangenisstraf en schadevergoeding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in hoger beroep het vonnis van de politierechter vernietigd en verdachte veroordeeld voor aanranding. Verdachte bracht tijdens het bankdrukken van de benadeelde zijn hand in diens broek en betaste diens geslachtsdeel, wat wettig en overtuigend bewezen werd verklaard.

De bewijslast werd gedragen door de verklaring van de benadeelde, een getuige die het incident van dichtbij zag, en aanvullende verklaringen die het verhaal ondersteunden. De verdediging voerde vrijspraak aan, stellende dat het handelen niet ontuchtig was, maar het hof verwierp dit verweer.

Het hof legde een gevangenisstraf op van vier maanden, waarvan drie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en wees de immateriële schadevergoeding van €750 toe aan de benadeelde. De straf houdt rekening met de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De uitspraak benadrukt de schending van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en de blijvende gevolgen daarvan, waaronder angst en onveiligheidsgevoelens. Het hof legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op om de benadeelde tegemoet te komen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, waarvan drie voorwaardelijk, en toekenning van €750 schadevergoeding aan benadeelde.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002658-24
Uitspraakdatum: 9 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 21 juni 2024 met parketnummer 05-067627-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 26 januari 2026 en het onderzoek op de zitting bij de politierechter op 21 juni 2024.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.T. Sakrak, hebben aangevoerd. Daarnaast heeft het hof gelet op wat door de heer [naam 1] van Slachtofferhulp namens de benadeelde partij, [benadeelde] , naar voren is gebracht.

Het vonnis

De politierechter heeft bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – aanranding. Verdachte is voor dit feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Aan de proeftijd zijn naast algemene voorwaarden ook bijzondere voorwaarden verbonden.
De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging en beslissing op de vordering van de benadeelde partij komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 27 juni 2023 te [plaats 1] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [benadeelde] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het brengen van zijn hand in de broek en de onderbroek van [benadeelde] en/of betasten van de penis van [benadeelde] , waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte - voornoemde ontuchtige handelingen onverhoeds heeft verricht en/of - voornoemde ontuchtige handelingen heeft verricht terwijl [benadeelde] aan het bankdrukken was, waardoor hij in zijn bewegingsvrijheid werd beperkt en zich niet, althans onvoldoende kon verzetten tegen voornoemde ontuchtige handelingen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

In de hierna weergegeven bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, steeds verwezen naar bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met registratienummer PL0600-2023426196, opgemaakt en afgesloten op 27 februari 2024 door [naam 2] , [functie] bij de Eenheid Oost-Nederland.
1. Het
proces-verbaal van aangifte door [benadeelde], voor zover inhoudende op pagina 7 en 8, zakelijk weergegeven:

Omschrijving aangifte

Plaats delict: [adres 2]
Pleegdatum/tijd: Dinsdag 27 juni 2023

Aangever

Achternaam: [benadeelde]
Voornamen: [benadeelde]

Verklaring

Ik zit momenteel gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting gevestigd aan de [adres 3] . Op dinsdag 27 juni 2023 omstreeks 15.40 uur ben ik naar de fitnesszaal van de PI gegaan om te sporten. Ik begon mijn sportmoment met bankdrukken. [verdachte] , een medegedetineerde, kwam bij mij staan. De oefening begon goed, maar na enige herhalingen werd het toch wat zwaarder.
Op het moment dat ik er moeite mee begon te krijgen, wat zichtbaar was, trok [verdachte] mijn shirt omhoog en stak zijn hand in mijn broek en raakte mijn geslachtsdeel aan. Hij raakte zeker de bovenkant van mijn geslachtsdeel aan en met de bovenzijde bedoel ik het gedeelte van mijn penis vanaf de schaamstreek naar beneden.
Ik durfde niets. De enige reactie die ik uitte was "opdonderden" "viespeuk, blijf van mij af". Ik zag en hoorde dat [verdachte] begon te lachen.
Ik heb in ieder geval een (1) getuige van de aanranding, dit betreft een mede gedetineerde zijn naam is [getuige 1] . [getuige 1] heeft alles letterlijk zien gebeuren.
2. Het
proces-verbaal van verhoor [getuige 1], voor zover inhoudende op pagina 13 en 14, zakelijk weergegeven:
Achternaam: [getuige 1]
Voornamen: [getuige 1]

