ECLI:NL:GHARL:2026:725

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
21-001131-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 24 SrArt. 24c SrArt. 27 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor winkeldiefstal met verworpen beroep op vrijwillige terugtred

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor winkeldiefstal van Lacoste-ondergoed en stelde hoger beroep in tegen het vonnis. Het hof vernietigde het vonnis vanwege het ontbreken van een proces-verbaal ter terechtzitting en deed opnieuw recht.

Uit camerabeelden en verklaringen bleek dat verdachte meerdere keren de winkel betrad, goederen uit de verpakking haalde en deze in zijn jaszak en tas stopte met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen. De verdediging voerde vrijwillige terugtred aan, stellende dat verdachte zich bedacht en de onderbroeken teruglegde, maar het hof oordeelde dat verdachte zijn weg naar de uitgang onderbrak door de aanwezigheid van winkelmedewerkers, waardoor geen sprake was van een impliciet wilsbesluit tot terugtred.

Ook het verweer dat verdachte zich niet bewust was van twee onderbroeken in zijn jaszak werd verworpen, omdat dit binnen zijn risicosfeer viel. Gelet op de ernst van het feit, eerdere veroordelingen en persoonlijke omstandigheden, legde het hof een geldboete van €200,00 op met aftrek van twee dagen voorarrest, wat neerkomt op feitelijk geen betaling. Het beroep van de verdediging op schuldigverklaring zonder strafoplegging werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van €200,00 met aftrek van twee dagen voorarrest wegens winkeldiefstal; beroep op vrijwillige terugtred wordt verworpen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001131-25
Uitspraakdatum: 9 februari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 25 februari 2025 met parketnummer 16-333855-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 januari 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een geldboete van € 350,00. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.M.J. Nuijten, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft verdachte wegens diefstal veroordeeld tot een geldboete van € 200,00 subsidiair vier dagen vervangende hechtenis met aftrek van het voorarrest.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Op 10 juni 2025 heeft dit hof in het kader van het verlofstelsel als bepaald in artikel 410a van het Wetboek van Strafvordering beslist dat in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist dat de zaak in hoger beroep wordt behandeld.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw recht doen, omdat geen proces-verbaal ter terechtzitting van 25 februari 2025, met daarin de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen, is opgemaakt.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 oktober 2024 te [plaats] , [gemeente] een aantal kledingstukken (Lacoste ondergoed), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Stanpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen verdachte ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte bij de kassa stond en de onderbroeken wilde meenemen zonder te betalen, maar dat hij zich had bedacht en daarom uit de rij was gestapt, om vervolgens de onderbroeken achter te laten in de winkel bij de schoenenstelling. De verdediging doet een beroep op (zo begrijpt het hof) vrijwillige terugtred. Daarnaast stelt de verdediging dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet ten aanzien van diefstal van de twee onderbroeken in de jaszak van verdachte, omdat hij zich er niet van bewust was dat er nog twee onderbroeken in zijn jaszak zaten.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. De politie heeft in een proces-verbaal van bevindingen de camerabeelden van [winkel] beschreven. Hierin wordt beschreven dat verdachte op 19 oktober 2024 twee keer, kort na elkaar, in de winkel is geweest. De eerste keer dat verdachte in de winkel is, is te zien dat hij zich door de winkel verplaatst met enkele goederen uit de winkel. Aangezien deze goederen niet in de tenlastelegging zijn opgenomen, zal het hof bij de beoordeling uitgaan van de camerabeelden vanaf het tweede moment waarop verdachte zich in de winkel begeeft.
Op de camerabeelden is te zien dat verdachte één minuut na het verlaten van de winkel de winkel weer binnenkomt. Hij pakt de tas die hij bij de kassa had achtergelaten en pakt vervolgens twee verpakkingen onderbroeken van het merk Lacoste uit een mand die bij de kassa staat. Verdachte gaat met nog twee andere kledingstukken naar de paskamer en blijft daar zes minuten. Hierna loopt verdachte naar de kassa. Verdachte staat in de rij bij de kassa en op de camerabeelden is volgens de beschrijving te zien dat hij naar de uitgang van de winkel en naar de verschillende winkelmedewerkers kijkt. Na enige tijd in de rij te hebben gestaan loopt verdachte weg van de kassa in de richting van de uitgang. Daar staat inmiddels een medewerker van [winkel] . Verdachte loopt dan de winkel weer in en gaat wederom het pashokje in. Als verdachte het pashokje uitkomt, loopt hij met een tas in zijn hand naar de schoenenstelling. Daar pakt hij iets zwarts uit de tas, stopt het in de schoenenstelling en loopt verder. De verdachte wordt door een medewerker aangesproken en wordt gevraagd mee te lopen naar het kantoor. Een andere medewerker van [winkel] pakt de zwarte kleding uit de schoenenstelling, dit betreffen vier zwarte Lacoste-onderbroeken. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat [verbalisant] in het kantoor voorafgaand aan de aanhouding van verdachte aan verdachte heeft gevraagd waar de andere onderbroeken waren en dat verdachte daarop twee onderbroeken uit zijn jaszak haalde. De verpakkingen van de Lacoste-onderbroeken worden later aangetroffen in het pashokje.
Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte en zijn eigen verklaring over zijn voornemen om de onderbroeken te stelen, leidt het hof af dat hij het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft gehad. Verdachte heeft de Lacoste- onderbroeken uit de daarvoor bestemde mand gepakt, vervolgens – in het pashokje en uit het zicht van de medewerkers – uit de verpakking gehaald en in zijn jaszak dan wel tas gestopt. Uit deze handelingen leidt het hof af dat verdachte de goederen heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening en daarmee is naar het oordeel van het hof sprake van een voltooide diefstal van de Lacoste-onderbroeken.
De verdediging doet een beroep op vrijwillige terugtred omdat verdachte zich zou hebben bedacht op het moment dat hij bij de kassa stond. Hij is weggelopen uit de rij bij de kassa, omdat hij een slecht gevoel gekregen had, en heeft de onderbroeken weggelegd in de schoenenstelling.
Het hof gaat daar niet in mee. Uit het hiervoor beschrevene blijkt dat verdachte, toen hij in de rij bij de kassa stond, naar de uitgang van de winkel en naar de medewerkers van [winkel] keek. Daarnaast wordt beschreven dat verdachte richting de uitgang loopt, waar een medewerker van [winkel] staat, vervolgens stopt met lopen en terug de winkel in gaat. Het hof is van oordeel dat verdachte zijn weg naar de uitgang heeft onderbroken onder invloed van uitwendige prikkels (te weten de ogen van de medewerkers die op hem waren gericht) en niet als gevolg van een impliciet wilsbesluit van hemzelf. Een beroep op vrijwillige terugtred kan daarom niet slagen.
Daarnaast stelt de verdediging dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet ten aanzien van diefstal van de twee onderbroeken in de jaszak van verdachte, omdat hij zich er niet van bewust was dat er nog twee onderbroeken in zijn jaszak zaten. Het hof verwerpt ook dit verweer. Op het moment dat hij de onderbroeken, nadat hij deze in het pashokje uit de verpakking had gehaald, in zijn jaszak deed, was immers al sprake van een voltooide diefstal. Het gegeven dat – zoals door de verdediging aangevoerd – verdachte door de vele verplaatsingen door de winkel, het veelvuldig bellen en de mogelijke adrenaline zich niet bewust was van de twee onderbroeken in zijn jaszak en daarom vergeten was ook deze in het schap te leggen, brengt geen verandering in het oordeel van het hof nu dit volledig binnen de risicosfeer van verdachte ligt. Juist vanwege deze omstandigheden had verdachte moeten controleren of hij lege zakken had. Van het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet bij de diefstal van de twee onderbroeken in de jaszak van verdachte is daarom geen sprake. Zou hij deze onderbroeken wel in de winkel hebben teruggelegd, zou overigens eveneens geen sprake zijn geweest van vrijwillige terugtred, zoals hierboven overwogen.
Gelet op het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – acht het hof bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een winkeldiefstal.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 19 oktober 2024 te [plaats] , [gemeente] een aantal kledingstukken (Lacoste ondergoed), dat geheel aan [winkel] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:
diefstal.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Met zijn handelen heeft verdachte niet alleen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de gedupeerde winkeliers, maar ook schade, overlast en ergernis bij deze winkeliers veroorzaakt.
Het hof heeft acht geslagen op het verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 december 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Het hof heeft eveneens acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen op de terechtzitting in hoger beroep. Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij bezig is met een beroepsbegeleidende leerweg met betrekking tot klimaatinstallaties en dat hij verwacht zich dit jaar te diplomeren.
Verder heeft het hof gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, waarbij als oriëntatiepunt een geldboete van € 200,00 als passend voor een eenvoudige winkeldiefstal (zonder recidive) wordt beschouwd.
De raadsman heeft verzocht om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf.
Het hof gaat hier niet in mee. De aard, de ernst en de gevolgen van het feit laten dat niet toe. Verdachte heeft ook geen dusdanig uitzonderlijke omstandigheden aangevoerd waardoor het toepassen van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht gerechtvaardigd zou zijn.
Daarnaast vindt het hof oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete, zoals subsidiair bepleit door de raadsman, onvoldoende recht doen aan de ernst van het feit.
Het hof vindt de door de politierechter opgelegde geldboete van € 200,00 met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht een passende en noodzakelijke straf.
Daarbij overweegt het hof aanvullend dat de LOVS-oriëntatiepunten ten aanzien van vervangende hechtenis bij een opgelegde geldboete per 1 januari 2026 opnieuw is geïndexeerd. De verhouding – voor de categorie van bedragen tot en met € 5.000,00 – is vastgesteld op € 100,00 tegenover 1 dag vervangende hechtenis. Het hof acht het passend om ten aanzien van artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht ook uit te gaan van een maatstaf van € 100,00 per in voorarrest doorgebrachte dag. Nu verdachte twee dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal hij feitelijk geen geldboete meer hoeven te betalen.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 23, 24, 24c, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaartzoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaartniet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaarthet bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeeltde verdachte tot een
geldboetevan
€ 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
2 (twee) dagen hechtenis.
Beveeltdat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de
maatstaf van € 100,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. van Linde, mr. T.H. Bosma en mr. J.A.M. Kwakman, in aanwezigheid van de griffier mr. E.M.M. Hendriks Vettehen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 9 februari 2026.