Verklaring getuige

De getuige verklaarde:
"V: Op dinsdag 27 juni rond 15.40uur heeft er een incident plaats gevonden tussen twee gedetineerden. Jij bent hier getuige van geweest. wat kun je hier over verklaren?
A: We waren aan het sporten en ik was op een apparaat mijn borst aan het trainen, [benadeelde] , lag net voor mij op het bankdruk apparaat. Hij lag al even op dat apparaat om zijn borst te trainen. Op een gegeven moment komt [verdachte] , naar [benadeelde] toe hij begint hem te vervelen door hem meerdere keren te porren in zijn zij en borst.
Ik zag dat [verdachte] zijn hand op de borst dan wel buik van [benadeelde] legde. Op dit moment was [benadeelde] nog bezig met zijn bankdruk oefening, hij had de stang op zijn borst liggen. Ik zag dat de hand van [verdachte] verdween in de broek van [benadeelde] . [benadeelde] was nog bezig met bankdrukken maar door deze gebeurtenis ging het mis, het bankdrukken lukte niet meer waardoor ik ingesprongen ben en hem geholpen heb om de stang terug te leggen. [benadeelde] kwam overeind en duwde [verdachte] aan de kant. [benadeelde] is hierop weggelopen. Ik zag dat hij geschokt was aan zijn gezicht, hij zei verder niets en liep weg.
V: Hoe ver stond je er van af?
A: De afstand tussen mij en [benadeelde] en wat er plaats heeft gevonden was een meter en ik had hier direct zicht op.
V: Wat was de reactie van [verdachte] ?
A: [verdachte] bleef maar lachen en liep gewoon rond in de sportruimte.
3. Het
proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende op pagina 18, zakelijk weergegeven:
Ik sprak [getuige 2] , uit dit gesprek bleek dat hij wel in de sportzaal was maar met zijn rug naar de aangever zat. Hij hoorde het slachtoffer wel schelden en vermoedde dat er iets vervelends gebeurde.

Betrokkene

Achternaam: [getuige 2]
Voornamen: [getuige 2]
4. Het
proces-verbaal van verhoor [getuige 1]door de raadsheer-commissaris op 17 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb al eerder een verklaring daarover afgelegd. Ik heb toen de waarheid verteld.
Ik zag toen [verdachte] zijn hand op de buik van [benadeelde] leggen en daarna met zijn[het hof begrijpt: hand]
in zijn broek.
Opmerking raadsheer-commissaris: de getuige laat op zijn hand zien hoever hij de vingers in de broek zag verdwijnen. Het gaat om de helft van de vingers.
Het klopt het was ongeveer tot de helft van de vingers.
[benadeelde] was behoorlijk van slag. Ik zag dat doordat hij grote ogen had en doorpraatte tegen mij. Daarna was [benadeelde] een paar dagen stil op de afdeling.

Bewijsoverweging

Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat de verklaring van aangever onvoldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat, indien het hof wel van oordeel is dat het dossier voldoende bewijs bevat, het handelen van verdachte niet gekwalificeerd kan worden als ontuchtig zodat ook om die reden vrijspraak moet volgen.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt het volgende.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verklaring van aangever steun vindt in de verklaring van [getuige 1] en [getuige 2] . [getuige 1] bevond zich op een meter afstand van aangever en had direct zicht op wat er voor hem gebeurde. [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat hij zag dat de hand van verdachte in de broek van aangever verdween. Tijdens zijn verhoor door de raadsheer-commissaris heeft hij zijn eerdere verklaring herhaald en gespecificeerd door te verklaren met welk deel van zijn hand (zijn vingers) verdachte in de broek van aangever ging. Daarnaast heeft [getuige 1] verklaard over de door hem waargenomen emoties bij aangever kort na het incident.
Ook de verklaring van [getuige 2] biedt steun voor de verklaring van aangever. Hoewel hij het incident niet heeft zien gebeuren, heeft hij aangever wel horen schelden en vermoedde hij dat er iets vervelends gebeurd was. Aangever heeft verklaard dat hij na het handelen van verdachte
“opdonderden”, “viespeuk”en
“blijf van mij af”tegen verdachte zei.
Verdachte heeft verklaard dat hij zag dat aangever aan het zweten was, zijn shirt omhoog gekropen was en hij geen handdoek onder zijn rug had liggen, terwijl hij gebruik maakte van het bankdrukapparaat. Omdat verdachte dit vies vond en hij niet in het zweet van aangever wilde liggen als hij na aangever gebruik zou maken van het apparaat, heeft hij (herhaaldelijk) tegen aangever gezegd dat hij een handdoek moest gebruiken. Toen aangever daar niet naar luisterde, mogelijk omdat hij verdachte vanwege de taalbarrière niet begreep, heeft verdachte het shirt van aangever vluchtig aangeraakt en een stukje naar beneden getrokken. Daarbij is hij echter niet met zijn hand in de broek van aangever gegaan en ook niet met een deel ervan. Zijn hand bleef boven de borst hangen, aldus verdachte ter zitting van het hof.
Het hof acht de verklaring van verdachte niet aannemelijk geworden, omdat deze wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen en schuift de verklaring van verdachte daarom terzijde. Ook bevat het dossier geen aanknopingspunten waaruit volgt dat aangever en [getuige 1] zich tegen verdachte hebben gekeerd en zij daarom een belastende verklaring hebben afgelegd, zoals door verdachte is gesuggereerd. Dat verdachte naar eigen zeggen wel eens woorden met aangever heeft gehad omdat hij FIFA aan het spelen was terwijl verdachte televisie wilde kijken, is daartoe onvoldoende.
Het hof komt tot de conclusie dat verdachte zijn hand in de broek van aangever heeft gebracht en hij (daarbij) het geslachtsdeel van aangever heeft betast.
Het hof kwalificeert de door verdachte verrichte - ten laste gelegde - handelingen als ontuchtig. Aangever lag op zijn rug met omhoog geschoven t-shirt op een fitnessbank en drukte met zijn armen een halter met gewichten boven zijn borst op en neer toen verdachte onverhoeds een hand op aangevers blote buik legde en vervolgens in aangevers broek bracht en zijn geslachtsdeel betastte. Het op die manier brengen van een hand in de broek bij het geslachtsdeel van een ander dient geen enkel redelijk doel in een fitnesszaal.
Zo doende heeft verdachte in de fitnessruimte zonder toestemming handelingen verricht die zonder meer in strijd zijn met een sociaal-ethische norm.
Het hof acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij opof omstreeks27 juni 2023 te [plaats 1] doorgeweld ofeen andere feitelijkheiden/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid[benadeelde] heeft gedwongen tot hetplegen en/ofdulden van eenof meerontuchtige handelingen, te weten het brengen van zijn hand in de broeken de onderbroekvan [benadeelde] en/ofbetasten van de penis van [benadeelde] , waarbijdat geweld en/ofdie andere feitelijkheiden/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheider in heeft/hebbenbestaan dat verdachte - voornoemde ontuchtige handelingenonverhoeds heeft verricht en/of- voornoemde ontuchtige handelingenheeft verricht terwijl [benadeelde] aan het bankdrukken was, waardoor hij in zijn bewegingsvrijheid werd beperkt en zich niet, althans onvoldoende kon verzetten tegen voornoemde ontuchtige handelingen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met bijzondere voorwaarden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen straf dient te worden opgelegd in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht aan verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 35 uren op te leggen, eventueel in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte
first offenderis, het incident inmiddels geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden en verdachte zijn leven momenteel goed op de rit heeft.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding door, terwijl aangever aan het bankdrukken was, onverhoeds met zijn hand in de broek van aangever te gaan en (daarbij) het geslachtsdeel van aangever te betasten. Door zo te handelen heeft verdachte de lichamelijke integriteit van aangever geschonden. Uit de door aangever opgestelde slachtofferverklaring volgt dat het handelen van verdachte grote impact op hem heeft gehad. Aangever voelde zich na het incident “vies, zwak en ontzettend vernederd”. Ook is hij nog altijd angstig als iemand dicht naast of achter hem loopt. Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen.
De reclassering heeft in haar rapport van 19 juni 2024 beschreven dat zij vanwege de standvastige ontkenning van verdachte geen delictanalyse heeft kunnen opstellen en zij daardoor ook onvoldoende zicht hebben op zijn belevingswereld of ontwikkeling voor wat betreft seksualiteit. Ook is niet duidelijk geworden of het verdachte heeft ontbroken aan probleemoplossende of sociale vaardigheden of dat er seksuele problematiek speelt dan wel sprake is geweest van een impulsdoorbraak of een weloverwogen keuze. De reclassering is van oordeel dat sprake is van een zorgelijk feit dat aandacht behoeft en heeft daarom bijzondere voorwaarden geadviseerd. Ook heeft de reclassering geadviseerd het volwassenstrafrecht toe te passen.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie (het “strafblad”) van verdachte van 22 december 2025 volgt dat verdachte nog niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke delicten. Wel constateert het hof dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is in verband met een veroordeling door het hof op 25 maart 2025 wegens verkrachting.
In verband met bovengenoemde veroordeling is verdachte in april 2025 bij de reclassering onder toezicht gekomen. Uit de brief van de reclassering van 9 september 2025 volgt dat verdachte praktisch dakloos was toen zijn voorlopige hechtenis werd geschorst en er niets voor hem geregeld was (zo had hij bijvoorbeeld geen zorgverzekering, geen uitkering en geen post- of inschrijfadres). Hoewel dit bij verdachte veel stress en spanning opleverde, was hij gemotiveerd en wilde hij graag meewerken. Met behulp van de reclassering is verdachte vanaf juni 2025 gehuisvest bij [woontrainingsprogramma] in [plaats 2] , heeft hij een inschrijfadres, is hij verzekerd en is er een betalingsregeling getroffen voor zijn schulden. Daarnaast is het verdachte – zelfstandig – gelukt een
fulltimebaan te vinden. Ten slotte geldt dat verdachte is aangemeld bij [Forensisch Psychiatrisch Centrum] .
Hoewel het hof de positieve stappen die verdachte na zijn detentie heeft gezet net als de reclassering bewonderingswaardig vindt, is het hof van oordeel dat gelet op de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor aangever, niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke (taak)straf, zoals door de raadsman is verzocht. Het hof acht de door de politierechter opgelegde straf nog steeds passend en geboden, met dien verstande dat het hof geen bijzondere voorwaarden meer aan de proeftijd zal verbinden gelet op het reeds lopende toezicht. Het hof zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Eerste aanleg
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Deze vordering bedraagt € 750,00 en bestaat uit immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 500,00.
Hoger beroep
De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Namens de benadeelde partij is de vordering tijdens de zitting in hoger beroep nader toegelicht, waarbij is verwezen naar verschillende uitspraken en de Rotterdamse schaal.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en ook om die reden niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering aanzienlijk dient te worden gematigd, nu het geestelijk letsel van de benadeelde partij niet is onderbouwd met stukken.
Oordeel van het hof
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vaststellen op € 750,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op genoemde aard en de ernst van de normschending. Uit de verklaring van de benadeelde partij volgt dat hij nog altijd de gevolgen van het handelen van verdachte ondervindt. Zo ervaart hij nog steeds gevoelens van angst en onveiligheid als mensen dicht bij hem komen en durft hij niet meer te sporten zonder dat er mensen om hem heen zijn die hem een veilig gevoel geven.
Het hof heeft eveneens gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 27 juni 2023.
Aldus gewezen door
mr. N. Schaar, voorzitter,
mr. D. Radder en mr. C.H. Zuur, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.D. Maris, griffier,
en op 9 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.